WAGNER: RING DES NIBELUNGEN, DER

WAGNER: DER RING DES NIBELUNGEN 

Wagners monumentale “Bühnenfestspiel für drie Tage und einen Vorabend”, Der Ring des Nibelungen is het grootste muziekdrama dat ooit werd gecomponeerd. Het gaat over de eeuwige kwesties van macht, liefde, persoonlijke verantwoordelijkheid en moreel gedrag. Het werk stond altijd open voor talloze interpretaties, zowel in dramatisch als in muzikaal opzicht. Het werk vormt voor elke generatie een nieuwe uitdaging en lang niet alle muzikale uitvoeringen doorstonden heelhuids de tand des tijds. De Ring tetralogie met zijn mengeling van op uiterst krachtige muziek gezette hebzucht, liefde en verdorvenheid is met zijn ruim veertien uur durende muziek een bekronend wapenfeit in de opera. 

Achtergronden

Wagners werk over zijn Nibelungen epos ontstond in een tijd van opschudding, van revolutie. Gefrustreerd door de hofkringen in de stad van zijn keuze Dresden en beïnvloed door anarchisten rebelleerde Wagner tegen het gevestigde, oude Duitsland. Er deden allerlei kleurrijke verhalen de ronde over zijn bijdrage aan de Dresdense revolutie in 1849. Mogelijk had hij het oude operagebouw in de as gelegd zoals wel werd gesuggereerd en zeker is dat hij hielp om granaten te bestellen en aanplakbiljetten te verspreiden. Hij werd een gezocht man met een prijs op zijn hoofd; een verbanning naar Zwitserland was het gevolg.

Maar voordat hij vertrok voltooide hij de kladversie van Siegfried’s Tod uit Die Götterdämmerung. Zijn belangstelling voor het Nibelungenlied – een middeleeuws gedicht waarin het verhaal van de Nibelungen wordt verteld – was al eerder gewekt en net als menig ander Duits componist op zoek naar een nationaal epos, werd hij aangetrokken door het opera potentieel van dat gedicht. Wagners toekomst lag in de mythologie; hij vond dat die dieper in het onderbewuste was verankerd dan welk historisch onderwerp dan ook. Toen hij eenmaal de nog oudere Scandinavische versies had ontdekt, ging hij serieus aan de slag. Hij ontdekte ook het allitererende vers (Stabreim) in deze bronnen en nam dat dankbaar over in het hele libretto. Een voorbeeld. Alberich: “Garstig glatter glitschiger Glimmer”. Het stafrijm koppelde geluid en betekenis en daardoor klinkt Alberich de opstandige dwerg net zoals hij oogt.

Toen hij eenmaal Siegfried’s Tod had geschreven, vond Wagner dat een lange uitleg nodig was om uit te leggen waarom Siegfried vermoord moest worden door Hagen c.s. Hij schreef daarom een soort voorwoord, Der junge Siegfried (kladvers in 1851) waarin de opgroeiende jonge held wordt beschreven. Opnieuw was het nodig om meer uit te leggen, bijvoorbeeld waarom Brünnhilde te slapen was gelegd op een door vuur omringde rots. Daarom schreef hij in deze volgorde schetsen in proza voor Das Rheingold en Die Walküre (1851) om ons terug te voeren naar het begin.

Geconfronteerd met een gigantisch project van vier opera’s die moesten worden voorzien van passende muziek, iets wat nooit eerder op een dergelijke schaal was gebeurd, laste Wagner een lange voorbereidingstijd in. Die periode besteedde hij om prozateksten te schrijven over allerlei onderwerpen: over het Duitse volk, de revolutie, het Judentum in der Musik enzovoorts. Aan het begin van die periode probeerde hij Siegfried's Tod op muziek te zetten, maar dat lukte niet zo best.

Hij moest de kracht van zijn systeem van Leitmotive nog ontdekken. Een systeem waarin korte muziekmotieven werden geassocieerd met mensen, gevoelens en gebeurtenissen.

Ook had hij meer dan genoeg theorieën voor zijn epos. Het moest worden samengehouden met behulp van een Beethoveniaanse symfonische ontwikkeling, waarbij het orkest zich wat terugtrok als de zangers de tekst “declameerden”. Er mocht geen sprake zijn van aria’s of ensembles in de oude Italiaanse traditie en ook de verkeerde Italiaanse praktijk waarin twee zangers tegelijk over verschillende onderwerpen zongen, moest worden uitgebannen.

Volgens Wagner zelf begon het eigenlijke componeren op dramatische wijze in 1853. Terwijl hij in een hotelkamer in La Spezia in slaap viel, voelde hij “water stromen” en hoorde hij “de zuivere drieklank Es-groot” – een prachtige versie van een geboorte droom (blijkbaar is de toonaard die we bij de geboorte verwachten te horen Es). Wagner mag dat hebben aangedikt want we vernemen dit voor het eerst uit zijn autobiografie die pas veel later verscheen toen Wagners waarheidsgevoel dat nooit erg betrouwbaar was, mogelijk helemaal geen rol meer speelde. Maar wat hij beschrijft, is het begin van Das Rheingold waarin de gestage stroom van de Rijn wordt geïllustreerd in vijf minuten durende arpeggio’s in Es-groot, een van de fraaiste muzikale visies aller tijden.

Eenmaal van start, schreef Wagner in razend tempo verder en in 1857 was hij klaar op de orkestratie van de tweede akte van Siegfried na. Hij was moe, had weinig geluk en was lang niet zeker dat het enorme werk ooit zou worden uitgevoerd. Dus besloot hij een paar werken te schrijven die beloofden wel geld in het laatje te brengen in de vorm van Tristan und Isolde en Die Meistersinger. De zaken gingen van kwaad tot erger en een ramp leek nabij toen zijn tweede poging om Parijs te veroveren met een flop eindigde. Maar toen dook plotseling een ridder in een schitterende wapenrustig op in de gedaante van koning Ludwig II van Beieren, die zijn ondersteuning toezegde voor de voltooiing van de Ring. Daarmee is het verhaal van de wordingsgeschiedenis afgesloten. In 1876 werd het complete werk voor het eerst in een voor dat doel gebouwd theater op de top van een groene heuvel in Bayreuth uitgevoerd. Sindsdien wordt het beschouwd als een van de grootste verworvenheden van de menselijke geest en tevens als een muzikaal meesterwerk van een adembenemende complexiteit en schoonheid.

Zoals gezegd: de Ring gaat over hebzucht en de invloed van macht op de corruptie als tegenwicht van de liefde. In Rheingold steelt Alberich een klomp goud van de drie Rheintöchter wanneer hij hun ‘liefde’ niet kan winnen. Hij weet dat een uit dat goud gesmede ring hem de wereldheerschappij zal bezorgen. Wodan, de koning der goden, heeft een vesting voor zichzelf gebouwd en is daarbij overeengekomen dat hij daarvoor zal betalen met de zuster van zijn vrouw, die tevens de liefde vertegenwoordigt. Deze overeenkomst brengt hem in de problemen en wanneer hij hoort van de ring en Alberichs rijkdom besluit hij die ring als betaalmiddel voor zichzelf te stelen. Hij besluit om de ring terug te krijgen om zijn suprematie te garanderen.

In Die Walküre leren we dat Wodan zijn zaad royaal heeft gezaaid: in de jacht op een vrije held heeft hij een tweeling verwekt van wie Siegmund de held is. Maar de band tussen Siegmund en Sieglinde – zo blijkt in de eerste akte – is overspelig en incestueus en Wodans echtgenote, Fricka, tevens de godin der liefde, belemmert dit. Wodan die zo wordt gedwarsboomd instrueert zijn lievelingsdochter Brünnhilde als krijger om niet te ziel van Sieglinde’s man Hunding (de zielen van gestorven helden worden door de Walküren in het fort Walhalla verzameld) te incasseren, maar zijn beminde zoon Siegmund die nu dus moet sterven.

Wanneer Brünnhilde Siegmund ontmoet, ontdekt ze de kracht van de liefde en wordt ze ongehoorzaam aan haar vader. Wodan intervenieert en zorgt dat Siegmund sterft. Sieglinde is al in verwachting van een grote held, Siegfried en wordt door Brünnhilde in het bos gedreven voordat zij, Brünnhilde, wordt bestraft met het verlies van haar godheid. Ze wordt te slapen gelegd op een rots en kan door elke man worden opgeëist. Ze staat er wel op dat ze door vuur moet worden omringd zodat alleen de dapperste held – Siegfried, haar neef – haar kan redden.

In Siegfried wordt de jonge Siegfried opgevoed door een afzichtelijke dwerg: Mime, een broer van Alberich. Mime ziet in Siegfried een manier om aan de ring en het goud van de draak Fafner te komen, die dat alles bewaakt. Siegfried slaagt in zijn opdracht nadat hij de zwaarden van zijn vader heeft gesmeed uit fragmenten die na Wodans woede overbleven. Maar wanneer een vogel aan Siegfried het snode plan van Mime heeft verteld, doodt hij ook Mime. Siegfried betuigt Brünnhilde zijn liefde en verovert deze nadat hij eerst zijn grootvader, Wodan, terzijde heeft geworpen.

In Götterdämmerung, de donkerste opera van het viertal, treffen we een in hun liefde overgelukkige Brünnhilde en Siegfried aan die geschenken uitwisselen. Brünnhilde neemt de ring, Siegfried haar paard. Siegfried gaat op zoek naar avontuur en ontmoet de Gibichungs. Hagen, de halfbroer van de broer en zus  Günther en Gutrune, wil de ring en geeft Siegfried een liefdesdrank te drinken. Hij vergeet Brünnhilde en wordt verliefd op Gutrune, die op zoek is naar een echtenoot. Günther wil een vrouw, maar kan niet door het vuur naar Brünnhilde, zijn eerste keus omdat Hagen heeft ontdekt waar de ring is (zonder dat Günther daarvan weet). Siegfried, verhit door zijn nieuwe vriendschap, gaat ermee akkoord om in vermomming te gaan om Brünnhilde te veroveren. Brünnhilde die begrijpelijk genoeg furieus is, vertelt van haar verraad en Hagen merkt gewiekst dat zijn eer alleen kan worden gered door de dood van Siegfried. (Siegfried nam de ring van Brünnhilde en draagt deze nu). Siegfried wordt gedood maar wanneer Hagen tracht hem de ring te ontfutselen tilt hij zijn arm uitdagend op – een groots moment – en komt Brünnhilde ertussen. Ze vraagt de vazallen om een brandstapel te bouwen. Wanneer deze in vuur en vlam staat, voegt ze zich bij Siegfried om zo de dood in te gaan terwijl ze zingt over een nieuwe wereldorde waarin de liefde oppermachtig heerst (Brünnhilde’s zelfoffer). 
De Ring heeft altijd bloot gestaan aan talloze interpretaties. Shaw zag het werk als een allegorie van een socialistische staat en Donnington beschouwde het in termen van symbolen van Jung. Maar meer en meer werden de nationalistische elementen aanvaard en sommigen zien antisemitische tendensen in het werk. Feministen vergelijken Wagners overweldigde Brünnhilde met de onbevreesde krijgster uit het oorspronkelijke epos. Maar het is even goed mogelijk om zich in mythologische diepten te begeven, want de Ring is alomvattend en voor velerlei uitleg
vatbaar.Bij de uitvoeringen wenste Wagner dat de tekst goed te volgen moest zijn en dat het orkest daarom gedeeltelijk overdekt moest zijn (zoals in Bayreuth het geval is) om dat te vergemakkelijken. Hij spoorde de musici voortdurend aan om op een vlotte, levendige manier te spelen en maakte zangers die het tempo lieten slepen verwijten. Hij had eindeloze moeite om een geschikte bezetting te vinden want hij had rollen geschapen die uitmunten door een enorme moeilijkheidsgraad. 

 

De opnamen

Een uniek werk als de Ring vraagt om een opnameconcept dat getuigt van een hechte, liefst langdurige samenwerking tussen alle betrokkenen, van hecht teamwork. Het is dan ook nauwelijks verwonderlijk dat twee van de beste opnamen in Bayreuth ontstonden aan de hand van ‘echte’ opvoeringen daar en tenminste twee andere tijdens concertante uitvoeringen. Frappant genoeg heeft tot op heden niemand in de studio eenzelfde atmosfeer weten te scheppen.Tegenwoordig is het alleen maar moeilijker geworden doordat in grote lijnen alles luider en langzamer wordt gespeeld. De speelduren van tijdens de premières die trouw door de musici in Bayreuth werden geregistreerd kunnen we als authentiek beschouwen; ze komen ruwweg overeen met de speelduur van de meer recente opnamen van Furtwängler, Böhm en Boulez, maar duidelijk niet met die van Knappertsbusch, Levine, Moralt en de (Engelse) versie van Goodall.  Het zou eenvoudig zijn geweest de uiteindelijke keuze te beperken tot historische opnamen; het zou een keuze zijn geweest die ook enig recht heeft. Maar het is verstandig ook en juist modernere stereo opnamen in deze keuze te betrekken omdat zij een logische prioriteit zijn voor menig luisteraar.De oudste ‘complete’ Ring is die van Bodanzky en werd voor de oorlog in de New Yorkse Met gemaakt (er zijn verschillende jaargangen vertegenwoordigd). Het materiaal verscheen op Valhall op Siegfried na die bij Music and Arts uitkwam. Momenteel is alleen Götterdämmerung blijkbaar op Naxos leverbaar. Het is een versie die wemelt van de coupures en gaten en de klank is vaak afschuwelijk, maar de directie is geweldig en de zang is beter dan op de meeste latere opnamen. Er circuleren ook enige opnamen van afzonderlijke werken, zoals een Götterdämmerung uit Bayreuth onder Elmendorff (Preiser, 1942), een Walküre van George Szell uit de New Yorkse Met (Myto1944), Fricsay (Myto 1951), Furtwängler (Wenen, 1954) en Leinsdorf (Decca 1961).Talloze live mono versies uit Bayreuth circuleren. Het meest interessant daaronder zijn de uitvoeringen van Krauss uit 1953 (diverse labels) en Knappertsbusch uit 1956 (Music and Arts). De Krauss versie is ontleend aan radio uitzendingen dat jaar vanuit Bayreuth. Krauss vertegenwoordigt de vitale, dynamische en weloverwogen visie op het werk op z’n best. Zonder ook maar een moment een compromis aan te gaan met de dominante structurele noodzaak en de orkestrale gravitas verleent hij de cyclus een elementaire kracht waarvan alle vier de werken zijn doortrokken met mogelijk een klein gemis aan grandeur in de laatste opera. Hij had een stel zangers ter beschikking zoals dat zelden voor en na die tijd het geval was. De bezetting wordt aangevoerd door de alomvattende Brünnhilde van Astrid Varnay, die beschikte over de zekerheid en nadruk van Flagstad in deze rol en over veel van de glans van Nilsson terwijl ze haar eigen gevoel van vrouwelijke kwetsbaarheid inbracht, alles uitgedrukt met een aangeboren tekstgevoel. Aan haar zijde staat de geweldige Wodan van Hans Hotter (die deze rol zo’n twintig jaar lang domineerde) en die in 1953 op het hoogtepunt van zijn kunnen was en zijn rol vervulde met een warme, nobele stem en het begrip van een liedzanger voor de tekst. Met een haast aangeboren integriteit uit hij alle innerlijke kwelling van de god. Wolfgang Windgassen zong hier zijn eerste Siegfried. Later ontwikkelde hij deze rol een stuk verder, maar hier bezit zijn stem een unieke jeugdige glans. Hij is een Siegfried die afwisselend ongemanierd, heldhaftig, poëtisch, manlijk en tenslotte heel tragisch is. Menig andere opvallende prestatie siert deze cyclus. Daaronder Gustav Neidlingers klassieke Alberich, scherp gearticuleerd en vocaal een goede tegenhanger van Hotters Wodan. Verder Erich Witte’s intelligente, maar lichtelijk onzekere Loge, Paul Kuéns flikflooiende Mime, Ramon Vinay’s welsprekende Siegmund, Josef Greindls zwaarmoedige Hagen (een rol die hij nog beter vervulde bij Böhm) en heel wat andere sterren uit het Bayreuth van toon. De enige smet wordt gevormd door de schreeuwerige Sieglinde van Regine Resnik.De bezetting bij de als altijd trage Knappertsbusch heeft meer te lijden onder een toen nogal grillige Brünnhilde van Astrid Varnay, maar ook zijn interpretatie bezit een onverbiddelijk gevoel van continuïteit en verhaallijn.De Ring die Furtwängler in 1953 in Rome opnam bezit maar weinig van de spanning die hij in zijn vertolking uit Milaan drie jaar eerder legde, maar die is helaas incompleet. Deze opname is gebaseerd op een stel radio uitzendingen dat per akte werd gemaakt in maart en april van dat jaar.Het orkest uit Rome is zo slecht, dat men haast voelt hoe de dirigent het tempo inhoudt om de boel bij elkaar te houden. Ster van de uitvoering is de extatische Sieglinde van Hilde Konetzny. De Brünnhilde van Martha Mödl was altijd omstreden maar als men aan haar timbre gewend is, ontdekt men dra dat ze doordrongen is van de psychologie van haar rol, zoals die is gecodeerd in woorden en muzieknoten. Haar Wodan is de nogal prozaïsche Ferdinand Frantz: een betrouwbare, zekere doch sporadisch geïnspireerde god. Haar Siegfried echter is bij wijze van contrast een der levendigsten op de plaat. Gustav Neidlingers Alberich, die alleen in Rheingold aan bod komt, is nog onvolgroeider dan later; Wolfgang Windgassen is een lyrich vurige Siegmund maar ook een nogal saaie Loge. Merkwaardig is de Mime van Julius Patzak, die bewust alle overdrijving vermijdt en die zo onverwacht sympathie wekt. De jonge Sena Jurinac levert een aantal prachtige bijdragen in diverse kleinere rollen en Margarete Klose als een serieuze Waltraute. Josef Greindl is eens temeer een imposante Hagen.De integrale opname van Neuhold uit 1995 (Bella Musica) is een onbekende grootheid die hier niet kon worden beoordeeld. Onvermeld in de discografie is de reeks uitvoeringen in het Engels van Chandos die in de jaren zeventig in het Londense Coliseum werd gegeven door de English National Opera onder leiding van Reginald Goodall. Afgezien van die onmogelijke taal is het resultaat best imposant, vooral dankzij de stralende Brünnhilde van Rita Hunter, de verfijnd lyrische Siegfried van Alberto Remedios en de autoritaire Wodan van Norman Bailey.Karajans DG versie is nog altijd onmisbaar, ondanks de dubieuze bezetting en een teleurstellend geluid. Niettemin is zijn vertolking als het ware verlamd door een aantal rare eigenaardigheden in de bezetting en de klank. Met name Siegfried is nogal teleurstellend uitgevallen. Naar verwachting dirigeert Karajan wat gladjes, strevend naar een te gehomogeniseerde klank; de tempi zijn aan de brede, overpeinzende kant, waardoor het mankeert aan spanning en contrast ontbreekt ondanks alle getoonde concentratie. Momenten als Alberichs stelen van het goud of Donars hamerslag gaan haast ongemerkt voorbij. Jammer genoeg zijn de bezettingen weinig consistent. De Brünnhilde van Régine Crespin uit de Walküre haalt niet bij die van Helga Dernesch in topvorm in de beide laatste opera’s uit de tetralogie. Jess Thomas, de Siegfried uit Siegfried moet in Götterdämmerung zijn rol overdragen aan Helge Brilioth, die even kernachtig, maar met mildere stem zingt. Het karakter van Wodan komt bij Thomas Stewart onvoldoende uit. Gundula Janowitz heeft haar fraaie momenten als Sieglinde, maar is te weinig dynamisch. Er zijn ook positiever facetten zoals de bijzondere creatie van Fischer-Dieskau als Wodan; briljant, viriel en expressief. De Fricka van Josephine Veasy is ook uitstekend en Gerhard Stolze zingt een Loge met iets wat het meest op een Sprechstimme lijkt: bijzonder, maar wel controversieel. Jon Vickers overtuigt over de hele linie met een heroïsche Siegmund. In Götterdämmerung valt op dat de Brünnhilde van Dernesch een stuk warmer klinkt dan die van Nilsson. De Siegfried van Brilioth is aantrekkelijk fris en jeugdig en de Gutrune van Janowitz
attractiever dan die van Claire Watson bij
Solti.Een onbekende studio-opname uit 1968 (Weltbild) is de moeite van het aanhoren waard, ook al worden de teveel naar voren gehaalde stemmen op den duur irritant. De uitvoering is in handen van Hans Swarowsky die een wisselend succes heeft met zijn bezetting. Maar in zijn beste momenten levert deze formidabele prestaties. Het digitale tijdperk heeft een bombastische Ring uit New York van James Levine opgeleverd, een stel goede zangers ten spijt. Ook de videoversie maakt dat nauwelijks beter.Van toewijding en consistentie getuigen de studio opnamen die Eurodisc (later overgenomen door RCA) in 1980 en 1983 maakte van een toen nog nadrukkelijk Oost Duitse productie uit Leipzig en Dresden. Een van Duitse grondigheid en homogeen teamwork getuigend project met bevredigende, zij het niet geweldige uitkomsten. De stemmen klinken vrij prominent, maar ook orkestraal detail is goed hoorbaar in de voortvarende uitvoering onder Janowski. Duidelijk de beste digitale Ring na Barenboim is deze van Janowski die de voortreffelijke Staatskapel uit Dresden tot zijn beschikking had en een stel heel behoorlijke zangers. Wat kolengruis in zijn stem ten spijt is Theo Adam opnieuw een imposante Wodan. In Walküre lijkt Jessye Norman een vreemde keuze als Sieglinde, maar in haar handen klinkt deze rol glorieus en is de expressie heel intens. In vergelijking toont haar partner Siegfried Jerusalem minder verbeelding als Siegmund. Een nadeel is ook dat Norman eigenlijk de Brünnhilde van Jeannine Altmeyer naar het tweede plan verwijstDe rest van de bezetting mag er met voorop Kurt Moll (een geweldige Hunding), Peter Schreier, Matti Salminen, Yvonne Minton (prachtige Fricka) en Lucia Popp ook wezen.  De uitvoering als geheel is echter aan de lichtgewicht kant (ook Donars hamerslag heeft teveel van een zilversmid aan het werk) met weinig gevoel van Wagneriaanse eb en vloed. Dat wreekt zich het meest in Götterdämmerung. Maar binnen dat concept overtuigt Jeannine Altmeyers Brünnhilde: ze is extatisch in de eerste akte, bitter in de tweede en heel toegewijd aan het slot van het werk. Op een paar ruwheden na is René Kollo een waardige Siegfried, Matti Salminen een grootse Hagen en Nimsgern een imposante Alberich. Ondanks een onpersoonlijke Günther en Gutrune en een te vibratorijke Waltraute is dit opnieuw een heel acceptabel resultaat.Voor een best genietbare, maar wat krachteloze beeldregistratie en video soundtrack zorgden Wolfgang Sawallisch en EMI in 1989. De uitvoeringen zijn gebaseerd op de nogal excentrische moderne regie van Nicholas Lehndorff aan de Beierse Staatsopera. De opvatting van Sawallisch ligt in de lijn van Böhm, het orkest speelt heel mooi en de uitvoering bezit dramatische vaart en expressieve spontaniteit. Hildegard Behrens is een vocaal wisselende, maar steeds geëngageerde en intelligente tamelijk lichtgewicht Brünnhilde net als onder Levine, Robert Hale een heel treffende en overtuigende Wodan, René Kollo een bovenmiddelmatige Siegfried met een stem die slijtageplekken vertoont en Julia Varady is een warmbloedige Sieglinde. De geluidskwaliteit is behoorlijk, heel warm van toon en sfeervol.De opname van Haitink (EMI) heeft best positieve kanten, met name in de goedgevormde, fraai gelijnde Rheingold, de dynamische Siegfried en de nobele Götterdämmerung  maar is over het geheel tamelijk wat glansloos en heeft te lijden onder de onuitstaanbare Brünnhilde van Eva Marton die gewoon te vlagerig en te slecht gefocusseerd klinkt. Ook Theo Adam is hier een teleurstellende Alberich, dramatisch intens, doch niet langer in staat een lange dramatische lijn vast te houden. James Morris als Wodan komt sympathieker over dan onder Levine, maar blijft wat onder het niveau van de anderen. De opnamen kwamen mogelijk wat vroeg voor de dirigent die zich ten tijde van de Münchense opnamen pas net serieus als Wagnervertolker begon te profileren. Zijn visie is aan de bedachtzame kant, maar bezit ook kern en richting. Opvallend genoeg slaagde Götterdämmerung het mooist. Met uitzondering van Eva Marton worden prachtige zangers prestaties geleverd: Siegfried Jerusalem is eens temeer een heldhaftige Siegfried die ook mild van toon is; Thomas Hampson is een viriele, maar ook gevoelige Günther, John Tomlinson een sinistere maar ook menselijke Hagen, Marjana Lipovsek een intens warme Waltraute en Eva-Maria Bundschuh een haast overrijpe Gutrune. Geen wonder dat vooral het orkestrale aandeel mooi uit de verf komt. Wagners bijzondere orkestratie wordt hier in een fraai daglicht geplaatst.  De opname klinkt warm van toon en volbloedig: een technisch zeer geslaagde digitale opname.Christoph von Dohnanyi zorgde voor een deels veelbelovende aanzet van de cyclus met Rheingold en Die Walküre uit Cleveland op Decca (1992/3), maar de serie werd helaas niet voortgezet.In de seizoenen 1948 en 1949 werden de door Myto uitgebrachte studio opnamen van Moralt gemaakt, telkens een akte per keer en in aanwezigheid van een stil publiek. Dit was het voorbeeld voor Furtwänglers project in Rome in 1953. Het mono geluid is levendig en valt goed te beluisteren gedurende langere tijd; slechts op een aantal punten heeft slijtage (?) van de oorspronkelijke banden het geluid sterk negatief beïnvloed. Het ergst in het orkestrale naspel van de eerste akte van Walküre. Maar over het geheel klinkt deze versie beter dan die van Furtwängler. Elke noot is aanwezig, waardoor dit in feite de eerste echt volledige Ring is. Een domme montagefout maakt dat we een paar maten uit Götterdämmerung twee keer horen langskomen, wat een storende ervaring is.Moralt is een vooral lyrisch dirigent die veel aandacht toont voor een juist evenwicht en orkestraal detail. Het ontbreekt echter ook niet aan opwinding, maar op sommige momenten blijken Wagners noten wat teveel te zijn voor het Weens symfonie orkest dat dan even ondergaat in de strijd.Belangrijker, significanter echter is de bezetting die de meest consistente is van alle versies die de short-list haalden. Sinds Bodanzky (die over Kirsten Flagstad en Marjorie Lawrence beschikte) waren er twee Brünnhildes van het kaliber van Helena Braun en Gertrude Grob-Prandl zo goed in staat om dermate accuraat en met groot uithoudingsvermogen hun rol te interpreteren. Günther Treptow is een robuuste Siegfried die net niet over het hele gamma een heroïsche tonen beschikt en Ferdinand Frantz is de meest bel canto Wodan uit de naoorlogse periode; soms is hij slachtoffer van enige onverschilligheid, maar hier geeft hij een ontroerend beeld van de gekwelde god. Er zijn meer opmerkelijke prestaties, met name de Loge van Julius Pölzer, de Fricka van Elisabeth Höngen en de Günther van Karl Kamann. De wens om zoveel mogelijk muziek per cd onder te brengen heeft geleid tot een stel ongelukkige onderbrekingen. Elke notie dat een in Bayreuth gemaakte opname alle subtiliteiten van de lokale akoestiek weergeeft kan worden vergeten bij het luisteren naar de – toegegeven – heel briljante Teldec opname van Barenboim. Het orkest is haast overpresent en kreeg de voorrang boven de zangers. Zo’n directe opname betekent ook dat nogal wat bijgeluiden van het toneel prominent hoorbaar zijn. Vermoedelijk was dat onvermijdelijk daar het hier primair ging om een video registratie zonder aanwezigheid van publiek. Zo’n procedure valt bijna altijd in het nadeel van de pure geluidsversie uit.

Een mogelijk voordeel is wel dat de uitvoering levendiger klinkt dan de gemiddelde studio productie en dat een grotere continuïteit is gewaarborgd. Die uitvoering is over grote lengten best pakkend met een enorme spanningsopbouw in het lange gedeelte uit de slotscène van de Walküre waar Brünnhilde het mededogen van Wodan vraagt en krijgt. Daar staat tegenover dat Barenboim die eerder een nogal lethargische Wagnervertolker was hier verrassend genoeg over het geheel het muzikale verloop nogal onder druk zet en de luisteraar soms haast dreigt te verpletteren onder het ontketende geweld van het koper. Hier wekt hij herinneringen aan Solti.Barenboim leerde zijn Wagner van Furtwängler en dat is te horen. Zijn tempi zijn iets langzamer (in totaal heeft hij 889’29” nodig tegen 840’51” bij Furtwängler), maar zijn tempo modificaties zijn geheel in de ‘authentieke’ Duitse traditie. Ongelukkig genoeg wordt di alles niet met volkomen onderscheidingsvermogen gedaan zoals de bizarre tempowisseling in Feuerzauber laat horen. Niettemin is er alle reden om deze Ring in de topgroep op te nemen. De bezetting is zo goed als momenteel haalbaar. Alle hoofdrollen zijn tenminste adequaat bezet met een grootse Wodan van John Tomlinson (beter in Walküre dan in Rheingold), een dominante Loge van Graham Clark, een bedachtzame, doorleefde Fricka van Linda Finnie en Anne Evans is een geheel in haar rol opgaande, zij het nogal kwetsbare en niet erg krachtige, maar wel mooi zuiver zingende Brünnhilde. Met Jerusalem beschikt Barenboim over een Siegfried die zijn voornaam eer aandoet; hij beschikt over een mooie heroïsche stem die grote hoogten bereikt in de smeedscènes en de liefdesduetten. Opvallend verder de fraaie Siegmund van Poul Elming.Jammer dat Götterdämmerung niet het gehoopte culminatiepunt is geworden. Anne Evans blijft mooi zuiver zingen en is heel menselijk, maar in laatste instantie tot fysiek wat te zwak. Overtuigend daarentegen Siegfried Jerusalem, Eva-Maria Bundschuh (heldere, frisse Gutrune) en Waltraut Meier (krachtige Waltraute). Bodo Brinkmann klinkt ouwelijk en ongelijkmatig als Günther, Philip Kang is een grofkorrelige Hagen en Günter von Kannen een te weinig sinistere Alberich.Furtwängler dacht dat hij in La Scala elke noot van de Ring had gedirigeerd. In feite bracht hij twee traditionele coupures aan, eentje in de tweede akte van de Walküre en eentje in de derde akte van Siegfried. De tweede is het ergst want die trivialiseert de cruciale confrontatie van Siegfried en Wodan. Maar dat daargelaten is dit de Ring der Ringen. Dat de Duitse dirigent een orkest kon overnemen dat perfect was voorbereid door Victor de Sabata moet een enorme ervaring zijn geweest, zelfs voor een dirigent die gewend was aan het Berlijns en Weens filharmonisch orkest. Woorden schieten haast tekort om de buitengewone reactievermogen en de lyrische gloed van het orkest te beschrijven. Als het om Wagner ging, kon Furtwängler makkelijk in opwinding raken en toonde hij veel spontaniteit; hier kon hij vrijelijk zijn gang gaan. Het resultaat had niet boeiender kunnen zijn. Zijn meesterschap over Wagners muziektaal is volkomen en het gevoel van een zich naar absolute onvermijdelijkheid ontwikkelend verhaal is nooit in deze mate geëvenaard.De bezetting is van wisselend kaliber. De beide Siegfrieds werken boven hun macht, met name Lorenz die wat kwalijke geluiden van zich geeft. Maar dan nog weet Furtwängler dat in orkestraal opzicht goed te compenseren. De kostbaarste en grootste schat van deze opname is de Brünnhilde van Kirsten Flagstad. Dit hier is een Flagstad zoals we haar zelden te horen kregen (ook al mist ze twee hoge C’s): volkomen geëngageerd is ze bereid om zich door Furtwänglers drang te laten aansteken en geeft ze een minder statige interpretatie dan gewoonlijk. Furtwänglers benadering is uniek, tegelijk romantisch en tragisch, elementair en diepgravend. Hij was een retorisch briljante advocaat van mythische conflicten en verlangens.Natuurlijk zijn er andere prachtige en minder goede vocale prestaties. Het geluid is levendig genoeg afgezien van de verschrikkelijke overgang tussen twee slecht aangepaste bandfragmenten in de Walküre en Siegfried, wat inhoudt dat de geluidskwaliteit zelfs midden in een frase kan veranderen. Gelukkig heeft men bij Music and Arts iets gedaan om het leed van deze slechte bandlassen te verzachten.Er bestaat nauwelijks een opname uit de eerste eeuw van de fonografische geschiedenis die heftiger bediscussieerd en geprezen is dan de Ring van Georg Solti. Ster producer John Culshaw maakte de bewuste opname met veel inzicht en toewijding; hij besloot geen live uitvoering na te bootsen, maar streefde ernaar om een theaterbelevenis in de huiskamer te realiseren. Culshaw maakte graag gebruik van geluidseffecten en omstreden is oplossing om de zangers achter het orkest te plaatsen. Niettemin zijn ze goed in balans gebracht en verdrinken ze niet in een turbulente orkestrale zee. Het resultaat is nog steeds fascinerend. De zangers bewegen quasi tussen de luidsprekers, het orkest is tienmaal zo luid en duidelijk dan in het theater (strijkers klinken nooit echt zo luid) en er zijn ettelijke prachtige geluidseffecten, met name aan het slot van Rheingold: de hamergeluiden in de smidse natuurlijk, maar ook Donars donderslag en de regenboog brug. Maar ook de Trauermarsch uit Götterdämmerung fungeert hier als een ongeforceerde climax. In dit werk treffen vooral ook de levendige Hagen van Gottlob Frick en de Günther van Fischer-Dieskau die het haast onmogelijke presteert door in deze rol ook nog sympathie te wekken. Met Solti had Culshaw een ideale partner gevonden. Solti kon altijd in een moment grote spanning genereren en was in staat om de korte takes van de studio opname tot een groot, ononderbroken geheel aaneen te rijgen. Toch heeft die virtuoos illusionistische klankregie altijd nog wel wat; het drama is er danig door verlevendigd.Het beste slaagden Rheingold met veelal sensationeel geluid en Götterdämmerung. Vooral (opnieuw) dankzij Nilsson en Windgassen, maar ook dankzij Gottlob Fricks Hagen. Maar ook beide middelste opera’s lukten goed, niet in het minst dankzij Hotters Wanderer. Eigenlijk is het niet zo verwonderlijk dat Götterdämmerung het beste slaagde.Bovendien werden  de opnamen gemaakt in een periode (1958-1965) toen er nog voldoende goede Wagnerstemmen ter beschikking stonden. Wolfgang Windgassen, die als Siegfried meedoet, was over zijn hoogtepunt heen, maar hij beschikte over de ervaring en de vocale hulpbronnen om een afgerond en vooral waardig beeld van zijn rol te geven. Nilsson is beter in de live opname van Böhm, maar hier ontmoeten we haar op volle kracht, levendig en met een bijzondere individuele schoonheid in haar zang. Hans Hotter is een kernachtige, ontroerende en dus goede Wodan, ook al wordt zijn specifieke toon wat vervelend op den duur. Jammer alleen dat George London – soms wat grof namelijk - hem in Rheingold verving. Als eigenlijke ster kan haast Gustav Neidlinger gelden, die met grote precisie zingt als Alberich en die de ontwikkeling van deze rol prachtig gestalte geeft van de grappige creatuur aan het begin tot het demente monster aan het eind. Set Svanholm had karakteristieker gekund als Loge, maar hij zingt tenminste fraai. De tweede akte uit Die Walküre met de botsing tussen Wodan en Fricka is een hoogtepunt dankzij de prachtige inbreng van Hans Hotter en Christa Ludwig. In dit werk valt James King wat tegen met een vlakke Siegmund, maar daarentegen is Régine Crespin een prachtige Sieglinde.De zeer bewonderde pionierdaad van Decca ligt alweer lang achter ons en het project vergde jaren werk, zodat het niet zo verwonderlijk is dat het bij alle grote verdiensten wat aan consistentie ontbreekt.Het probleem wordt niet gevormd door het Technicolor geluid of de zang – daar is niets mis mee afgezien van een lichtelijk scherpe klank – maar de dirigent. Solti met al zijn vitaliteit, gevoel voor drama en verve is op een haast grove manier al te nadrukkelijk en staat de muziek maar zelden toe om zich rustig en logisch te ontwikkelen. In kleine doses ondergaan is het resultaat toch best indrukwekkend. Decca had het geheel echter met meer zorg kunnen remasteren. De ruis wegnemen van de oorspronkelijke opname was overbodig; het was beter geweest over te gaan naar een nieuwe 20-bit master. Hoe dan ook, de cd’s bezitten niet de warmte en de presence van de oorspronkelijke lp’s.Menig verzamelaar zal Furtwängler zijn coupures, zijn Siegfrieds en de beperkingen in de geluidskwaliteit vergeven, maar er komt echter een punt waarop men ernaar snakt dat de klank opbloeit, liefst in natuurlijke stereo. Dat is meten het punt waar problemen opdoemen want de standaards van de Wagner interpretatie zijn sinds de jaren vijftig niet op peil gebleven. Böhms optredens in Bayreuth (1966/7) vormden een oase van hoop, want hij was in staat om het werk effectieve vaart te geven door tempi te kiezen die de uitvoeringsduur uit 1876 dicht benaderden: 819’12”. Verder weten ook maar weinig andere dirigenten de aandacht zo geboeid te houden over lange lappen muziek en dergelijke hoogtepunten te bereiken als in de climax van het liefdesduet uit Siegfried. Wolfgang Schwinger omschreef Böhms uitvoeringen als “kleurig, pulserend en in al fresco stijl”. Maar de dirigent was ook heel scrupuleus in het volgen van Wagners aanduidingen, niet alleen bij de tempokeus, maar ook bij de dynamiek. Hij dirigeert de vier werken met een onfeilbaar gevoel voor hun structuur en de noodzaak om de dramatische interesse op peil te houden. Gelukkig ook is hij verre van zwaarwichtig. Böhms lezing munt vooral uit door dramatische vaart en innerlijke spanning, maar hij toont ook belangstelling voor de metafysische aspecten.De opname bestaat uit een mix van live en repetitie fragmenten uit 1967; het geheel is zorgvuldig verwerkt, opgepoetst en gemonteerd voor de cd versie. Hoewel er waarschijnlijk microfoons in de orkestbak staan, komt de typische gedekte akoestiek uit Bayreuth goed over. De klank is heel natuurlijk en erg mooi, waardoor dit meteen al een prachtig klinkende Ring is. De bezetting bevat het klassieke koppel Nilsson en Windgassen, hier geanimeerd door het live karakter en Böhms levendige ondersteuning en ook wat wispelturiger en gepassioneerder dan onder Solti. Nilssons feitelijk onovertroffen Brünnhilde, onvermoeid gezongen, geeft blijk van veel begrip voor de ontwikkeling van deze rol van gretige jonge godin in de Walküre via de vurige minnares uit Siegfried  en het begin van Götterdämmerung tot de tragedie en heroïek van het slot. Windgassen biedt een rijpere, bedachtzamer maar even goed gezongen Siegfried dan hij onder Krauss deed. Windgassen is ook een voortreffelijke Loge. Leonie Rysanek was de klassieke Sieglinde uit die tijd, zingend met een intense expressie en een fraaie hoogte. Ze wordt terzijde gestaan door James Kings stoere, maar ook vurige Siegmund en Theo Adam geeft mogelijk de vertolking van zijn leven als een intelligente, doorleefde, wereldwijze zij het soms wat grove en onzuivere Wodan en evenaart menig in vocaal opzicht vaardiger Wodan; hij begint wat moeizaam in Rheingold, maar wordt gestaag beter. Gustav Neidlingers Alberich is formidabel als altijd en de bassen vormen een prachtig stel. Onder de kleinere rollen treffen we heel wat aangename verrassingen aan. Alleen de Hagen van Josef Greindl is wat al te nasaal en dus onaangenaam; als Waltraute is Martha Mödl niet geheel betrouwbaar qua intonatie. De finale vormt een hoogtepunt met een Nilsson die aan het eind van een inspannende avond nog zo kernachtig en accuraat kon zingen.Deze Ring is fraai gezongen en heel doelbewust gedirigeerd; de opname zorgt voor een goede balans tussen toneel en orkest. Als zodanig is dit het ideale compromis voor degenen die niets willen weten van historische opnamen. Er is slechts een zuiver materiële beperking: Philips verdeelde de muziek niet behoorlijk over de cd kanten en liet de 70’ regel het geheel bepalen. Het gevolg is een stel ongelukkige overgangen.

 

 

Conclusie

Een volmaakte opname van Wagners Ring bestaat niet, een versie waarin echt het hele verhaal gaaf wordt verteld zal ook wel nooit verschijnen. Bij gebrek daaraan is de eerlijke recht door zee verklanking van Böhm, waarin de kracht en de inhoud van het epos zo mooi worden getoond de beste aanbeveling met de versie van Solti op de tweede plaats. Maar ook Furtwängler is een must en voor een enkele keer zijn ook Barenboim, Haitink, Moralt en Krauss zeer de moeite. 

 

Discografie

John Tomlinson, Linda Finnie, Poul Elming, Nadine Secunde, Anne Evans, Siegfried Jerusalem met het Ensemble van het Bayreuth festival o.l.v. Daniel Barenboim. Teldec 4509-91185-2 (14 cd’s). 1991

Theo Adam, Annelies Burmeister, James King, Leonie Rysanek, Birgit Nilsson, Wolfgang Windgassen met het Ensemble van het Bayreuth festival o.l.v. Karl Böhm. Philips 446.057-2 (14 cd’s).

Donald McIntyre, Hanna Schwartz, Peter Hofmann, Jeannine Altmeyer, Gwyneth Jones, Manfred Jung met het Ensemble van het Bayreuth festival o.l.v. Pierre Boulez. Philips 434.421-2, 434.422-2, 434.423-2, 434.424-2 (12 cd’s) 1980

Ferdinand Frantz, Ira Malaniuk, Wolfgang Windgassen, Hilde Konetzni, Martha Mödl, Ludwig Suthaus met het Ensemble van de Italiaanse omroep Rome o.l.v. Wilhelm Furtwängler. EMI 767.123-2 (13 cd’s). 1953

Ferdinand Frantz, Josef Herrmann, Elisabeth Höngen, Günther Treptow, Hilde Konetzni, Kirsten Flagstad, Set Svanholm, Max Lorenz met het Ensemble van La Scala, Milaan o.l.v. Wilhelm Furtwängler. Music and Arts CD 914, Gebhardt JGCD 0018 (12 cd’s). 1950

James Morris, Waltraud Meier, Reiner Goldberg, Cheryl Studer, Eva Marton, Siegfried Jerusalem en het orkest van de Beierse omroep o.l.v. Bernard Haitink. EMI 749.853-2, 749.534-2, 749.290-2, 754.485-2 (14 cd’s). 1988/91

Theo Adam, Yvonne Minton, Siegfried Jerusalem, Jessye Norman, Jeannine Altmeyer, René Kollo met de Staatskapel Dresden o.l.v. Marek Janowski. RCA 74321-45417-2 (14 cd’s). 1981/2

Dietrich Fischer-Dieskau, Josephine Veasy, Jon Vickers, Gundula Janowitz, Régine Crespin, Jess Thomas met het Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Herbert von Karajan. DG 435.211-2 (15 cd’s). 1867/8

Hans Hotter, Georgine von Milinkovic, Wolfgang Windgassen, Gré Brouwenstijn, Astrid Varnay met het Ensemble van het Bayreuth festival o.l.v. Hans Knappertsbusch. Music and Arts CD-1009 (13 cd’s). 1956

Hans Hotter, Ira Malaniuk, Ramón Vinay, Regina Resnik, Astrid Varnay, Wolfgang Windgassen met het Ensemble van het Bayreuth festival o.l.v. Clemens Krauss. Foyer 15-CF 2011 (15 cd’s).

James Morris, Christa Ludwig, Gerry Lakes, Jessye Norman, Hildegard Behrens, Siegfried Jerusalem met het Ensemble van de Metropolitan opera New York o.l.v. James Levine. DG 445.354-2 (14 cd’s). 1988

Ferdinand Frantz, Elisabeth Höngen, Rosette Ansay, Günther Treptow, Hilde Konetzni, Helena Braun, Getrude Grob – Prandl met het Weens symfonie orkest o.l.v. Rudolf Moralt. Myto MCD 962.144, 971.152, 972.155 en 973.159 (14 cd’s).

John Wegner, Wilja Ernst – Mosuraitis, Edward Cook, Gabriele Marue Ronge, Carla Pohl, Wolfgang Neumann met de Staatskapel Dresden o.l.v. Günther Neuhold. Bella Musica BMSCH 003090 (14 cd’s). 1993/5

Robert Hale, Marjana Lipovsek, Robert Schunk, Julia Varady, Hildegard Behrens, René Kollo en het Ensemble van de Beierse staatsopera o.l.v. Wolfgang Sawallisch. EMI 572.731-2 (14 cd’s). 1989

George London, Hans Hotter, Kirsten Flagstad, Christa Ludwig, James King, Régine Crespin, Birgit Nilsson, Wolfgang Windgassen met het Ensemble van de Weense Staatsopera o.l.v. Georg Solti. Decca 455.555-2 (14 cd’s). 1958/65

Rolf Polke, Ruth Hesse, Gerald McKee, Ditha Sommer, Nadezda Kniplová met het Ensemble van het Nationaal theater Praag o.l.v. Hans Swarowsky. Weltbild 703769 (14 cd’s). 1968 

Alleen Götterdämmerung. Lauritz Melchior, Marjorie Lawrence, Ludwig Hoffman, Edward Habich, Friedrich Schorr met het Ensemble van de Metropolitan opera New York o.l.v. Artur Bodanzky. Naxos 8.11041/3 (3 cd’s). 1936 

VHS videoband en ld laser-disk

John Tomlinson, Linda Finnie, Poul Elming, Nadine Secunde, Anne Evans, Siegfried Jerusalem met het Ensemble van het Bayreuth festival o.l.v. Daniel Barenboim. Teldec 4509-91122/5-3 (8 banden) ; 4509-91122/5-6 (14 ld’s). 1991

James Morris, Christa Ludwig, Gerry Lakes, Jessye Norman, Hildegard Behrens, Siegfried Jerusalem met het Ensemble van de Metropolitan opera New York o.l.v. James Levine. DG 072-418-3 (8 VHS banden). 1988

Robert Hale, Marjana Lipovsek, Robert Schunk, Julia Varady, Hildegard Behrens, René Kollo en het Ensemble van de Beierse staatsopera o.l.v. Wolfgang Sawallisch. EMI MVX 991275-3 (8 VHS banden); LDD 991276/9-1 (14 ld’s). 1989