HÄNDEL: FIREWORKS MUSIC

HÄNDEL: MUSIC FOR THE ROYAL FIREWORKS 

Vrijwel niets verliep volgens plan. De hemel stond in vuur en vlam, het toneel werd ook een vuurzee en de  ontwerper bracht de nacht in de gevangenis door. Händels zesdelige suite – oorspronkelijk geschreven voor trompetten, hoorns, hobo’s, fagotten, pauken en slagwerk – was bedoeld om in het voorjaar van 1749 het feest na de ondertekening van de Vrede van Aken die een eind maakte aan de Spaanse Successie oorlog te vieren. 

Achtergronden

“Händels grote dagen zijn voorbij, zijn inspiratie is uitgeput en zijn smaak loopt achter bij de mode.” Dat schreef de toekomstige koning Frederik de Grote van Pruisen in 1737 op basis van wat hij toevallig van de componist wist en vooral op basis van wat hij nog niet kon weten. Want Händel moest toen onder andere nog Israel in Egypt, Saul, de Messiah en de Concerti grossi op. 6 schrijven. Maar de echte ironie schuilt in het feit dat een ander meesterwerk van Händel, zijn Vuurwerkmuziek, het ontstaan te danken had aan Frederiks falen om de Oostenrijkse successie oorlog te winnen.

Behalve een publiciteit genererend schandaal is niets beter om de “luistercijfers” voor een componist op te voeren dan een koninklijke gelegenheid. Hoewel: had Händel in het huidige Engeland geleefd dan zou hij stomverbaasd zijn geweest over de miljoenen mensen die ongeveer twee en een halve eeuw later attent werden gemaakt op John Tavener dankzij de samenloop van omstandigheden van de TV uitzendingen van de begrafenis van prinses Diana waarvoor zijn muziek werd gebruikt.

Maar een gelegenheid waarbij ongeveer 12.000 bezoekers opdraafden en het verkeer in Londen lamlegden was allerminst te versmaden en er werd in de berichtgeving trots vermeld dat het na de voorstelling drie uur duurde voordat de laatste koetsen van London Bridge waren verdwenen. En dat betrof alleen nog maar een repetitie in Vauxhall Pleasure Gardens op 21 april die succesvol verliep.Händel – die al een ‘vuurmuziek’ voor zijn Atalanta had geschreven – en hij werd door George II uitgenodigd om ter begeleiding van een groot vuurwerk een orkestsuite te schrijven. Händel  was duidelijk ineens weer groot nieuws en zijn nieuwste werk ontpopte zich als een grote publiekstrekker. Het werk in kwestie? Een schitterende partituur om een extravanganza luister bij te zetten: The Musick for the Royal Fireworks.Londen had kort tevoren feest gevierd toen de hertog van Cumberland een eind had gemaakt aan het Jacobijnse dreigement om Bonnie Prince Charlie weg te zenden (Händels bijdrage daaraan was het Occasional Oratorio) en nu leek de vrede van Aken, die in oktober 1848 werd gesloten, de Europese vrede te garanderen, een vrede die was verstoord door de achtjarige Oostenrijkse successie oorlog die keizerin Maria Theresia met de hulp van Engeland en diverse Italiaanse prinsdommen had gevoerd om haar troon van onder meer de Pruisen en de Fransen te redden. Voor de Hannoveraanse Engelse koning was deze vrede in politiek opzicht heel waardevol omdat het Franse initiatief om het evenwicht in Europa te verstoren was verhinderd. De vreugde over deze Europese vrede was alom groot en Händel schreef ter ere hiervan meteen een Anthem How beautiful are the feet..In Engeland kreeg de viering vrij onverwacht ook een echt Europees karakter. De muziek werd tenslotte geleverd door een Duitser, die intussen een Engelse institutie was geworden (maar als echte kosmopoliet door het leven ging en in zijn muziek ook de Italiaanse en Franse stijl incorporeerde); een Fransman ontwierp de decors en voor het vuurwerk wendde Charles Frederick, de “Comptroller of his Majesty’s Fireworks as well as for War as for Triumph” – een hele mondvol in welke taal dan ook – zich tot een Italiaan, de theatermaker Giovanni Servandoni.Toen de rijtuigen zich tenslotte hadden losgemaakt uit de file op de dag van de repetitie moeten de verwachtingen hooggespannen zijn geweest voor de gebeurtenis zelf die precies zes dagen later op de avond van 27 april 1749 moest plaatsvinden. Er was al eerder een grote triomfboog opgericht, die was geflankeerd door collonaden in de destijds gangbare palladium stijl die was bekroond met een niet al te subtiel nagemaakte zon en die verder een reliëf droeg van koning George II die de vrede aan Britannië had geschonken. Het paviljoen zelf was ruim vierhonderd voet lang.Een patio, die via een enorme trap voor de ingang van die boog bood plaats aan de musici. De grote pauken uit de Londense Tower en 101 zwaar koperen kanonnen stonden gereed in afwachting van mooi weer.Maar toen het erop aankwam sloeg Murphy meedogenloos toe: zo ongeveer alles wat verkeerd kon gaan, liep mis tijdens de echte première 27 april. De muziek begon rond 18.00 uur toen het nog licht was. Een uur later werd de koning langs de “machine” geleid (dat was de naam van Servandoni’s contraptie) en nadat hij op zijn ereplaats was teruggekeerd begon het vuurwerk. De hemel stond in vuur en vlam, de decors en het paviljoen stonden in lichter laaie, tot overmaat van ramp ging het ook nog regenen en sommige toeschouwers werden getroffen door rondvliegende vuurwerkresten; de ontwerper Servandoni trok zijn zwaard tegen de Comptroller en bracht de nacht in de gevangenis door terwijl het vuurwerk zelf gemengde reacties opriep.“The rockets”, noteerde een ooggetuige, “succeeded mighty well… but the wheels and all that was do compose the principal part were pitiful and ill conducted… the illumination was mean, and lighted so slowly that scarce anybody had patience do wait the finishing”.Bezien vanuit het gezichtspunt van de componist moet Händel tevreden zijn geweest dat de muziek zonder enig incident werd uitgevoerd. Hij moet ook dankbaar zijn geweest, dat de aanvankelijke plannen om de musici in het decor te plaatsen tijdens de show niet werden uitgevoerd. Maar er waren in de aanloopperiode repetities geweest waarin wijzigingen werden verordonneerd, want George II (die er aanvankelijk helemaal op tegen was geweest om het feest met muziek op te luisteren) had gestaan op het gebruik van “war-like instruments” (martiale trompetten en slagwerk) en hij had expliciet het gebruik van “violeens” verboden. Zeer tot ergernis en teleurstelling van de componist.Met de nadruk op martiale muziek kon een orkest met 16 trompetten en 16 hoorns de koninklijke goedkeuring wegdragen, maar al vroegtijdig beklaagde de hertog van Montague (Master General of the Ordnance en verantwoordelijk voor de militaire muziek) zich dat Händel zich wilde beperken tot twaalf elk: “Now Hendel proposes do lessen the nomber of trompets, and do have violeens. I don’t at all doubt but when the King hears it he will be very much displeased. I am shure it behoves Hendel do have as many trumpets and other martial instruments as possible tho he dont retrench the violins.. tho I beleeve he will never be persuaded do do it.”Händels weifeling blijkt uit de uiteindelijke partituur: in het handschrift van de ouverture was dat aantal verder beperkt tot een bescheiden aantal van 9 trompetten en 9 hoorns (gesplitst in 3+3+3), maar wel gesteund door 24 hobo’s (12+8+4), 12 fagotten (8+4, inclusief contra’s en serpent), drie stel pauken en verder slagwerk. Intussen voegde Händel toen zich de eerste gelegenheid van een zaaluitvoering voordeed zijn “fidles” weer toe en reduceerde hij het koper en de houtblazers zover dat een normale balans ontstond. De hobo’s en fagotten konden door strijkers worden verdubbeld. In die vorm werd het werk later in het Foundling Hospital uitgevoerd; deze versie werd door Walsh nog datzelfde jaar gepubliceerd.Het is overduidelijk dat de machtige ouverture (die ongeveer de helft van de totale uitvoeringsduur van het zesdelige werk opeist) het glanspunt van de Fireworks Musick is. Dit deel is geconcipieerd in de traditie van de Battle Symphony en op z’n minst de ricocherende effecten tussen hoorns en trompetten suggereren dat ook duidelijk. Maar het inleidende grave is niet minder imposant; het zorgt voor drie verschillende harmonisaties van het hoofdthema wat bepaald geen sinecure was gezien de beperkingen van het toenmalige “natuur” koper. Na een Bourrée in d-klein en voor de beide menuetten aan het slot – alles in de traditie uit Versailles van de Franse ouverture met dansen - komen twee delen die impliceren dat ze als begeleiding zouden kunnen hebben gediend bij een stel allegorische tableau. La paix begroet de vrede met een rustieke siciliana; La réjouissance viert in een allegro feest met een door trompetten gedomineerde vurigheid. In de administratie van Händels werken draagt deze feestmuziek officieel de naam Orkestconcert no. 26 en het nummer 351 in de Händel Werk Verzeichnis. 

De opnamen

De meeste “Vergelijkende discografieën” lopen uit op een stel overwegingen over partituurgetrouwheid, stijlbesef, afwerking, opnametechniek en dergelijke. In het geval van de Royal Fireworks Music is dat tamelijk lastig. Om te beginnen bestaat van het werk geen definitieve eindversie – de keus gaat tussen vuurwerk binnen of buiten en verschillende, alle min of meer ‘authentieke’ bezettingen. En dan nog: hoeveel verfijning mag je aanbrengen in de realisatie van een ceremoniële partituur waarin oorspronkelijk het serpent een trotse rol speelde? Is een demonstratie van een zekere ruigheid niet meer in overeenstemming met de geest van het werk en de aard van de gebeurtenis? Vooral ook indien men oordeelt dat zelfs bij een zaaluitvoering de ramen wel mogen openvliegen.De catalogus biedt keus te over. Zelfs de versies uit 1963 door het Concertgebouworkest onder Bernard Haitink en het Berlijns filharmonisch orkest onder Rafael Kubelik blijken allerminst oude, logge kolossen te zijn. Het is zelfs moeilijk om temidden van het grote aantal opnamen een echt onbevredigend exemplaar te vinden.Verder is het maar een kwestie van hoe ‘authentiek’ men het wil hebben. Al is het onderhand wel tijd om de ouderwetse brave symfonische uitvoeringen te vergeten.Roger Norrington gebruikt een volledig orkest maar laat de heldere trompetten en de schetterende hoorns goed uitkomen om het werk een levendig, robuust openlucht karakter te verlenen. De dansdelen krijgen een levendige gratie mee. De getoonde vitaliteit heeft de nodige charme maar voldoende voor de eindronde is het niet. Dat geldt ook voor McGegan, die hier met moderne instrumenten rekening houdend met de verworvenheden van de oude stijl te werk gaat. Zijn aanpak is wat tammer dan die van Norrington en dat is niet van voordeel. Bohdan Warchal is ruwweg vergelijkbaar en op ongeveer hetzelfde niveau, maar zijn moderne verklanking is een stuk goedkoper verkrijgbaar. Wie daarvoor kiest, doet zeker geen miskoop, maar krijgt ook niet het neusje van de zalm.Ook al gaat Robert King tenslotte niet aan de haal met de trofee voor zijn “eerste opname ooit op oorspronkelijke instrumenten van de originele partituur uit 1749”, toch is zijn verklanking een nuttige graadmeter, want dit is ongetwijfeld de dichtste benadering tot nu toe van de klank en de aspiraties van die eerste uitvoering. Hij zette 62 blazers (daaronder 24 hobo’s, 12 fagotten, 9 hoorns, 9 trompetten) en 4 slagwerkers in. Een ruig klanktapijt dat is doortrokken van de openlucht gebeurtenis: rauw op sommige plaatsen en bezorgd om het grommen van de contrafagot niet te onderdrukken tot tamme onderwerping. “Pronk er maar mee als je daartoe in staat bent” schijnt het motto te zijn en waarom ook niet. Charles Mackerras maakte met dezelfde blazersbezetting, maar met gebruikmaking van moderne instrumenten ooit eenzelfde opname op de avond van de 200e verjaardag van Händels dood, maar die destijds eerst bij Pye op lp verschenen versie is moeilijk verkrijgbaar op een obscuur Duits label, doch recent op Testament heruitgegeven.Het grave aan het begin kondigt de belangrijkste deugden meteen aan: gespannen, nadrukkelijk spel, een kostelijk geraas en scherp contrast tussen de massale riet- en koper instrumenten. Maar het volgende allegro is dan een tikje te tam – alsof de overwinning al een achterhaalde conclusie is. King laat de bourrée op de man af spelen en dus de pieperige tonen voor zichzelf spreken in plaats van de decoratieve afleidingen te manipuleren en het is verhelderend om de roodbruine geluiden uit La paix te horen zonder de door koning George’s verfoeide violeens. Deze aanpak zorgt ook voor een heel opwekkende Réjouissance, hoewel het afgemeten tempo meer de nadruk legt op een zekere robuustheid dan op echte overgave. Ook het slotmenuet is boeiend omdat het een haast tastbare triomf weet te uiten.Neville Marriner heeft de Royal Fireworks driemaal meegenomen naar de opnamestudio’s met zijn orkest, de laatste keer in 1993 voor Hänssler, bijna vijftien jaar nadat hij het werk voor Philips opnam. Maar zonder enige twijfel (een ietsje scherper klankbeeld ten spijt) is zijn eerste, nog door Argo vastgelegde versie uit 1971 de overtuigendste. Zijn ensemble was toen nog een betrekkelijk jong, enthousiast stel musici en het spel ademt een naderhand niet meer bereikte frisheid. Meteen de ouverture wordt als het ware gespeeld door musici die op het puntje van hun stoel zitten; dit deel klinkt energiek, stuwend en pulseert met veel ritmische veerkracht.Marriner is oplettender dan de meeste anderen waar het gaat om de differentiatie tussen de fanfare tussenwerpsels en het 4/4 gedeelte voor de herhaling. Wat de trompetten betreft: hun razendscherpe zakelijkheid houdt een veiligheidswaarschuwing in. Met het Engels kamerorkest werkt Raymond Leppard in dezelfde geest, maar hij vertoont wat aanstellerij en krullenwerk dat bij herhaald beluisteren kan gaan storen. Niet dat Marriner geheel vrij is van dergelijke blaam. Zijn kien speelse bourrée is maar net niet oppervlakkig en in de grootse, gedurfd brutale Réjouissance wordt soms een olijke strijkersnoot ingelast. Maar hoe dan ook, dit was op barokgebied destijds een goede pionierdaad die nog steeds voldoende zeggingskracht heeft.Jane Lamon valt met haar bezetting – 6 hobo’s, 3 fagotten, 4 hoorns, 3 trompetten, slagwerk en strijkers - (5.6.3.3.2) enigszins tussen twee stoelen, hoe spiritueel en vlot de aanpak ook is. Gardiner ageert vlot als altijd met levendige tempi en zorgt voor een soort ‘Händel light’.Het gerucht gaat dat er nog altijd mensen zijn die zich niet kunnen verzoenen met de klank van oude instrumenten. Als het dan al moderne instrumenten moeten zijn (en een wat beter, moderner geluid dan bij Marriner) dan komt de uitvoering door het dirigentloze Amerikaanse Orpheus kamerorkest vooral als eerste keus in aanmerking. Het verslaat het versterkte Stuttgarts kamerorkest van Karl Münchinger op alle fronten, omdat die met een wat stijve, weinig opzienbarende vertolking kwam. Dan is de uitvoering door het Concertgebouw kamerorkest onder Preston een stuk overtuigender en levendiger, bijvoorbeeld dankzij meer aandacht voor versieringen. Maar in Réjouissance en het slotmenuet is de aanpak haast te groots: een kleine teleurstelling. De enthousiaste Amerikanen van het dirigentloze Orpheus kamerorkest hebben beslist op realistische wijze kennis genomen van de ontwikkelingen op het gebied van de authentieke uitvoeringspraktijk gedurende de afgelopen ruim dertig jaar. Zij zorgen voor een fraai compromis (al is dit begrip in muziektermen dikwijls fataal) dat minder safe is dan wat andere traditionalisten laten horen.De articulatie is bewonderenswaardig puntig, het spel heel geacheveerd en geweldig zeker. Maar hoe fraai het begin ook is geëtst, de fraai gemanicuurde brille heeft wat weinig invloed en bij alle precisie laat het allegro weinig ruimte voor de omringende strijdlustige taferelen. De strijd wordt eerder efficiënt dan met passie gevoerd. Het geheel in de sfeer van een rit in de roetsjbaan, onmiskenbaar opwindend, maar omgeven door teveel stootkussens. Bij wijze van contrast is de bourrée luchtig en treffend en ook al wordt de “vrede” ietsje teveel geaccentueerd, de opvatting is lucide, het tempo geeft geen aanleiding tot zwelgen en bezit voldoende stuwkracht om de barokke siciliano sfeer recht te doen. De Réjouissance danst er vrolijk op los, alert en omhelzend met een onverwachte om niet te zeggen welkome vermijding van ornamentele speelsheid – bijna genoeg om een andere tekortkoming van het Orpheus ensemble te camoufleren, die pas in de laatste reprise van het menuet in D blijkt: het slagwerk is beperkt tot een niet erg imposant klinken stel pauken, dat gewoon te zwak klinkt. Het resultaat is onmiskenbaar stijlvol en intelligent, maar het Orpheus orkest toont teveel glans en te weinig persoonlijkheid om een geducht concurrent voor de finalisten te kunnen zijn.Jordi Savall in niet alleen een veelzijdige, in oude muziek gespecialiseerde dirigent maar ook een begaafd bespeler van de viola da gamba, zoals onder andere blijkt uit de soundtrack van de cult film Tous les matins le monde. Hier dient de teleurstellend lamme noot waarschijnlijk om de luisteraar op het verkeerde been te zetten, want in werkelijkheid is Savalls interpretatie de meest karakteristieke van het hele pakte. De vertolking is hyper persoonlijk en geeft blijk van bijzondere, deels heel eigenzinnige inzichten die men nergens anders tegenkomt. Van de “zaalversies” wordt hier het meest de indruk gewekt van een openlucht concert, deels als gevolg van Savalls opvatting, maar vooral ook omdat Le concert des Nations een ensemble is met een smaak voor krachtige, felle kleuren. Waar zoveel oude muziek ensembles (die hun musici ontlenen aan dezelfde, wat beperkte pool) min of meer hetzelfde kunnen klinken, vormen zij een muziekclub apart. Ze klinken minder verfijnd dan vergelijkbare ensembles uit Duitsland, Nederland en Engeland, maar staan voorop waar Händels muziek nu net geen politesse verlangt. In het allegro uit de ouverture schromen de hoorns niet om lekker te raspen; de trompetten snauwen en alle musici hebben als het ware hun mouwen opgestroopt om mee te doen aan een feest vol grillige details en zwierige frasen. Dat alles zorgt voor een van de interessantste en kernachtigste lezingen van het eerste deel (waarvan het grave wordt herhaald). Het veelbelovende karakter wordt uitgebreid. In Savalls bourrée worden de damesrokken als het ware hoger opgetild dan bij Pinnock en zijn La paix, een aanleiding voor enige show door het fruitige houtblazerkoor, heeft meer van een intermezzo dan van een langzaam deel. De Réjouissance wordt lichtvoetig gevierd met een geleidelijk toenemende praal. Tot hier toe ging de race naar de finish met Pinnock nek aan nek (de plus- en minpuntjes vallen aardig tegen elkaar weg), maar de beslissing valt in de finale, want Savall behandelt het menuet in d-klein als een (fraai vormgegeven) trio, doch maakt zo’n haast in het gedeelte in D-groot dat haast sprake is van lichtzinnigheid. Dat leidt enigszins tot een anticlimax. Alleen echt overtuigend voor wie daarvoor in de stemming is.En dus was Trevor Pinnock met ook alleen blazers en slagwerk (24 hobo’s, 12 fagotten, 9 hoorns, 9 trompetten en 6 slagwerkers) misschien wat onverwacht de winnaar. Vaak was Pinnocks Händel aan de “veilige” kant. Het ontbreekt inderdaad aan de door Savall toegevoegde kruiden, maar het gaat wel om een verklanking die uitstekend tegen herhaling bestand is. De versiering van de eerste noot geeft meteen aan dat hier aandacht gaat worden geschonken aan het theatrale karakter van de muziek. Bij Pinnock gaan opzichtige zwier en doelgerichtheid hand in hand en hij houdt de muziek voortdurend luchtig. Daardoor is de ouverture bij hem heel vormelijk terwijl hij toch een geest van veel joie de vivre verraadt. Het orkestspel is sterk gefocusseerd, de opname klinkt heel direct maar zonder agressieve trekken. Het lyrische karakten van Händels muziek is altijd al in goede handen geweest bij Pinnock en daarom is het geen verrassing om allerlei mooie details te horen koesteren (de uitvoering duurt ook zowat een minuut langer dan gemiddeld). De Réjouissance glinstert niettemin mooi en fel slagwerk verleent het ceremonieel extra karakter. Pinnock behandelt het menuet in d-klein als een statige prélude en houdt zijn kruit droog om een levendige explosie van klankmatige pyrotechniek te ontketenen in het majeur gedeelte. Was, want onlangs verscheen een Franse opname waarin het begrip authenticiteit ook met hoofdletters wordt gespeld. Hervé Niquet en zijn Concert spirituel kozen voor de gemengde bezetting en mobiliseerden voor een uitvoering in het Arsenaal te Metz een ensemble bestaande uit 15 (dwars)fluiten, 24 hobo’s, 14 fagotten, 2 contrafagotten, 9 natuurhoorns, 9 natuurtrompetten, 2 slagwerkers en een strijkorkest (10.10.8.8.6). Vermeld wordt haast waarschuwend dat de natuurhoorns hun gangbare intonatie niet hebben gecorrigeerd, maar hun middentoon stemming aanhouden. Wie bang zou zijn voor gemene klanken kan worden gerustgesteld. Het resultaat klinkt lekker ruig, soms wat grommend. Maar het is een klein wonder dat een zo omvangrijke club zo scherp kan articuleren en intoneren. Op het ensemblespel is niets aan te merken. Dit soort muziek heeft baat bij een energieke, felle aanpak en dat is precies wat hier in deze flamboyante weergave gebeurt. Waar nodig is het effect wel luchtig, maar niet steeds charmant en de opname klinkt wat globaal, weinig doortekend. Maar in de sector ‘authentiek’ vormen de interpretaties van Niquet, Pinnock zo vol zwier en karakter de feitelijk veiligste aanraders. Gevolgd door King; bij de ‘traditionelen’ gaan Orpheus en Norrington voorop. 

 

Conclusie

Iedere verzamelaar die het zich kan en wil veroorloven zou bevriend moeten raken met Hervé Niquet, Trevor Pinnock, Robert King en Jordi Savall; wie het bij een traditionele aanpak wil houden, is goed af met het Orpheus ensemble.

 

Discografie

Kamersolisten Washington o.l.v. Edward Carroll. Sony 63269 (2 cd’s).

Collegium aureum. Duitse Harmonia Mundi 5472-77414-2. 1971

English Baroque Soloists o.l.v. John Eliot Gardiner. Philips 434.154-2. 1991

Schots kamerorkest o.l.v. Alexander Gibson. ASV CDQS 6188. 1982

Concertgebouworkest o.l.v. Bernard Haitink. Philips 454.029-2. 1963

Academy of Ancient music o.l.v. Christopher Hogwood. Oiseau Lyre  400.059-2, 455.709-2, Decca 443.190-2. 1980

Philip Jones koperensemble o.l.v. Elgar Howarth. Decca 455.666-2.

Radio symfonie orkest Berlijn o.l.v. Helmut Koch. Berlin Classics 9305-2.

Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Rafael Kubelik. DG 419.861-2. 1963

Paul Kuentz kamerorkest o.l.v. Paul Kuentz. Pierre Veranay PV 730047. 1990

Tafelmusik o.l.v. Jeanne Lamon. Sony 63073. 1997Londens festival orkest o.l.v. Lark. Zyx CLS 4002.

Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Fritz Lehmann. DG 457.758-2.

Engels kamerorkest o.l.v. Raymond Leppard. Philips 420.354-2, 442.388-2, 454.363-2. 1971

Capella coloniensis o.l.v. Hans Martin Linde. EMI 747.692-2, 767.558-2, 573.261-2.

Berlijns Radio symfonie orkest o.l.v. Lorin Maazel. Philips 422.167-2.

Schots kamerorkest o.l.v. Nicholas McGegan. Classic FM 75605-57044-2. 1998

Engels kamerorkest o.l.v. Charles Mackerras. Novalis 150.102-2.

La grande Ecurie et la chambre du roy o.l.v. Jean-Claude Malgoire. Sony 48285, 63104. 1985

Ensemble La stravaganza Keulen o.l.v. Andrew Manze. Denon CO 79943. 1992

Academy of St. Martin-in-the-Fields o.l.v. Neville Marriner. Argo 414.596-2, Decca 444.543-2, 420.397. 1971

Academy of St. Martin-in-the-Fields o.l.v. Neville Marriner. Philips 420.397-2. 1978

Academy of St. Martin-in-the-Fields o.l.v. Neville Marriner. Hänssler 98939. 1993

Menuhin festival orkest o.l.v. Yehudi Menuhin. EMI 568.523-2, 252.135-2.

Stuttgarts kamerorkest o.l.v. Karl Münchinger. Decca 448.227-2. 1981

Le concert spirituel o.l.v. Nervé Niquet. Glossa GCD 921606. 2002

London Classical players o.l.v. Roger Norrington. Virgin 545.265-2. 1996

Orpheus kamerorkest. DG 435.390-2.

Jean-François Paillard kamerorkest o.l.v. Jean-François Paillard. Teldec 2292-45931-2, 74321-29236-2. 1990

Boston Baroque o.l.v. Martin Pearlman. Telarc CD 80594. 2002

The English Concert o.l.v. Trevor Pinnock. Archiv 415.129-2, 423.149-2 (1984), 447.2790-2, 453.451-2, 471.723-2. 1983

Concertgebouw kamerorkest o.l.v. Simon Preston. Decca 430.717-2.

Le concert des Nations o.l.v. Jordi Savall. Auvidis Astrée E 8512. 1993

RCA symfonie orkest o.l.v. Leopold Stokowski. RCA GD 61302, 09026-68443-2. 1961

Capella Istropolitana Bratislava o.l.v. Bohdan Warchal. Naxos 8550.109.

Schola cantorum Basiliensis o.l.v. August Wenzinger. DG 427.205-2.

Versie voor blazers

Boedapest Festival hoornkwartet. Zyx CL 5008-2, Hungaroton 531.652.

Cleveland symfonisch blaasorkest o.l.v. Frederick Fennell. Telarc 80038, 80344. 1978

Fine Arts koperensemble. Nimbus 5546.

The King’s Consort o.l.v. Robert King. Hyperion CDA 66350. 1989

Blaasorkest van de Hessische omroep o.l.v. Dorothea Köhler. Capriccio 10361.