VAUGHAN WILLIAMS: SYMFONIEËN NR. 1-9

VAUGHAN WILLIAMS: DE 9 SYMFONIEëN 

Net als Beethoven, Dvorak en Mahler schreef Ralph Vaughan Williams negen symfonieën, waaronder ook een Pastorale (de Derde). Op het continent bestonden en bestaan allerlei vooroordelen tegen Engelse muziek in het algemeen en die van V.W. in het bijzonder. Terecht? AchtergrondenDe muzikale oerbelevenissen van V.W. waren de Engelse volksliedkunst en de polyfonie van de vroeg Elizabethaanse componisten. Het eerste productieve resultaat van zijn confrontatie met die erfenis waren de liederencyclus On Wenlock Edge en de Thomas Tallis fantasie (wanneer we even afzien van de oppervlakkiger Greensleeves fantasie).Zonder enige twijfel vormen de negen symfonieën die een scheppingsperiode van ongeveer vijftig jaar omspannen de beste Engelse symfoniereeks ooit. Dat is feitelijk heel ironisch omdat de componist oorspronkelijk helemaal niet van plan was om ooit een symfonie te schrijven. Beslissend voor het eerste werk op groot formaat in deze vorm was het contact met de dichter Walt Whitman en diens golvende natuurlyriek (die Delius inspireerde tot zijn compositie Sea Drift). Gemeen hadden deze drie referentiekaders van de jonge componist c.q. hun weerspiegeling in zijn werk de distantie tot rationele doorwerkingstechnieken zoals die in de negentiende continentale muziek werd geperfectioneerd. De reputatie van een slechts beperkt louter op door de volksmuziek geïnspireerde modale melodieën (door Elizabeth Lutyens ‘koeienvla muziek’ genaamd) die de componist verwierf, is op zijn kleinschalige, het platteland idealiserende paradijselijk idealistische en niet op zijn grootschalige werken gebaseerd.Des te verrassender is het dus eigenlijk dat V.W. zich zijn leven lang met het schrijven van symfonieën bezighield. Hoe verschillend hun niveau in kwalitatief opzicht ook mag zijn, als eindresultaat suggereren en onthullen ze een lange Engelse muziekculturele traditie en evolutie die reikt van de Tudortijd tot een stuk in de twintigste eeuw. Dat verklaart mogelijk ook de half nostalgische, half missionarische inzet voor deze muziek van zelfs lang in Engeland werken de dirigenten. De prominentste verdediger van de componist was altijd Adrian Boult; gek eigenlijk dat zijn collega’s Barbirolli, Beecham, Sargent nooit tot een hele cyclus kwamen maar jongeren als (Andrew) Davis, Handley, Thomas weer wel. De rest van de opnamen was in handen van buitenlanders: de Amerikanen Previn en Slatkin, de Nederlander Haitink. Alle negen deze werken spreken een eigen, behoorlijk persoonlijke taal, hoewel het eerste tweetal – de Sea symphony met koor en de exuberante Londense symfonie invloeden van Elgar verraden en in het latere werk soms iets van Sibelius doorklinkt. Al deze symfonieën zijn best de moeite waard, maar het zijn vooral de derde en de vijfde die als mesterwerk kunnen gelden. De opnamenZoals al opgemerkt ontkwam geen buitenlands, regelmatig of langdurig in Engeland werkende dirigent aan het uitvoeren van Britse muziek (Elgar, Britten, Holst, Vaughan Williams). Zelfs Monteux en Karajan niet, maar ook Solti, Haitink, Previn, Slatkin en Kees Bakels ontkwamen daar niet aan. Hoe verhouden hun vertolkingen zich tot die van de ‘real Brittons’?De cyclus van Previn wordt gekenmerkt door inconsistentie; er is kortom sprake van grote hoogtepunten en spijtige dieptepunten. Het best geslaagd bij hem zijn de nummers 2, 3, 5 en 9; de nummers 4 en 6 zijn het teleurstellendst en ook nr. 1 en 7 kunnen er op de keper beschouwd maar net mee door. Als cyclus dus geen aanbeveling.De inzet van Slatkin levert gelijkmatiger door een hoge mate aan verfijning gekenmerkte resultaten op, maar maakt tenslotte toch een wat routineus vlakke indruk. Een cyclus die terecht snel in de vergetelheid raakte. Haitink had voor zijn reeks een jarenlange adem nodig. Hij komt over de hele linie tot overtuigende resultaten, zeker in de oren van buitenlanders met een vrij letterlijke, misschien niet optimaal idiomatische, maar wel krachtige en oprechte aanpak. De tempi zijn soms wat aan de trage kant, maar de noblesse en de spanning blijken steeds duidelijk. Hoogtepunten uit zijn cyclus zijn de nummers 1, 2, 5, 6 terwijl de het laatst opgenomen nrs. 8 en 9 zelfs het predikaat subliem verdienen. Over het geheel een hoge score dus. Als toevoegingen geeft Haitink de Tallis fantasie, de eerste Norfolk rapsodie, The lark ascending (met Sarah Chang), In the Fen Country en On Wenlock Edge. Ook anderen (alleen Thomson niet) bieden aanvullend andere werken waardoor men meestal op een totaal van 6 cd’s uitkomt.Net als Slatkin laat ook Andrew Davis geen diepe indrukken na. In geen van de negen werken haalt hij een toppositie zodat we ook hem gauw kunnen vergeten (gek genoeg deed hij op Warner 0927-49584-2 wel een fraaie nr. 6). Een ongeveer zelfde lot is Bryden Thomas beschoren.Uit een ander vaatje tapte Adrian Boult. Fameus was vroeger zijn begin jaren vijftig vorige eeuw ontstane reeks Decca opnamen die destijds meteen een gouden standaard vestigden. Wie met de beperkingen van mono geen moeite heeft moet deze cyclus zeker proberen. De meeste opnamen klinken prachtig voor hun tijd en met name de Sea en Antartica symfonie hebben een subliem karakter. Later herhaalde Boult met hetzelfde orkest (dat ook voor Haitink speelde) dat alles nog eens voor EMI. De opnamen zijn mooier, maar in de uitvoeringen lijkt het heilig vuur wat te zijn gedoofd.Blijft Vernon Handley uit Liverpool. Eigenlijk verrassend, mar hij zorgt voor de meest consistente vertolkingen op het hoogste niveau; ze zijn vol vervoering  en helder, getuigend van een grote orkestrale virtuositeit. Probeer en vergelijk bijvoorbeeld de zesde eens met de andere opnamen. Het succes is over de hele linie groot, maar de nummers 1, 2, 6 en 9 springen er echt uit.   ConclusieIn absolute termen is Handley hier de eerste keus. Maar voor tijdelijk slechts €24,95 in de bij ‘Klassieke Zaken’ aangesloten detailhandel is de EMI uitgave van Haitink natuurlijk een geweldig koopje van heel hoog muzikaal en opnametechnisch gehalte. Zo komt Boult momenteel op de derde plaats. DiscografieIsobel Baillie, Margaret Ritchie, John Cameron, John Gielgud  en het Londens filharmonisch koor en –orkest o.l.v. Adrian Boult. Belart 461.442-2 (5 cd’s mono). 1952/3Sheila Armstrong, Norma Burrowes, Margaret Price, Anna Case met het Londens filharmonisch koor en –orkest o.l.v. Adrian Boult. EMI 573.924-2 (8 cd’s). 1968/71Amanda Roocroft, Thomas Hampson e.a. en met BBC koor en symfonie orkest o.l.v. Andrew Davis. RCA 0630-17047-2 (6 cd’s). 1993/4Felicity Lott, Jonathan Summers, Amanda Roocroft, Sheila Armstrong met het Londens filharmonisch orkest en –koor o.l.v. Bernard Haitink. EMI 586.026-2 (7 cd’s). 1984/2000Alison Hargan, Joan Rodgers, William Shimell, Alison Barlow  met het Liverpool filharmonisch orkest en –koor  o.l.v. Vernon Handley. EMI 565.458-2 (6 cd’s). 1988/92Heather Harper, John Shirley-Quirk, Ralph Richardson, de Ambrosian singers en het Londens symfonie orkest en -koor  o.l.v. André Previn. RCA 82876-55708-2 (6 cd’s). 1967/71Linda Hohenfeld, Benita Valente, Thomas Allen met het Philharmonia koor en –orkest o.l.v. Leonard Slatkin. RCA 09026-61460-2 (6 cd’s). 1991/2    Catherine Bott, Yvonne Kenny, Brian Rayner Cook met het Londens symfonie orkest en –koor o.l.v. Bryden Thomson. Chandos CHAN 9087/91 (5 cd’s). 1987/9