WOLF: MÖRIKE LIEDEREN
Vergelijkende Discografieen

WOLF: MÖRIKE LIEDEREN

Als een typisch geval van "genie en waanzin" zou men het complexe componistenkarakter van Hugo Wolf kunnen omschrijven. Geboren in Windischgraz in 1860 en overleden in 1903 in Wenen was hij een uitgesproken egocentrisch iemand, vol ongenaakbaarheid en weerbarstigheid, maar als componist was hij een genie.

Achtergronden

In een brief schreef hij: "Houdt u zich alstublieft aan het intellectuele van mijn bestaan; dat kan in ieder geval aanspraak maken op enige belangstelling; de rest is geen schot kruit waard. Wanneer ik niet meer kan componeren, hoeft niemand zich meer om mij te bekommeren en kan ik rustig op de mestvaalt worden gegooid want dan is alles uit voor me."

Scheppen en ziekte zijn de hoekpeilers van dit geëxalteerde kunstenaarsleven. Ze vormen een heel concrete samenhang en van biografische mystiek is geen moment sprake. Op 17-jarige leeftijd lep Wolf syfilis op. In etappes vervolgt de ziekte zijn loop tot de dood als waanzinnige. Het op en neer van deze paralyse vertoont een golfvormig verloop waaraan ook 's componisten creativiteit onderhevig is. Fasen van een enorme creativiteit worden afgewisseld met verlammende periodes.

Het jaar 1888 waarin de 53 Mörike liederen ontstonden, vormt een mijlpaal in deze ontwikkeling. Hier begint Wolfs beslissende scheppingsperiode; deze duurt ongeveer tien jaar met onderbrekingen. In oktober be vindt de componist zich nog in een dal. "Ik oefen geduld en onthouding, maar ben wel erg stompzinnig geworden." Op 16 februari 1888 ontstaat het eerste lied op tekst van Eduard Mörike (1804-1875), 'Der Genesene an die Hoffnung'. Daarmee begin wat de componist zelf een 'liederenzondvloed' noemt. Binnen een jaar ontstaan 53 Mörike liederen, soms met twee of drie tegelijk per dag. De componist staat zelf verbaasd over de heftigheid van zijn invallen: "Ingevingen, beste vriend, zijn verschrikkelijk. Mijn wangen gloeien van de inspanning als gesmolten ijzer en in deze toestand van inspiratie voel ik me als een verrukte martelaar, wat geen puur geluk is."

Als in een roes componeert hij verder en 26 november wanneer het laatste Mörike lied klaar is, is de artistieke scheppingsdrang nog nauwelijks verminderd. "Ik ben van plan om nog dit jaar een aantal gedichten van Goethe op muziek te zetten en voel me daartoe heel goed in staat". Inderdaad zijn aan het eind van dat jaar 26 Goetheliederen af. Met zijn in totaal ruim driehonderd liederen schaart Wolf zich onder de grootste muzikale lyrische componisten, net als Schubert voordien, alleen in een andere categorie want hij bracht het lied met pianobegeleiding binnen een heel ander expressiebereik.

Eduard Mörike was een in Ludwigsburg geboren dominee wiens gedichten tot de zogenaamde Zwabische lyriek behoren. Hij was misschien wel de belangrijkste Duitse lyrische dichter na Goethe. De toon van zijn gedichten is vurig, maar nooit overdreven en hij koos het liefst voor vloeiende half-emoties die vaak waren geïnspireerd door landschappen of de naderende lente. Veel verzen hebben betrekking op zijn eigen ongelukkige liefdes, maar hij schreef ook komische verzen die voor hem even belangrijk waren als lyrische teksten.

Wolfs 53 vertoningen droegen veel bij om Mörike een internationaal profiel als dichter te verlenen en ze behoren tot zijn meest inventieve liederen. Er is nadrukkelijk geen sprake van een cyclus en het materiaal varieert sterk in stemming van het plechtige, religieuze 'An die Geliebte' tot het echt komische 'Storchenbotschaft'. Alle Mörike liederen hebben gemeen dat ze heel communicatief zijn en dat er geen noot teveel in staat; herhalingen komen zelden voor. Ook al had Wolf verder niets geschreven, dan nog zou zijn reputatie als een van de begaafdste schrijvers van het Duitse lied hiermee zijn gevestigd.

De opnamen

In de discografische lijst zijn de diverse uitgaven weer chronologisch op ontstaansdatum gerangschikt. Tot de volledig onbekenden behoort de Extraplatte uitgave uit 1999. Jammer genoeg is ook ten minste die van Olaf Bär en Geoffrey Parsons niet meer in de handel. Aan het slot wordt nog een aantal verder onbekende uitgaven genoemd

In de platenkast van mijn ouders stond vlak voor W.O. II de in de jaren dertig begonnen uitgave van de Engelse Hugo Wolf Society. Het betrof een initiatief van producer Walter Legge en de beroemde opnameman Fred Gaisberg van The Gramophone Company, die de destijds nog goeddeels onbekende liederen aan een breder, geïnteresseerd publiek bij inschrijving wilden aanbieden. Het initiatief liep tot na de oorlog door en tot slot waren 36 liederen vastgelegd door diverse zangers. Het geheel is keurig op Pearl verdoekt en geeft een inzicht in de toen gangbare voordrachtstijl. Bij Elena Gerhardt die 7 liederen voor haar rekening nam, is hoorbaar dat ze over het hoogtepunt van haar loopbaan heen is, maar ze is wel heel mooi in 'Rat einer Alten'. In 'Das verlassene Mägdlein' klinkt ze teveel als de moeder van dat meiske. Met groter genoegen kan worden geluisterd naar Herbert Janssen, met name in 'Die Geliebte', en het haast spijtige 'Bei einer Trauung'. Martha Fuchs is op haar best in het grappige 'Storchenbotschaft', Helge Roswaenge maakt iets bijzonders van 'Der Feuerreiter'. Jammer dat de begeleiding van Gerald Moore, decennialang een der besten op dit gebied, niet beter hoorbaar is. Karl Erb geeft 'Auftrag' een leuk operette aanzien, Tiana Lemnitz is ideaal in 'Auf eine Christblume' en Alexander Kipnis schittert vooral in 'Um Mitternach' met zijn antracietkleurige bas.

Er volgde - geen wonder - een hiaat van zo'n tien jaar in de discografie. In 1949dook ineens een nieuw fenomeen in de liedkunst op: bariton Dietrich Fischer-Deskau. Hij maakte toen met Hertha Klust opnamen van tenminste 17 Mörike liederen voor de Berlijnse omroep. Zijn voordracht viel vooral op door de fraaie kleuring en nuancering. Hoogtepunten toen waren 'Der Genesene an die Hoffnung' en het nostalgieke 'Im Frühling'. Elders, zoals in 'Begegnung' en aan het slot van 'Selbstgeständnis' horen we voor het eerst zijn neiging tot blafferigheid.

In 1957 legde F.B., nu ideaal met Gerald Moore, 40 Mörike liederen vast. Is 'Der Tambour' ditmaal al bijzonder, in de meer contemplatieve liederen als 'Auf ein altes Bild' en 'Schlafendes Jesuskind' overtreft de zanger zichzelf. Andere hoogtepunten zijn 'Im Frühling', nu in rustiger tempo, de beide 'Christblume' liederen en 'Denk es, o Seele'.

De studio opname met Daniel Barenboim als begeleider geeft een goed beeld van de zanger in zijn middenperiode, maar voegt weinig aan het voorhandene toe en is - zo nog verkrijgbaar - onhandig verborgen in een album met zes cd's. Het recital dat hij met Sviatolav Richter in 1973 in Innsbruck gaf, lijkt op papier geweldig. In 'Der Feuerreiter' wordt inderdaad een verzengend vuur ontstoken, maar hoe verbeeldingsvol en interessant de inbreng van de pianist ook is: de zanger is hier niet optimaal in vorm en stijl. Er is als compensatie sprake van een soort overdreven nadruk op dramatische en retorische effecten. Dat is zeer ten nadele in 'Verborgenheit', 'Neue Liebe' en 'Auf eine Wanderung'.

Dankzij Fischer-Dieskau en later anderen als Olaf Bär, Stefan Genz, Roman Trekel en Werner Güra lijkt het gangbaar dat de Mörike liederen vooral het domein zijn van baritons. Maar wanneer we onderstaande lijst overzien, blijkt dat ook tenoren als Pears, Schreier, Güra en Bostridge hun aandeel leverden. En dan zijn daar de sopranen Seefried, Schwarzkopf, Lott, Rodgers, Hendricks, Augér en de mezzo May. Variatie genoeg met alle transposities van dien.

Bij de tenoren kan om te beginnen Peter Pears worden uitgeschakeld. Aan het eind van zijn loopbaan, in 1972, zong hij voor een opname slechts 7 liederen en zijn stem klonk nog krijtbleekachtiger dan voorheen. De nodige verfijning valt niet te ontkennen, maar die heeft een precieus karakter, ook op de beste momenten, zoals in 'An eine Äolsharde' en 'Im Frühling'. De begeleidingen van Benjamin Britten zijn evenwel prachtig en eigenlijk aan een betere zanger besteed.

Ian Bostridge leverde in 2005 de meest recente set met 17 liederen. Van zijn stem moet men houden en zijn opvatting is erg origineel, maar nogal extreem. Beluister zijn quasi Sprechgesang in 'Nimmersatte Liebe' en 'Um Mitternacht'

Ook vrij droogjes klinkt Peter Schreier die in 1996 alle Mörike liederen opnam. Hij overtuigt in hoge mate en voert de luisteraar van hoogtepunt naar hoogtepunt zoals bij 'Im Frühling', 'Auf einer Wanderung', 'In der Frühe', 'Wo find' ich Trost', 'Der Jäger' en 'Der Knabe und das Immlein' en oordeel of deze vertolking van uw gading is. Van de overige liederen in zijn recital valt veel goeds te zeggen, maar....

Over de hele linie veel overtuigender is Werner Güra, die meer aandacht toont voor de melancholie uit deze liederen, waarvan hij er 23 voordraagt. Zijn visie op 'Begegnung', vol ademloze opwinding en wrange humor is bijzonder mooi. Maar verder is eenvoud bij hem kenmerk van het ware omdat zo veel oprechtheid wordt getoond. Kies als voorbeelden 'Gebet', 'Auf einer Wanderung' 'Storchenbotschaft' en 'Verborgenheit'. De pianobegeleiding van Jan Schultsz verdient een aparte eervolle vermelding.

Roman Trekel toont met zijn feller klinkende stem voor een even gevoelige en direct aansprekende reeks interpretaties. Mooi is net als bij Güra het legato. Bij hem vormen 'Fussreise', 'Um Mitternacht' en 'Die Geister am Murmelsee' de hoogtepounten; 'Der Feuerreiter' had in laatste instantie nog wat feller mogen klinken.

De enige mezzo in het gezelschap, Frauke May, weert zich dapper in haar volledige uitgave. In het bijzonder 'Lied vom Winde' en 'Zur Warnung', ook 'Wo find' ich Trost' slaagde goed, maar elders in haar vibrato storend en haar stembeheersing te ongelijkmatig. Een dieptepunt in haar voordracht is 'Auf ein altes Bild'.

Over naar de sopranen. Daar is de oogst vrij mager. In 1959, tijdens een recital in Salzburg, verkeerde Irmgard Seefrieds stem niet in optimale conditie en bovendien zong ze bij die gelegenheid slechts 6 Mörike liederen.

Ook Barbara Hendricks kunnen we snel vergeten. Weliswaar maakt ze met haar lichte stem wat moois van 'Nixe Binsefuss' en 'Nimmersatte Liebe', maar haar Duits klinkt niet goed genoeg en haar hele aanpak heeft iets te globaals, te terloops, waardoor 'Schlafendes Jesukind' en 'In der Frühe' onvoldoende uit de verf komen.

Geen wonder dat Arleen Augér beter overtuigt, hoewel ook zij vaak gëengageerder klonk. Neem het nogal tamme 'Erstes Liebeslied eines Mädchens'. Maar haar stem is prachtig en in 'In der Frühe' en meer nog 'Schlafendes Jesukind' neemt ze revanche. In 'Neue Liebe' en 'Wo find' ich Trost?' neemt ze een tussenpositie in.

Hierna is Felicity Lott ook nogal wisselend. Ze durft wel het risico van langzame tempi te nemen in 'Im Frühling' en 'An eine Äolsharfe' en legt een scheut erotiek in 'Erstes Liebeslied eines Mädchens', maar 'Begegnung' klinkt te onschuldig. Ze maakt dat weer goed in een strelend voorgedragen 'Der Gärtner' en met een 'Er ist's' vol extase.

De zangeres die naast en met Fischer-Dieskau het meest wordt geassocieerd met de liederenschat van Wolf is Elisabeth Schwarzkopf. We moeten betreuren dat het tot haar laatste opname uit 1979 duurde (met ook voor het laatst haar echtgenoot Walter Legge als producer) voordat ze zich aan een selectie Mörike liederen waagde. Haar door sommigen bewonderde, door anderen gehate manierismen zijn nog uitgesproken aanwezig. Bovendien is te horen dat haar strem zwakker is geworden en dat sommige klinkers vervormd doorkomen. Dat leidt in 'Fussreise', 'Heimweh', 'Storchenbotschaft', 'Elfenlied' en Nixe Binsefuss' tot enige teleurstelling; maar daar straat tegenover dat 'Auf ein altes Bild' en 'Das verlassene Mägdlein' heel treffend zijn. Een uitgave vooral voor Schwarzkopf bewonderaars door dik en dun.

Komen we aan een laatste, complete uitgave waarin de liederen mooi zijn verdeeld over sopraan Joan Rodgers en bariton Stephan Genz. Misschien klinkt de stem van de sopraan onder druk niet optimaal, maar daar staat zoveel moois tegenover, zoals goed blijkt uit 'Der Knabe und das Immlein', het doorleefde 'Das verlassene Mägdlein', het luchtige 'Nixe Binsefuss'. Het aandeel van Stephan Genz die de liederen fraai inkleurt verdient haast nog meer waardering. Neem het fijnzinnige 'Christblume', het berustende 'Heimweh',  het haast nonchalante 'Auftrag', het niet op de spits gedreven 'Storchenbotschaft' en 'Bei einer Trauung'. Dat 'Der Feuerreiter' het goed doet zonder hysterie wordt hier ook aangetoond. De 'Peregrina' liederen en 'An die Geliebte' vormen meer hoogtepunten

Conclusie

Wie - eigenlijk vrij voor de hand liggend - ineens alle 53 Mörike liederen bijeen wil, ligt de Hyperion dubbel cd van Rodgers en Genz het meest voor de hand. Wanneer de volledige EMI uitgave van Fischer-Dieskau en Moore uit 1957 nog te koop is, verdient deze een minstens zo hoge plaats op de ranglijst, maar te vrezen is dat alleen de uittrekselvorm nog actueel is. Andere, onvolledige, maar hoogwaardige bijdragen leverden vooral Güra en Trekel, gevolgd door Schreier.

Discografie

Tussen haakjes is steeds het aantal liederen vermeld.

1931/48 Diverse zangers (36). Pearl GEMMCD 59085 (2 cd's); EMI 566.640-2 (5 cd's).

1949/1955 Dietrich Fischer-Dieskau en Hertha Klust (17). Audite AUDITE 95599.

1957 Dietrich Fischer-Dieskau en Gerald Moore (53). EMI 763.563-2 (2 cd's), 562.188-2 (7 cd's).

1959 Irmgard Seefried en Erich Werba (6). Orfeo C 6140318.

1972 Peter Pears en Benjamin Britten (7). BBC Legends BBCB 8015-2.

1972 Dietrich Fischer-Dieskau en Daniel Barenboim (46). DG 447.515-2 (6 cd's).

1973 Dietrich Fischer-Dieskau en Sviatoslav Richter (16). DG 457.898-2.

1979 Elisabeth Schwarzkopf en Geoffrey Parsons (12). Decca 430.000-2.

1986 Olaf Bär en Geoffrey Parsons (24). EMI 749.054-2.

1988 Felicity Lott en Geoffrey Parsons (21). Chandos CHAN 8726.

1991 Arleen Augér en Irwin Gage (13). Hyperion CDA 66590.

1996 Peter Schreier en Karl Engel (23). Orfeo C 142981A.

1999 Barbara Hendricks en Roland Pontinen (14). EMI 556.988-2.

1999 Ingeborg Dobozy en Amón Walter (19). Extraplatte EX 407-2.

2000 Joan Rodgers, Stephan Genz en Roger Vignoles (53). Hyperion CDA 67311/2 (2 cd's).

2001 Roman Trekel en Oliver Pohl (23). Oehms Classics OC305.

2002/3 Frauke May en Bernhard Renzikowski (53). Arte Nova 74321-97127-2 (2 cd's)

2004 Werner Güra en Jan Schultsz (23). Harmonia Mundi HMC 90.1882.

2005 Ian Bostridge en Antonio Pappano (17). EMI 342.256-2.

met onbekende datum

..... Henschel en Schwinghammer. Farao Classics B 108.007.

..... Siegfried Lorenz en Norman Shetler. Berlin Classics BC 8256-2.

..... Mitsuko Shirai en Hartmut Höll. Capriccio 10830.

.... Scot Weir en Larbig. Tacet EA 10.030.