MARTIN: MONOLOGE AUS JEDERMANN NR. 1-6
Vergelijkende Discografieen

MARTIN: MONOLOGE AUS JEDERMANN NR. 1-6

 

De 6 Monologen uit Jedermann vormen een van de belangrijkste cycli orkestliederen van na W.O. II. Hugo von Hofmannsthal bewerkte de Middeleeuwse moraliteit in die wij kennen als Elckerlyc in dichtvorm en Martin koos daaruit zes teksten voor zijn orkestliederen. Het onderwerp daarvan is steeds wat ‘iedereen’ wel en niet moet doen om verlost te worden. De liederen zijn bij toerbeurt kernachtig, dramatisch en gewoon prachtig.

 

Achtergronden

 

Net als zijn landgenoot Honegger moest Martin rekening houden met meertaligheid in Zwitserland die ook voor veel vocale muziek geldt. Om ook het Duits een weliswaar secundaire rol te laten spelen werd extra bemoeilijkt in de jaren van W.O. II toen in 1943 deze Monologen op muziek werden gezet.

Tegen die tijd had hij de invloeden van Debussy enerzijds en Schönberg anderzijds verwerkt en een geheel eigen stem gevonden. Met als gevolg een grootse compositie die getuigt van universeel beheerste vermogens.

Gecomponeerd werden de monologen voor de bariton Max Christmann met pianobegeleiding. Later, in 1949, werden ze georkestreerd van natuurlijk veel kleur toevoegde. Het gegeven was bekend. Op Nederlandse middelbare scholen kreeg je bij Nederlands al snel te horen over Elckerlyc, in Salzburg ontstond de traditie om jaarlijks Jedermann op de voeren.

Het verhaal gaat over God de Dood stuurt om Elckerlyck op zijn laatste reis te vergezellen en hoe deze na troost gezocht te hebben bij zijn vrienden en bekenden en zijn wereldse bezittingen ontdekt dat de enige reisgenoot die hij werkelijk nodig heeft en die hij tijdens zijn leven altijd heeft verwaarloosd, zijn Goede Daden zijn. Vergeten mag niet worden dat Martin een diepreligieus mens was.

Martins vermenging van twaalftoons techniek met de traditionele tonaliteit is meteen hoorbaar in de twee beginregels van het eerste lied. Langzaam wordt de hele twaalftoons reeks met tussenliggende interventies opgebouwd tot aan een cis als twaalfde noot die vervolgens dient voor een laag octaaf onder de tweede frase.

Het element van de traditionele tonaliteit wordt met name door mineur drieklanken geleverd, maar dan wel met chromatische toevoegingen waarmee elk frase begint.

Het nodige expressionisme à la Mahler en Berg is in de meer angstige, smartvolle passages niet vreemd aan de muziek. Van een majeur stemming is pas sprake in beide laatste liederen: leed en pijn slaan daar om in rust en aanvaarding.

Achtereenvolgens horen we:

1. Ist alles zu End das Freundenmahl

2. Ach Gott, wie graust mir vor dem Tod

3. Ist als wenn eins gerufen hätt

4. So wollt ich ganz zernichtet sein.

5. Ja! Ich glaub: solches hat er vollbracht

6. O ewiger Gott! O göttliches Gesicht!

 

Het geheel duurt ongeveer 22 minuten.

 

De opnamen

 

Van de vier opnamen met pianobegeleiding zijn die van de subtiele Gérard Souzay en de indringender voordragende Christian Gerhaher het mooist, het evenwichtigst. De uitgaaf van Franz Grundheber klinkt wat grofstoffelijker en van de bleke tenor van Peter Pears moet men houden.

Het aantal opnamen met orkestbegeleiding is groter, maar zeker niet overgroot. Het markante is hier, dat vrijwel alle vertolkingen boven de middelmaat zijn, zodat men vrijwel geen miskoop kan doen.

Wel was het Dietrich Fischer-Dieskau die in Berlijn met de componist naast zich al vroeg voor een gouden standaard zorgde waar anderen zich aan te meten hadden. Ook hijzelf in zijn twintig jaar latere Oostenrijkse opname, die niet meer het niveau van vroeger, toen de zanger op zijn best was, heeft.

Van de later volgenden imponeren Theo Adam en David Wilson-Johnson en zeker Gilles Cachemaille wat minder dan José van Dam, die mee dank zij een prachtige begeleiding ver komt met zijn indringende voordracht, maar de verschillen zijn meest gradueel. Zonder enig blijk van chauvinisme mogen we ook trots zijn op Thomas Oliemans die in Stavanger een prachtige, door MDG fraai opgenomen, prestatie levert.

 

Conclusie

 

Toch blijkt tot slot dat Fischer-Dieskau in Berlijn de tot nu toe nog steeds mooiste interpretatie leverde. Bij de overige zangers hangt het er ook van af in welk restprprogramma Martin aan bod kwam.

 

Met orkestbegeleiding

 

1962. André Vessières met het Concertgebouworkest o.l.v. Eugen Jochum. RCO Live RCO 05001.

 

1963. Dietrich Fischer-Dieskau met het Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Frank Martin. DG 429.858-2, Brilliant Classics 9206, Cascavelle VELD 7005 (2 dvd’s).

 

1983. Dietrich Fischer-Dieskau met het Oostenrijks omroeporkest o.l.v. Hans Zender. Orfeo C 336931 A.

1987. Theo Adam met het Dresdens filharmonisch orkest o.l.v. Herbert Kegel. Berlin Classics BC 9168-2.

 

1990. José van Dam met het Opera orkest Lyon o.l.v. Kent Nagano. Virgin 759.236-2.

 

1994. David Wilson-Johnson met het Londens filharmonisch orkest o.l.v.Matthias Bamert. Chandos CHAN 9411.

 

2006. Gilles Cachemaille met het Suisse romande orkest o.l.v. Armin Jordan. Warner 0927-48687-2.

 

2009. Thomas Oliemans met het Stavanger symfonie orkest o.l.v. Steven Sloane. MDG MDG 901.6114-6. 

 

Met pianobegeleiding

 

1953. Peter Pears en Benjamin Britten. Pearl GEMMD 0227.

 

1960. Gérard Souzay en Dalton Baldwin. Hänssler CD 93.717.

 

2001. Christian Gerhaher en Gerold Huber. Arte Nova 74321-92771-2.

 

2003. Franz Grundheber en Matthias Veit. TYX Art 12010, Spektral SRL 40802-2.