MAHLER: SYMFONIE NR. 1
Vergelijkende Discografieen

MAHLER: SYMFONIE NR. 1

 

Hoezeer Mahler ‘in’ is, bewijst het enorme en nog steeds groeiende aantal opnamen van zijn werken. Zijn muziek gold lang als aanmatigend, minderwaardig, ordinair of onbegrijpelijk. Maar na zijn definitieve elektronische verlossing in de jaren zestig vorige eeuw oefent diezelfde muziek een magisch-magnetische aantrekkingskracht op velen uit. Het gespleten karakter van het gecomponeerde nodigt de moderne luisteraar uit tot psychische conformiteit met Mahlers ondergangs visioenen, de levens- en doodsangsten van een excentrische kunstenaar.

 

Achtergronden

 

Toen Alma Schindler Mahler, met wie zij zou trouwen, voor het eerst ontmoette, kon ze zich alleen herinneren dat ze een hekel had aan zijn Eerste symfonie. Ze was niet de enige. De geschiedenis van dit werk was er tot voor een halve eeuw eentje van onbegrip en verwerping.

De eerste uitvoering van het werk in zijn huidige vorm in 1889 in Boedapest werd met onverschilligheid, verbijstering en – in de woorden van een plaatselijke criticus – “een klein, maar niettemin hoorbaar element van verzet” – begroet. Mahler zelf begreep maar zelden de tegenstand die zijn muziek opriep.

Een paar jaar later toen Alma de naam van haar man had aangenomen – de eerste in een reeks van beroemde achternamen die ze vergaarde – was ze gewonnen voor het werk. Mahler schreef haar na de eerste uitvoering van de symfonie: “Sms kreeg ik de rillingen langs mijn rug. Vervloekt nog aan toe, waar houden de mensen hun oren en hun harten als ze dat niet kunnen horen!”

Geen andere symfonie baarde Mahler zoveel zorgen. Hij kon zelfs niet besluiten of het om een symfonisch gedicht, een programmatische symfonie of een normale symfonie was. Ook aarzelde hij of het vier- of vijfdelig moest zijn. Dat dit alles moest worden uitgezocht was geen blijk van besluiteloosheid, maar van studie en onderzoek.

Toen hij het werk zo’n vijftien jaar nadat hij eraan was begonnen publiceerde, had hij voor zichzelf niet alleen ontdekt wat een symfonie kon zijn, maar had hij ook de manier waarop we dat begrip omschreven voor altijd gewijzigd.

Henri James omschreef ooit een novellist als iemand voor wie niets verloren gaat. Voor Mahler gold iets dergelijks als symfonicus. Omdat hij nooit eerder een zuiver orkestraal werk had geschreven, duurde het enige tijd om zijn gedachten te vormen en het werk dat hij 20 november 1889 in Boedapest introduceerde droeg de titel ”Symfonisch gedicht in twee gedeelten”, met drie delen in het eerste gedeelte en twee in het tweede. Alleen de treurmars was als zodanig gekenmerkt als ruggensteun voor de luisteraar die voor het eerst kennis maakte met deze muziek.

In 1884 was de componist in Kassel begonnen aan het werk. Vier jaar later, tijdens zijn dirigentschap in Leipzig, was het af. Enthousiast schreef hij zijn vriend Friedrich Löhr: “Zo! Mijn werk is af! Nu zou ik je graag naast mij aan de vleugel willen hebben om het voor te spelen. Waarschijnlijk ben jij de enige voor wie hier niets nieuw aan is; de anderen zullen zich waarschijnlijk over heel wat verbazen. Het is zo overmachtig geworden – zoals het als een krachtige bergstroom uit me tevoorschijn kwam. Op slag waren alle sluizen in me geopend”.

Voor de volgende uitvoeringen in Hamburg en Weimar (in 1893 en 1894) schetste Mahler een beschrijving van het ‘programma’, gaf hij titels aan de delen en noemde hij het geheel “Titan, een symfonisch gedicht in symfonische vorm”, zo genoemd naar de populaire novelle van Jean Paul.

Voor een uitvoering in Berlijn in 1896 veranderde hij weer van mening, liet de titels en het programma vervallen en schrapte hij het tweede deel, Blumine. Het werd nu de ‘Symfonie in D voor groot orkest’.

Waarom zoveel besluiteloosheid? In maart 1896, ten tijde van de Berlijnse première, schreef Mahler aan de criticus Max Marschalk over de toevoeging van het programma:

“Indertijd overtuigden mijn vrienden me om een soort programma te maken voor de Symfonie in D om deze begrijpelijker te maken. Daarom had ik deze titel en de verklarende uitleg bedacht nadat ik het werk had geschreven. Voor deze uitvoering liet ik dat alles achterwege, niet alleen omdat ik geloof dat zo’n toelichting volkomen ontoereikend is en de muziek niet accuraat beschrijft, maar ook omdat ik uit vroegere ervaringen heb geleerd hoe het publiek erdoor werd misleid”.

En toch werd Mahlers Eerste symfonie niet begrepen. De critici in Frankfurt klaagden over het programma, die in Berlijn misten het juist. Mahlers definitieve gedachten over deze muziek werden in 1899 gepubliceerd als de Symfonie nr. 1 in D, in vier delen. Zo is het werk tegenwoordig bekend, wat niet wegneemt dat het best interessant is om die andere vormen, inclusief Blumine eens te horen.

Wat de muziek zelf betreft, had Mahler al in 1893 genoteerd: “Hoe verder de muziek zich ontwikkelt, des te complexer wordt het apparaat waaraan de componist werkt om zijn ideeën uit de drukken”. Met ‘apparaat’ bedoelde hij het zwaar bezette orkest naar het voorbeeld van Wagner, maar ook het grote aantal verbale aanwijzingen in de partituur om zijn bedoelingen te verduidelijken.

Zoals ook in zijn latere werken klinken vogelgeluiden, militaire signalen, zelfcitaten, parodieën op marsmuziek en volksmuziek door. Soms worden zaken op hun kop gezet, zoals in het duo van de contrabassolo met paukenbegeleiding aan het begin van de Frère Jacques canon waarmee het derde deel begint.

Maar op de achtergrond speelt ook iets van Beethoven IX mee. Van het Naturlaut begin tot de jubelfinale.

 

De opnamen

 

Juist bij de werken van Mahler zijn vergelijkingen tussen opnamen van zijn werken interessant. Zelf een tijdens zijn leven hooggewaardeerde dirigent dwingt hij iedere dirigent met zijn partituren tot een soort stellingname. Verschillende opvattingen zijn te verdedigen. De erupties van zijn ‘titanische’ symfonische eersteling zijn langzamerhand in talloze uitvoeringen te volgen.

De vroegste opnamen gaan terug tot die van Bruno Walter die rechtstreeks van Mahler met de materie vertrouwd raakte. Helaas klinken de meeste opnamen nuit zijn dagen pover. Het interessantst is zijn opname van 9 april 1939 waar de van nature als vriendelijk en soft focus minnende dirigent een elektriserende verklanking geeft. Of die mede wordt bepaald door het karakter van Toscanini’s ijzeren dril?

Het enige wat men Rafael Kubelik zou kunnen verwijten is dat zijn opvatting voortdurend te mild is. Maar een dichterlijke dirigent kan hier ook wonderen verrichten met zijn fijnzinnige aanpak. De tempi zijn aan de levendige kant, maar heel idiomatisch is het eindresultaat beslist. Kubeliks eerste DG opname overtuigt het meeste.

Degene die het meest Mahler I heeft opgenomen, is Bernard Haitink met 5 cd versies (uit 1962, 1972, 1977, 1987 en 2008) en 2 dvd dito’s (uit 1977 en 1987) op zijn naam. Bijna vijftig jaar ervaring spreken tot slot een woordje mee. Zijn fundamentele opvatting van het werk is in de loop der tijd niet zoveel veranderd, alleen zijn door de bank genomen de tempi wat langzamer geworden.

Een eigenaardigheid van de door opvallend briljant orkestspel uitmuntende versie uit Chicago is, dat het beginthema uit het derde deel niet door 1, maar door alle 9 contrabassen wordt gespeeld. Anders, maar zeker niet beter.

Haitinks Mahler was en is nog steeds altijd gedegen, heel betrouwbaar zonder dieptepunten, maar ook enigszins zonder hoogtepunten of markante details. Kiezend uit zijn vele opnamen, lijkt de vertrouwde, wat bedachtzame, onopgesmukte en evenwichtige uit Amsterdam, 1972, de beste aanbeveling.

Leonard Bernstein behoorde met Kubelik en Haitink tot de eersten die zich aan een volledige Mahlercyclus op lp waagden eind jaren zestig v.e. Zijn New Yorkse eerstelingen op CBS (Sony) zijn in gerestaureerde vorm terug in de catalogus maar klinken nu toch wat extreem emotioneel. Zijn Amsterdamse versie daarentegen is evenwichtig, fris en monter, vol aandacht voor de essentiële punten. Meteen de ochtendlijke ‘stilte’ aan het begin van het werk is al prachtig gerealiseerd. En het werk eindigt als een triomf.

Tegenover de grote intensiteit van Bernstein stelt Claudio Abbado zeker in zijn Berlijnse ‘live’ opname uit 1989 die te verkiezen is boven de eerdere uit 1981 uit Chicago een emotioneel wat terughoudender opvatting. Tempi, frasering, dynamiek zijn voortreffelijk accuraat en onder controle, maar er is voldoende ruimte voor steeds de juiste expressie Los schijnende episoden worden mooi gebundeld, het genie van de jonge componist komt steeds mooi naar voren.

Van Klaus Tennstedt staan drie opnamen ter beschikking. Normaal gesproken oogstte hij meestal veel waarderende woorden voor zijn Mahlervertolkingen, maar wat hij in de Eerste telkens laat horen, doet nogal opgeblazen aan waarbij het weinig uitmaakt of men het via cd of dvd ondergaat.

De Weense uitvoeringen van Lorin Maazel van een complete Mahlercyclus zijn altijd wat onderschat. Hij maakt van nr. 1 een heel idiomatische, lyrische, hooguit niet tot in het laatste detail doorgronde belevenis.

Van de beide bekendste opnamen die Georg Solti maakte, is de Londense interpretatief het interessantst, maar die uit Chicago wint het qua geluidskwaliteit. Hij huldigt een vrij extroverte, maar heel energieke opvatting.

Iemand die erg veel aandacht schonk aan de meer subtiele kanten van de muziek was Giuseppe Sinopoli. De opvatting van de dirigent is helaas zoals wel vaker nogal grillig en erg persoonlijk, maar wel warmbloedig.

Wat in de vrij directe aanpak van Riccardo Chailly opvalt, is dat hij de programmatische aspecten alle ruimte geeft, dat het orkestspel superieur is en dat alle aandacht wordt geschonken aan een juiste frasering en dynamiek. Dit was meteen een opvallend goede verklanking van deze symfonie, die zoals het hoort echt ppp begint in de hoorns en verder vervolgt volgens alle voorgeschreven lijnen.

Iemand die altijd zoekende is om aandacht te trekken met zijn vaak radicale ideeën als Roger Norrington, uit zich hier in een zekere rustieke felheid. De vrijwel vibratoloos spelende en strategisch opgestelde violen zijn wel apart, maar de introductie door een slecht gestemd groepje voor het lyrische centrale fragment uit het eerste deel (na 4’41”) is mis en na een pakkend begin zakt ook de finale teveel in. Vreemd ook die extra paukenslagen tot slot. Blumine kan het geheel dan al niet meer redden.

Van de twee opnamen die Christoph Eschenbach maakte, is die uit Houston het beste. In Berlijn leverde hij een nogal kaal en banaal product af.

In de zaalopname uit Birmingham weet Simon Rattle meteen vanaf de ochtendschemer aan het begin de juiste schaal van het werk goed te typeren. Het rustieke scherzo heeft een passende Oostenrijkse sfeer met felle hoorns; onder het oppervlak van de treurmars is een gevoel van ironie nooit ver weg en de climax van de finale is prachtig.

Telarc heeft de reputatie voortreffelijk klinkend materiaal te leveren. Dat klopt in het geval van Benjamin Zander. Des te spijtiger dat diens verklanking zo zielloos is.

Hoewel hij zelf zijn oudere opname uit Oslo die EMI uit de catalogus schrapte waardig bevond om op Simax verder te leven, is de nieuwere Amsterdamse uitgave van Mariss Jansons natuurlijk een klasse beter. Alleen al door het betere orkestspel van een in de materie doorkneed ensemble in een met soft focus opgenomen omgeving. De expressie is wat ingehouden en pas in de finale laat de dirigent enthousiast de teugels los.

Vrijwel het omgekeerde ervaren we bij David Zinman. Die geeft de eerste drie delen redelijk het volle pond, maar laat een ondervoede finale horen.

In zijn Rotterdamse tijd heeft hij het onvoldoende kunnen aantonen, maar van Valery Gergiev hadden we mogen verwachten dat hij een voortreffelijk Mahlervertolker zou zijn. Zijn Londense cyclus is echter van zeer wisselend niveau en deze Eerste behoort tot de grote teleurstellingen. De muziek klinkt te extrovert, te prozaïsch, te luid, kortom nogal liefdeloos.

Het orkest uit Braunschweig dat Alexander Joel ter beschikking stond, is eenvoudig niet tegen de taak opgewassen om Mahler I in alle aspecten recht te doen.

Een geval apart is de opname van Jan Willem De Vriend die heel moedig de Hamburgse versie uit 1893 koos en dus de vorm van het ‘Symfonisch gedicht in twee delen’, inclusief Blumine. Ooit, in de jaren zeventig vorige eeuw, bracht Wyn Morris het werk ook in deze gedaante uit. De orkestbezetting is nog wat kleiner en het is interessant de verschillen met de gangbare vorm te horen: gestopte hoorns, extra paukenslagen, de solocello die de solo contrabas aanvult. Met veel zorg voor de frasering en de articulatie plus een heel levendige aanpak maakt de dirigent er echt iets bijzonders van.

Bij de dvd opnamen in het vooral interessant om bij de grote gebundelde aanbiedingen het verschil tussen Leonard Bernstein en Bernard Haitink waar te nemen. Bernsteins lichaamstaal weerspiegelt de muziek die hij dirigeert prachtig, Haitink heeft nooit dat flamboyante gehad. Van hem zijn zelfs twee videoregistraties ter beschikking. Hij lijkt in vergelijking met Bernstein eerder afstandelijk, soms à la Karajan even met gesloten ogen dirigerend. Maar het Berlijnse orkest volgt zijn vloeiende slag en economische gebaren gewillig en het resultaat is geweldig. Mooi zoals het eerste deel spannend naar zijn climax wordt opgebouwd. Verderop is de expressie vrij, maar blijft aan de ernstige kant. Dat is mee te danken aan de zeer goede geluidskwaliteit, die beter is dan bij Bernstein. Interpretatief is de Kerstmatinee vertolking op cd iets sprekender, de geluidskwaliteit van de latere Berlijnse overtuigt wat meer. Hopelijk is tenminste één van deze uitgaven nog ergens te koop.

 

Conclusie

 

Aan het slot van deze beperkte vergelijking met veel ontbrekenden en helaas veel moeilijk verkrijgbaren blijft een aantal interpretaties op cd over, dat ik nooit meer zou willen missen. Daartoe behoren die van Kubelik (DG), Bernstein (Amsterdam), Chailly, Abbado (Berlijn), Haitink (1972), Solti (Londen) en hors concours De Vriend.

Op dvd gebied gaat de voorkeur uit naar Haitink, waarbij Berlijn een neuslengte voorsprong heeft op Amsterdam, vooral vanwege de betere geluidskwaliteit.

 

Discografie

 

1939. NBC Symfonie orkest o.l.v. Bruno Walter. Music & Arts MACD 1241.

 

1947. Londens filharmonisch orkest o.l.v. Bruno Walter. Testament SBT 1429.

 

1947. Concertgebouworkest o.l.v. Bruno Walter. Tahra TAH 504.

 

1950. Beiers Staatsorkest o.l.v. Bruno Walter. Orfeo C5620218.

 

1953. Pro Musica orkest Wenen o.l.v. Jascha Horenstein. Vox CDX 2 25508 (2 cd’s).

 

1954. Royal philharmonic orkest o.l.v. Hermann Scherchen. Tahra TAH 716/8 (3 cd’s).

 

1955. New York filharmonisch orkest o.l.v. Dimitri Mitropoulos. Archipel ARPCD 0326.

 

1957. Hallé orkest o.l.v. John Barbirolli. Dutton CDSJB 015.

 

1958. Columbia symfonie orkest o.l.v. Bruno Walter. Sony 45674 (2 cd’s).

 

1962. Concertgebouworkest o.l.v. Bernard Haitink. Philips 442.050-2 (10 cd’s).

 

1964.  Londens symfonie orkest o.l.v. Georg Solti. Decca 417.701-2, 458.622-2.

 

1964. Weens filharmonisch orkest o.l.v. Georg Solti. Orfeo C6280418.

 

1965. BBC Symfonie orkest o.l.v. Rudolf Kempe. BBC Legends BBCL 4022-2.

 

1966. New York filharmonisch orkest o.l.v. Leonard Bernstein. Sony SX12K 89499 (12 cd’s).

 

1967. Symfonie orkest van de Beierse omroep o.l.v. Rafael Kubelik. DG 429.042-2 (10 cd’s), 449.735-2.

 

1969. Londens symfonie orkest o.l.v. Jascha Horenstein. Unicorn UKCD 2012.

 

1971. Chicago symfonie orkest o.l.v. Carlo Maria Giulini. EMI 253.651-2.

 

1972. Concertgebouworkest o.l.v. Bernard Haitink. Philips 420.080-2.

 

1975. Londens symfonie orkest o.l.v. James Levine. RCA RD 80894.

 

1977. Londens filharmonisch orkest o.l.v. Klaus Tennstedt. EMI 574.182-2 (2 cd’s).

 

1977. Concertgebouworkest o.l.v. Bernard Haitink. Philips 464.321-2 (9 cd’s).

 

1979. Symfonie orkest van de Beierse omroep o.l.v. Rafael Kubelik. Audite 95467.

 

1981. New York filharmonisch orkest o.l.v. Zubin Mehta. Sony 38DC 33.

 

1981. St. Louis symfonie orkest o.l.v. Leonard Slatkin. Telarc CD 82004.

 

1981. Chicago symfonie orkest o.l.v. Claudio Abbado. DG 400.033-2.

 

1983. Chicago symfonie orkest o.l.v. Georg Solti. Decca 411.731-2, 475.8230.

 

1983. Weens filharmonisch orkest o.l.v. Lorin Maazel. Sony SBK 89783.

 

1983. Philadelphia orkest o.l.v. Riccardo Muti. EMI 747.032-2, 574.963-2.

 

1985. Omroeporkest Frankfurt o.l.v. Eliahu Inbal. Denon 33C37-7537.

 

1985. Philharmonia orkest o.l.v. Giuseppe Sinopoli. DG459.472-2 (2 cd’s).

 

1987. Boston symfonie orkest o.l.v. Seiji Ozawa. Philips 422.329-2.

 

1987. Concertgebouworkest o.l.v. Leonard Bernstein. DG 431.036-2.

 

1987. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Bernard Haitink. Philips 420.936-2.

 

1988. Symfonie orkest van de Beierse omroep o.l.v. Colin Davis. Novalis 150.033-2.

 

1989. Cleveland orkest o.l.v. Christoph von Dohnanyi. Decca 425.718-2.

 

1989. Praags Festival orkest o.l.v. Pavel Urbanek. Laser 15529.

 

1989. Sofia filharmonisch orkest o.l.v. Emil Tabakov. Capriccio 49043 (15 cd’s),

 

1989. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Claudio Abbado. DG 431.769-2.

 

1990. Chicago symfonie orkest o.l.v. Klaus Tennstedt. EMI 754.217-2.

 

1990. Londens filharmonisch orkest o.l.v. Klaus Tennstedt. BBC Legends BBCL 4266-2.

 

1991. Omroeporkest Keulen o.l.v. Gary Bertini. EMI 340.238-2 (11 cd’s).

 

1992. Tsjechisch filharmonisch orkest o.l.v. Vaclav Neumann. Pony Classics PCCL 00177.

 

1995. Concertgebouworkest o.l.v. Riccardo Chailly. Decca 448.813-2.

 

1995. Minnesota orkest o.l.v. Edo de Waart. Virgin 482.126-2

 

1996. Gran Canaria filharmonisch orkest o.l.v. Andrew Leaper. Arte Nova 74321-43314-2.

 

1997. Houston symfonie orkest o.l.v. Christoph Eschenbach. Koch 37405-2.

 

1997. Norrköping symfonie orkest o.l.v. Ole Kristian Ruud. Simax PSC1150.

 

1998. Chicago symfonie orkest o.l.v. Pierre Boulez. DG 459.610-2.

 

2002. San Francisco symfonie orkest o.l.v. Michael Tilson Thomas. Avie 8219360002-2.

 

2005. Philharmonia orkest o.l.v. Benjamin Zander. Telarc CD80628 (2 cd’s).

 

2006. Tonhalle orkest, Zürich o.l.v. David Zinman. RCA 82876-87156-2.

 

2006. Concertgebouworkest o.l.v. Mariss Jansons. RCO Live RCO 07001.

 

2008. Chicago symfonie orkest o.l.v. Bernard Haitink. CSO Resound CSOR 901902.

 

2008. Bambergs symfonie orkest o.l.v. Jonathan Nott. Tudor TUDOR 7147

 

2008. Londens symfonie orkest o.l.v. Valery Gergiev. LSO Live LSO 0663.

 

2009. Duits Symfonie orkest Berlijn o.l.v. Christoph Eschenbach. Capriccio CAP 5026.

 

Hamburgse versie 1893

 

1968. Philadelphia orkest o.l.v. Eugene Ormandy. RCA 82876-76233-2.

 

2009. Orkest van het Oosten o.l.v. Jan Willem de Vriend. Challenge CC 72355.

 

Zonder bekende opnamedatum

 

…. Weens symfonie orkest o.l.v. Jascha Horentein. Preiser 90669.

 

…. Tsjechisch filharmonisch orkest o.l.v. Karel Ancerl. Supraphon SU 3666-2.

 

…. SWR Omroeporkest Baden-Baden o.l.v. Michael Gielen. Hännsler CD 93097.

 

…. Oslo filharmonisch orkest o.l.v. Mariss Jansons. Simax PSC 1270 (2 cd’s).

 

….Suisse romande orkest o.l.v. Armin Jordan. Warner 0927-49587-2.

 

…. Liverpool filharmonisch orkest o.l.v. Charles Mackerras. Classics for pleasure  573.510-2.

 

…. Boedapest filharmonisch orkest o.l.v. Rico Saccani. BPOL 1010 (2 cd’s).

 

Inclusief Blumine

 

1991. Birmingham symfonie orkest o.l.v. Simon Rattle. EMI  754.647-2.

 

1993. Pools nationaal omroeporkest o.l.v. Michael Halász. Naxos 8.550522.

 

1993. Florida filharmonisch orkest o.l.v. James Judd. Harmonia Mundi HCX 3957118.

 

1999. Atlantasymfonie orkest o.l.v. Yoël Levi. Telarc CD 80545.

 

2004. Omroeporkest Stuttgart o.l.v. Roger Norrington. Hännsler CD 93137.

 

2008. Staatsorkest Braunschweig o.l.v. Alexander Joel. Coviello COV 31002.

 

Arrangement voor 2 piano’s Walter

 

…. Praags Pianoduo. Praga DSD 250197.

 

Video

 

1977. Concertgebouworkest o.l.v. Bernard Haitink. Philips 00289-4428713 (4 dvd’s).

 

1990. Chicago symfonie orkest o.l.v. Klaus Tennstedt. EMI 367.743-9 (dvd).

 

1987. Concertgebouworkest o.l.v. Leonard Bernstein. DG 73-4088 (9 dvd’s).

 

1987. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Bernard Haitink. Philips 074-3131 (dvd).

 

…. Slowaaks filharmonisch orkest o.l.v. Zdenek Kosler. Naxos 11024 (dvd).

 

  bry med us
tucsonmeds.info
pharmaceutica diary info
medic axne
eamea med info site