SIBELIUS: SYMFONIE NR. 2
Vergelijkende Discografieen

SIBELIUS: SYMFONIE NR. 2

 

Er is nauwelijks een componist die de traditionele symfonievorm zo eerzuchtig als reflectie op de oneindigheid van het landschap heeft betrokken als Sibelius. Dat gebeurde bij hem met een al even uitgesproken constructivistische geest. Een prachtig voorbeeld daarvan vormt de Symfonie nr. 2 in D op. 43.

 

Achtergronden

 

Deze Symfonie nr. 2 uit 1901, een der populairste uit de reeks van zeven, markeert een overgang tussen de jeugdiger en rijpere Sibelius. Veel van het werk werd geschreven in Italië en de Russische invloed is vervangen door iets als een zuidelijker gevoel, een opener klankweefsel, een aantrekkelijker thematiek en een algemeen wat warmere sfeer.

Dit gezegd zijnde, valt niet te ontkomen aan een wat duisterder moment in het tweede deel en een frappante ‘geweldige melodie’ – toch weer even zo’n typisch Russisch concept – als hoogtepunt van de finale.

Sibelius’ Symfonie nr. 2 werd door veel tijdgenoten ook opgevat als ‘bevrijdingssymfonie’, een nationale oproep tot geestelijke mobilisatie. Maar het werk werd ook geprezen vanwege de Beethoveniaanse mengeling van formele bondigheid en welsprekende kracht. 

Wat Sibelius’ eigen leven betreft, ontstond dit meesterwerk blijkbaar uit een persoonlijke crisis, door de dood van zijn dochter en de zelfmoord van zijn schoonzuster. In die tijd verliet hij tijdelijk zijn gezin en vluchtte hij naar Italië.

Het uiteindelijke muzikale resultaat  ademt echter optimisme en dat is mogelijk een reden voor de betrekkelijke populariteit van het werk.

 

De opnamen

 

Geen gebrek aan opnamen, waarvan een aantal niet voor nadere bestudering ter beschikking stond. Het valt wel op, dat Scandinavische dirigenten als Sixten Ehrling, Leif Segerstam, Okku Kamu, Herbert Blomstedt, Paavo Berglund, Jukka-Pekka Saraste, Petri Sakari, Sakari Oramo en Arvo Volmer met veelal Scandinavische orkest geen van allen de eindronde halen.

Wie bij Arturo Toscanini is gevorderd tot de finale zal zich verbazen over de klank van de trompetten en in wat mindere mate over die van de houtblazers. Enerzijds klinken ze in Italiaanse geest erg zangerig, anderzijds ook ritmisch fel en levendig. Het doet enigszins afbreuk aan de noordse noblesse van de symfonie. Toch is het goed dat Naxos deze opname in de best mogelijke conditie laat voorbestaan.

Anthony Collins was een voortreffelijk Sibeliusvertolker die best nog eens mag worden beluisterd, maar wiens opname natuurlijk intussen veel van zijn vroegere glans heeft verloren.

Bij de vroege uitgaven treft om te beginnen die van Thomas Beecham, altijd een groot pleitbezorger van de componist die in de Angelsaksische wereld eerder populair werd dan op het continent. Een vlammende retoriek kent zowel zijn eerste, enigszins vanuit de schaduw klinkende opname uit 1947, maar vooral zijn tweede die in 1954 ter gelegenheid van Sibelius’ negenentachtigste verjaardag in de Royal Festival Hall werd gemaakt. Jammer alleen dat het BBC orkest wat bruut klinkt en dat de opname nog in mono klinkt.

Tot de Engelse dirigenten die warme pleitbezorgers voor Sibelius waren, behoorde ook John Barbirolli. In 1968 maakte hij een prachtige opname van het werk in de akoestisch lastige Royal Albert Hall. Spontaan en temperamentvol mooi binnen de grenzen van het wenselijke brengt hij de symfonie tot leven.

Na deze symfonie in Cleveland en New York te hebben laten opnemen, maakte George Szell zijn mooiste opname van dit werk in Amsterdam. Lange tijd voerde hij de lijst met mooiste vertolkingen aan, intussen raakt hij toch wat op de achtergrond.

Gek genoeg horen we uit 1964 van Leopold Stokowski nog een mono opname, maar gelukkig voegt de ruime akoestiek van de Londense Royal Albert Hall wat ambiance toe. De opvatting van de dirigent is nogal eigenzinnig met heel plooibare tempi, waardoor de symfonie een enigszins rapsodisch karakter krijgt. Het langzame deel munt uit in melancholie en er komen zeker prachtige, retorische momenten langs, maar het is alles wel wat afwijkend van de norm.

 

 

Iemand die kennelijk goed beseft wat achter het gedachtenproces van Sibelius schuilt, was Vladimir Ashkenazy tot een paar maal toe. Zijn aandacht voor de juiste tempi is groot en hij vindt het juiste evenwicht tussen romantisch smachtend verlangen en een pittige aanpak. Zeker het Royal philharmonic speelt prachtig voor hem.

 

 

 

Gedegen en safe is wat Charles Mackerras laat horen. Hij koestert menige frase en toont vooral de gevoeliger kanten van de symfonie.

 

Van iemand als Alexander Gibson verwacht men geen geweldige inbreng. Een vooroordeel dat niet terecht is want hij brengt het er heel goed af. Hij gaat recht op de man af te werk en houdt een helder betoog, gevrijwaard van bombast in de finale.

 

Waarschijnlijk maakte Herbert von Karajan tijdens zijn verblijf bij het Philharmonia orkest kennis met het oeuvre van Sibelius dat in hem een puike interpreet vond. Zijn drietal uitvoeringen – waaronder de eerste inderdaad uit Londen en de beide andere uit Berlijn op zowel EMI als DG klinken in alle drie de gevallen magistraal, gedreven en hoogst welluidend.

De Berlijnse DG opname van de dirigent klinkt wat breder en duidelijker van opzet, maar het eerste deel is altijd nog een allegretto. Pracht en noblesse vieren hoogtij en het orkest klinkt in volle glorie.

Een smet op de vertolking van Simon Rattle is dat hij het langzame deel wat gemaniëreerd laat spelen. Het eerste deel verloopt wat traag en de tempoverschillen in het scherzo irriteren.

Tijdens zijn periode bij het Oslo filharmonisch orkest maakte Mariss Jansons een hele reeks prachtopnamen. Ook van deze tweede symfonie, vol markante details en met een majestueuze, haast aristocratische vaart. Geen wonder dat ook zijn meest recente opname met het Concertgebouworkest van bijzondere klasse is. De opvatting is vrijwel ongewijzigd en we treffen dezelfde passie, hetzelfde engagement, maar met wat toegevoegde ernst en diepte. Het eerste deel klinkt vrij breed en het is een genoegen om het Amsterdamse orkest in topvorm te horen.

De combinatie van Italiaanse warmte en Noordse intensiteit ligt Neeme Järvi in Göteborg uitstekend. De uitvoering klinkt lenig en pittig met veel gevoel voor doel en richting.

Bij herhaling toont Colin Davis zich een ideale interpreet van deze symfonie. Hier treft weer een ander mooi nagestreefde balans, namelijk die tussen de nationalistisch, romantische erfenis en de klassieke kracht. Het eerste deel klinkt opmerkelijk waardig.

Heel consistent klinken zijn drie opnamen uit Boston, Dresden en Londen, met deze laatste als mooiste.

Dat Gustavo Dudamel niet in elk willekeurig repertoire uitblinkt, blijkt uit zijn wat teleurstellende Göteborgse opname.

 

Conclusie

 

Een aantal prachtvertolkingen strijdt om de eer. Daaronder Davis/Londen 2, Jansons/Amsterdam, Ashkenazy/Londen, Barbirolli/Hallé, Vänskä/Lahti, Karajan/Berlijn/DG.

 

Discografie

 

1935. Boston symfonie orkest o.l.v. Serge Koussevitzky. Naxos 8.110170.

 

1940. New York filharmonisch orkest o.l.v. John Barbirolli. Dutton CDBP 9733, Past Perfect 205638-303 (2 cd’s).

 

1940. NBC Symfonie orkest o.l.v. Arturo Toscanini. RCA GD 60294, Naxos 8.110810.

 

1946. Cleveland orkest o.l.v. George Szell. Cleveland Orkest. TCO 93-75.

 

1947. Londens filharmonisch orkest o.l.v. Basil Cameron. Dutton CDBP 9788.

 

1947. Royal philharmonic orkest o.l.v. Thomas Beecham. Biddulph WHL 055, Membran 221918-205.

 

1950. Boston symfonie orkest o.l.v. Serge Koussevitzky. Naxos 8.111290.

 

1953. Stockholm filharmonisch orkest o.l.v. Sixten Ehrling. Finlandia 3984-22713-2 (3 cd’s).

 

1954. Londens symfonie orkest o.l.v. Anthony Collins. Beulah 3PD8, Decca 478.5845.

 

1954. Royal philharmonic orkest o.l.v. Thomas Beecham. BBC Legends BBCL 4154-2.

 

1954. Hallé orkest o.l.v. John Barbirolli. Dutton CDSJB 1018 (2 cd’s).

 

1955. Philharmonia orkest o.l.v. Paul Kletzki. Testament SBT 1049.

 

1956. Frans Nationaal orkest o.l.v. Jascha Horenstein. Music & Arts CD 1146 (9 cd’s).

 

1957. New York filharmonisch orkest o.l.v. George Szell. West Hill Radio Archives WHRA 6019 (4 cd’s).

 

1957. Philadelphia orkest o.l.v. Eugene Ormandy. Sony SBK 53509.

 

1958. Londens symfonie orkest o.l.v. Pierre Monteux. Decca  480.6568, 475.7798 (7 cd’s).

 

1960. Detroit symfonie orkest o.l.v. Paul Paray. Mercury 434.317-2.

 

1960. Philharmonia orkest o.l.v. Herbert von Karajan. EMI 566.599-2.

 

1962. Royal philharmonic orkest o.l.v. John Barbirolli. Testament SBT 1418.

 

1964. Concertgebouworkest o.l.v. George Szell. Philips 420.771-2, 442.727-2 (2 cd’s), RCO Live RCO 05001.

 

1964. Philharmonia orkest o.l.v. Leopold Stokowski. BBC Classics BBCL 4115-2.

 

1965. Zweeds omroeporkest o.l.v. Sergiu Celibidache. DG 469.072-2.

 

1965. New York filharmonisch orkest o.l.v. Leonard Bernstein. Sony SM2K 47619.

 

1968. Weens filharmonisch orkest o.l.v. Lorin Maazel. Decca 461.321-2.

 

1969. Hallé orkest o.l.v. John Barbirolli. EMI 567.299-2.

 

1969. WDR Omroeporkest Keulen o.l.v. John Barbirolli. ICA Classics ICAC 5096 (2 cd’s).

 

1969. Moskou’s Omroeporkest o.l.v. Gennady Rozhdestvensky. Melodiya MEL 1001669 (3 cd’s).

 

1970. Omroeporkest Helsinki o.l.v. Okku Kamu. DG 459.385-2 (4 cd’s).

 

1970. Berlijns symfonie orkest o.l.v. Kurt Sanderling. Berlin Classics BC 9273-2, Brillant Classics 6238 (5 cd’s).

 

1972. Philadelphia orkest o.l.v. Eugene Ormandy. RCA GD 86528.

 

1976. Boston symfonie orkest o.l.v. Colin Davis. Philips 420.490-2, 416.600-2 (4 cd’s).

 

1977. Utah symfonie orkest o.l.v. Maurice Abranavel. Vanguard 08.404.73.

 

1978. Gürzenich orkest Keulen o.l.v. Yuri Ahronovitch. Profil Medien PH 08040.

 

1979. Philharmonia orkest o.l.v. Vladimir Ashkenazy. Decca 410.206-2, 430.737-2, 421.069-2 (4 cd’s). 

 

1980. Bournemouth symfonie orkest o.l.v. Paavo Berglund. EMI 

 

1980. Concertgebouworkest o.l.v. Kyrill Kondrashin. Tahra TAH 501/2 (2 cd’s).

 

1980. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Herbert von Karajan. EMI 769.243-2.

 

1982. Schots nationaal orkest o.l.v. Alexander Gibson. Chandos CHAN 6556.

 

1983. Philharmonia orkest o.l.v. Vladimir Ashkenazy. Decca 436.478-2, 473.144-2.

 

1983. Göteborg symfonie orkest o.l.v. Neeme Järvi. BIS CD 228, 252.

 

1983. Schots nationaal orkest o.l.v. Alexander Gibson. Chandos CHAN 6557.

 

1984. Birmingham symfonie orkest o.l.v. Simon Rattle. EMI 764.120-2.

 

1984. Cleveland orkest o.l.v. Yoel Levi. Telarc CD 80095.

 

1985. Royal philharmonic orkest o.l.v. John Barbirolli. Chesky CD 3.

 

1986. Helsinki filharmonisch orkest o.l.v. Paavo Berglund. EMI 749.511-2, 568.643-2 (2 cd’s).

 

1986. Weens filharmonisch orkest o.l.v. Leonard Bernstein. DG 419.772-2, 477.9785 (2 cd’s).

 

1988. Staatskapel Dresden o.l.v. Colin Davis. Profil Medien PH 05049.

 

1988. Royal philharmonic orkest o.l.v. William Boughton. Nimbus NI 7716/7 (2 cd’s)

 

1989. Fins Omroeporkest o.l.v. Jukka-Pekka Saraste. RCA RD 87919.

 

1989. Royal phlharmonic orkest o.l.v. Alexander Gibson. Collins 911.057-1.

 

1990. Slowaaks filharmonisch orkest o.l.v. Adrian Leaper. Naxos 8.550199.

 

1990. Orkest van de Deens nationale omroep o.l.v. Leif Segerstam. Chandos CHAN 9020.

 

1990. New York filharmonisch orkest o.l.v. Zubin Mehta. Teldec 2292-46317-2.

 

1990. Pittsburgh symfonie orkest o.l.v. Lorin Maazel. Sony SK 53268.

 

1991. San Francisco symfonie orkest o.l.v. Herbert Blomstedt. Decca 433.810-2.

 

1992. Deens nationaal omroeporkest o.l.v. Leif Segerstam. Chandos CHAN 9083.

 

1992. Londens symfonie orkest o.l.v. Colin Davis. RCA 09026-61963-2.

 

1992. Vlaams filharmonisch orkest o.l.v. Gerard Oskamp. Verdi AU 32155.

 

1992. Oslo filharmonisch orkest o.l.v. Mariss Jansons. EMI 754.804-2.

 

1992. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. James Levine. DG 437.828-2.

 

1992. Boston symfonie orkest o.l.v. Vladimir Ashkenazy. Decca 436.566-2.

 

1992. St. Petersburg filharmonisch orkest o.l.v. Joeri Temirkanov. RCA 09026-61701-2.

 

1992. Pittsburgh symfonie orkest o.l.v. Lorin Maazel. Sony SK 61963, 88697-80833-2 (5 cd’s).

 

1993. Fins omroeporkest o.l.v. Jukka-Pekka Saraste. Finlandia 4509-99963-2 (3 cd’s).

 

1994. Londens symfonie orkest o.l.v. Colin Davis. RCA 09026-68218-2.

 

1994. San Francisco symfonie orkest o.l.v. Herbert Blomstedt. Decca 448.817-2.   

 

1994. Royal philharmonic orkest o.l.v. Charles Mackerras. RPO 204413-201.

 

1997. Lahti symfonie orkest o.l.v. Osmo Vänskä. BIS CD 862, 1286/128 (4 cd’s).

 

1997. IJslands symfonie orkest o.l.v. Petri Sakari. Naxos 8.554266.

 

1997. Chamber orchestra of Europe o.l.v. Paavo Berglund. EMI 574.485-2 (8 cd’s). 

 

2001. Cincinnati symfonie orkest o.l.v. Paavo Järvi. Telarc CD 80585.

 

2002. Helsinki filharmonisch orkest o.l.v. Leif Segerstam. Ondine ODE 1026-2.

 

2002. Helsinki festival orkest o.l.v. Olli Mustonen. Ondine ODE 1022-2.

 

2002. Oregon symfonie orkesto.l.v. James DePreist. Delos DE 3334.

 

2003. Londens symfonie orkest o.l.v. Colin Davis. LSO Live LSO 0051. 

 

2003. Birmingham symfonie orkest o.l.v. Sakari Oramo. Warner 0927-43500-2

 

2003. Londens filharmonisch orkest o.l.v. Paavo Berglund. LPO LPO 0005.

 

2003. Helsinki filharmonisch orkest o.l.v. Leif Segerstam. Ondine ODE 1035-2, ODE 1075-2 (4 cd’s).

 

2004. Göteborg symfonie orkest o.l.v. Neeme Järvi. DG 477.5688 (4 cd’s).

 

2005. Concertgebouworkest o.l.v. Mariss Jansons. RCO Live 05005.

 

2007. Adelaide symfonie orkest o.l.v. Arvo Volmer. ABC 476.3945.

 

2008. Londens symfonie orkest o.l.v. Colin Davis. LSO LSO 0605.

 

2008. Göteborg symfonie orkest o.l.v. Gustavo Dudamel. DG 477.9449 (2 cd’s).

 

2008. Nieuw Zeelands symfonie orkest o.l.v. Pietari Inkinen. Naxos 8.572704.

 

2011. Minnesota orkest o.l.v. Osmo Vänskä. BIS SACD 1986.

 

2012. BBC Filharmonisch orkest o.l.v. John Storgårds. Chandos CHAN 10809 (3 cd’s).

Video

 

1986. Weens filharmonisch orkest o.l.v. Leonard Bernstein. C Major 702208 (2 dvd’s).