MAHLER: BLUMINE
Vergelijkende Discografieen

MAHLER: BLUMINE

 

In 1884 schreef Mahler een symfonisch gedicht Titan in twee delen dat hij vier jaar later in Leipzig voltooide. Het werd voor het eerst in 1889 in Pest (Hongarije) uitgevoerd waar het slecht werd ontvangen. 

 

Achtergronden

 

Maar daaruit werd in de jaren 1885-1888 wel de symfonie nr. 1 geboren, lang een ‘werk in constructie’. Dat begon dus als de Symphonische Dichtung in zwei Teilen:

 

Deel 1 Aus den Tagen der Jugend

1 Frühling und kein Ende (Einleitung und Allegro commodo)

2 Blumine (Blumenkapittel) (andante)

3 Mit vollen Segeln (scherzo)

 

Deel 2 Comedia humana

4. Totenmarsch in Callots Manier

5. D’All inferno al paradiso (Allegro furioso)

 

en werd in het uiteindelijke, qua instrumentatie en muzieknoten gewijzigde stuk, nu met de titel Dichtung in Symphonieform en voorzien van de bijnaam Titan (naar de semi-autobiografische novelle van Jean Paul) ontbreekt op aanraden van Alma Schindler Blumine en zijn de resterende vier delen van hun programmatische verwijzingen ontdaan.  

 

1. Langsam, schleppend; immer sehr gemächlich

2. Kräftig bewegt, doch nicht so schnell

3. Feierlich und gemessen, ohne zu schleppen

4. Stürmisch bewegt. 

 

In 1892 dtrigeerde Mahler de première hiervan in Hamburg. Na een uitvoering 3 juni 1894 in Weimar noemde Mahler het werk ‘Symfonie in D’ en voor de eerste uitvoering in Berlijn in 1896 werd niet alleen de titel Titan geschrapt, maar ook Blumine. Voortaan heette het werk symfonie nr. 1 in D was de orkestratie opnieuw gewijzigd, veel forser gemaakt. 

Blumine was oorspronkelijk in 1884 bestemd voor de toneelmuziek bij Scheffels stuk Der Trompeter von Säkkingen waarin het als ‘maanlicht serenade voor een trompetter die over de Rijn klinkt’ was bedoeld.

Blumine staat in C en paste niet binnen het kader van de ‘progressieve tonaliteit’ van de symfonie die in D staat. Maar het is ook het enige deel waarin het interval van een kwart geen deel uitmaakt van de structuur.

In wezen gaat het om een gemiddeld 7,5 minuten durend deel in A-B-A vorm en gebaseerd op een aantrekkelijke trompetmelodie. Later vertelde Mahler aan Bruno Walter dat Blumine te weinig symfonisch was en te sentimenteel.

Het losse Bluminedeel raakte zoek en werd pas in 1966 door Donald Mitchell teruggevonden en in 1968 in de V.S. gepubliceerd. Benjamin Britten was de eerste die het  in juni 1967 tijdens het Aldeburgh Festival dirigeerde.  

 

De opnamen

 

Het ligt nogal voor de hand om een uitgave te kiezen waar Blumine is gecombineerd met de eerste symfonie, hetzij daarin geïntegreerd, hetzij apart. Op een cd maakt het niet uit want met een goede speler kan men zelf de gewenste volgorde programmeren.

De eerste opnamen van Ormandy en Morris waren destijds van baanbrekende betekenis, maar dateren ver uit de monotijd en zijn dus klankmatig achterhaald.

Chandos zorgde dat Segerstam voortreffelijk in klankweelde baadt met zijn gevoelige, enigszins verdroomde realisatie. Järvi sr. Profiteert ook van de fraaie Chandos klank, maar in interpretatief beschouwd wat aardgebondener. Wie dat aantrekkelijk vindt, treft bij Järvi jr. Een viertal losse Mahlerdelen – Totenfeier, het adagio uit symfonie nr. 10, Blumine en het door Britten verzorgde arrangement van het tweede deel uit de symfonie nr. 2 What the wild flowers tell me aan in zeer goede uitvoeringen. Op zichzelf laat Tilson Thomas voortreffelijke dingen horen, maar Mahler zit in een hutspot programma met werken van Litolff, Fauré, Debussy, Schubert, Ives, Rachmaninov, Dvorak, Sibelius, Delius, Grieg en Delibes. Vrij onopvallend is Rickenbacher in combinatie met Totenfeier en het adagio uit de tiende. Gielen heeft Blumine ingebed in Des Knaben Wunderhorn (met Christiane Iven en Hanno Müller-Brachmann).

Bij Levi hebben we frustrerend te maken met een prachtig opgenomen te onderkoelde interpretatie. Ook Ozawa maakt een wat te afstandelijke indruk. Op zich is Talmi best competent met de Arnhemmers, maar waar het samengaan met de Rückert liederen (door Jard van Nes) te verdedigen is, lijkt Brahms (me Robert Holl) er met de haren bijgesleept. Blunier blijft bij Mahler met als aanvulling het Klagende Lied en het adagio uit de tiende in gedegen verklankingen. Een graadje enthousiaster is Haenchen aan wiens Mahlercyclus velen dierbare herinneringen zullen hebben. Maar hij koppelde d minder voor de hand liggend aan de vierde symfonie.

In Florida zorgt Judd voor een redelijk resultaat, zoals gewenst samen met de symfonie. Dat doen ook de altijd wel boeiende, in dit geval rustieke, Norrington doch wel met vibratoloos spelende strijkers, de grondige Zinman, de voortreffelijke Jurowski en nieuwkomer Lintu. Die geeft Blumine als een apart vijfde deel achter de symfonie. Zijn aanpak is fris en helder met mooie articulatie, de nodige zorg voor detail en vermijding van expressieve overdrijving. Gelukkig biedt hij ook de herhaling in het eerste deel. Het derde deel begint gelukkig met één in plaats van – zoals in zwang is gekomen – acht contrabassen. Over het geheel klinkt de symfonie vrij licht, het tegendeel van de aangezette lezing van bijvoorbeeld Bernstein.

Maar het gelukkigst kan men worden bij De Vriend, wiens versie van het vijfdelige Symfonische gedicht in twee delen ‘Titan’ eerder apart in de cd recensierubriek is besproken.

 

Conclusie

 

Een voorkeur voor De Vriend ligt tamelijk voor de hand: terug naar het origineel. Verder komen Lintu, Jurowski en Segerstam in aanmerking.

 

Discografie

 

1969. Philadelphia orkest o.l.v. Eugene Ormandy. RCA 82876-76233-2.

 

1969. Philharmonia orkest o.l.v. Wyn Morris. Pye TPLS 13037 (lp).

 

1982. Boedapest symfonie orkest o.l.v. Iván Fischer. Hungaroton HCD 12730.

 

1983. Boston symfonie orkest o.l.v. Seiji Ozawa. DG 423.884-2

 

1984. Gelders orkest o.l.v. Yoav Talmi. Ottavo OTR C 9840-2.

 

1988. Bambergs symfonie orkest o.l.v. Karl Anton Rickenbacher. Virgin 790.771-2, 791.570-2.

 

1991. Birmingham symfonie orkest o.l.v. Simon Rattle. EMI 754.647-2.

 

1993. Nederlands filharmonisch orkest o.l.v. Hartmut Haenchen. Brilliant Classics 93277.

 

1993. Pools Nationaal omroeporkest o.l.v. Michael Halász. Naxos 8.550522.

 

1993. Florida filharmonisch orkest o.l.v. James Judd. Harmonia Mundi HMU 90.7118.

 

1993. Deens Nationaal omroeporkest o.l.v. Leif Segerstam. Chandos CHAN 9242.

 

1993. Schots nationaal orkest o.l.v. Neeme Järvi. Chandos CHAN 9308.

 

1997. Norrköping symfonie orkest o.l.v. Ole Kristian Ruud. Simax PSC 1150.

 

1999. Atlanta symfonie orkest o.l.v. Yoël Levi. Telarc CD 80545.

 

2004. Omroeporkest Stuttgart o.l.v. Neeme Järvi. Hänssler 93.137.

 

2006.Tonhalle orkest Zürich o.l.v. David Zinman. RCA 82876-87156-2.

 

2008. SWR Omroeporkest Frankfurt o.l.v. Paavo Järvi. Virgin 16576.

 

2009. Uppsala kamerorkest o.l.v. Paul Mägi. Swedish Society SCD 1149.

 

2010. Londens filharmonisch orkest o.l.v. Vladimir Jurowski. LPO LPO 0070.

 

2010. Nederlands symfonie orkest o.l.v. Jan Willem de Vriend. Challenge CC 72355.

 

2011. SWR Omroeporkest Baden-Baden o.l.v. Michael Gielen. Hänssler CD 93.274.

 

2012. Beethoven orkest Bonn o.l.v. Stefan Blunier. MDG MDG 937-1804-6.

 

2013. San Francisco symfonie orkest o.l.v. Michael Tilson Thomas. SFS 821936-0060-2.

 

2014. Symfonie orkest van de Finse omroep o.l.v. Hannu Lintu. Ondine ODE 1264-5.