PÄRT: SYMFONIE NR. 3
Vergelijkende Discografieen

PÄRT: SYMFONIE NR. 3

 

De enigszins granieten partituur van de Symfonie nr. 3 uit 1971 Is opgedragen aan Neeme Järvi die er twee opnamen van maakte.

 

Achtergronden

 

Als één componist verantwoordelijk kan worden gehouden voor een haast welkome acceptatie van het ‘heilige minimalisme’ van een Henryk Górecki (toevallig ook symfonie nr. 3) en John Tavener, dan is het wel de monnikachtige Estse componist Arvo Pärt.

We kunnen bij de derde symfonie spreken van een overgangswerk dat enerzijds zwaar leunt op Orthodoxe en Gregoriaanse invloeden. Het vormt zo een brug met de tintinnabulatie (gerinkel, getinkel, rijk aan boventonen geklingel van klokken). De weinig vleiende betiteling ‘heilig minimalisme’ is waarschijnlijk smakeloos, maar beschrijft wel de kern van de filosofie van deze componist. In muzikale termen is zijn ‘klokkengelui’ methode namelijk vrijwel even rigoureus als iedere andere academische compositieformule, zelfs al zijn de toepassingen flexibeler.

Geïnspireerd door de zijn ervaringen met psalmen en de bijbehorende mystieke sfeer wordt de simpele drieklank – waarin Pärt een belklank hoort – als centrale structuur gebruikt. De muziek die zo ontstaat, combineert deze naar de naar de basis terugkerende opvatting van de Europese muziek met de muziek van de Grieks Orthodoxe kerk die hem als levendige inspiratiebron diende.

Maar in deze panoramische, soms wat gefragmenteerd aandoende symfonie is sprake van een contrast met die belklank filosofie. Het werk bevat prachtige dingen – oude kerktoonaarden die een verbeeldingsvolle nieuwe toepassing vinden, een gevoelige orkestratiewijze (vooral in de strijkers en het gestemde slagwerk), verrassende muzikale ontwikkelingen en een behoorlijk aandeel klankdrama. Bij vlagen lijkt het werk vooruit te lopen op de Cantus ter herinnering aan Benjamin Britten en de ‘adempauzes’ tussen episodes zijn kenmerkend voor Pärts latere werk.

Het lijkt alles de stem van iemand die zijn muzikale vleugels uitslaat en doordringt in het domein van de harmonische inventiviteit dat hem kan helpen bij het vinden van een toekomstige stijl: een jeugdige laatromantiek.

 

De opnamen

 

Enigszins merkwaardig zijn bij vergelijking van de betreffende opnamen de verschillen minder op dan de overeenkomsten. Bij deze muziek komt het erop aan om de klank open te houden, de melodielijnen grondig gestalte te geven en de pauzes zorgvuldig te timen. Eventueel zoeken naar een persoonlijk eigen stempel of naar drama richt meer schade aan dan dat het tot positief effect leidt.

Wie goed luistert zal onderweg in het eerste deel even iets van Nielsens vijfde symfonie terugvinden en in de finale wat van Sibelius’ zesde symfonie.

De eerste, nogal stevige vertolking van Neeme Järvi was in menig opzicht meteen raak en bovendien erg goed opgenomen. Hooguit klonk het resultaat niet indringend genoeg, mogelijk door een gebrek aan repetitietijd en te weinig vertrouwdheid van het orkest met dit idioom. Zelfs dat niveau haalde Franz Welser-Möst in Londen niet helemaal met een wat kunstmatig aandoende, opgelegde lezing.

De interpretatie nr. 2 van Neeme Järvi op DG is wat trager, maar ook duidelijk dieper gravend, contrastrijker met veel aandacht voor momenten van tweestemmige polyfonie en uiteindelijk dus ook heel imposant. Hooguit ging de muziek daardoor teveel richting Tchaikovsky.

Niet toevallig is het grootste deel der uitvoeringen in handen van leden van de familie Järvi (vader en zonen). Toch heeft ook ‘buitenstaander’ Takuo Yuasa met het Ierse orkest goed begrepen waar het op aankomt. Zijn uitvoering heeft het meeste weg van Neeme Järvi’s eerste onderneming op BIS. Dat is een groot compliment op zichzelf. De handicap hier schuilt minder in de voortreffelijke intenties als in de praktische realisatie. De Ierse blazers zijn voortreffelijk, maar de strijkers klinken wat bleekjes, hoe goed ze verder ook zijn.

Het blijkt dat Paavo Järvi een soort middenkoers kiest in expressief opzicht. Bij hem klinkt het werk vooral ascetisch met wat ingehouden emotionele betrokkenheid. Op een bepaalde manier ook heel mooi.

In de vooreerst nieuwste uitgave is Kristjan Järvi aan zet. Zijn realisatie is aangenaam warm van toon, zo ver mogelijk plooibaar en een telkens prachtig legato. Het tweede deel is royaal uitgesponnen wat het alleen maar ten goede komt. Het orkest zet ruim vijfentwintig minuten zijn beste beentje voor.

 

Conclusie

 

Misschien wat verrassend is het Kristjan Järvi die tot slot nipt het pleit wint, gevolgd door vader Neeme en broer Paavo op de tweede en derde plaats. Wie minder wil investeren, is ook heel redelijk af met  Yuasa.

 

Discografie

 

1989. Bambergs symfonie orkest o.l.v. Neeme Järvi. BIS CD 434.

 

1995. Londens filharmonisch orkest o.l.v. Franz Welser-Möst. EMI 555.619-2.

 

1997. Göteborg symfonie orkest o.l.v. Neeme Järvi. DG 457.647-2, 479.05707.

 

1999. Ulster orkest o.l.v. Takuo Yuasa. Naxos 8.554591.

 

2000. Ests Nationaal symfonie orkest o.l.v. Paavo Järvi. Virgin 545.501-2.

 

2010. Berlijns Omroeporkest o.l.v. Kristjan Järvi. Sony 88697-72334-2.