STRAVINSKY: SACRE DU PRINTEMPS, LE
Vergelijkende Discografieen

STRAVINSKY: LE SACRE DU PRINTEMPS

 

Het tafereel van een van de meest beruchte relletjes uit de muziekgeschiedenis was het gloednieuwe Théâtre des Champs-Elysées in Parijs op 29 mei 1913. Tot de vier balletten die daar die avond door de Ballets russes van Serge Diaghilev zouden worden uitgevoerd, behoorden drie mooie, vertrouwde en dus veilige balletten: Les sylphides, Le spectre de la rose en een hit uit het vorige seizoen, de Polowetskische dansen uit Borodins opera Prins Igor.  Maar er was ook een brandnieuw werk, Le sacre du printemps met als ondertitel “Scènes uit heidens Rusland” in de choreografie van de rijzende ster Nijinsky. De dirigent was Pierre Monteux en de muziek was van Igor Stravinsky die in een paar jaar vanuit de obscuriteit als een komeet naar voren was gekomen als de veelbelovendste jonge componist uit zijn tijd.

 

Achtergronden

 

De mysterieuze, verlangende fagotsolo, waarmee de Sacre  begint, was het begin van wat Arthur Honegger noemde “de bom die onze stijl en onze techniek radicaal omver wierp” en Jean Cocteau noemde de Sacre “de Georgica van de prehistorie”. Beiden bedoelden hetzelfde: de Sacre van Stravinsky was een keerpunt (en tevens het grootste schandaal) in de muziekgeschiedenis. De invloed van het werk is nog steeds ongekend groot en ook nog steeds voelbaar in de latere composities uit de twintigste eeuw.

Nooit eerder waren primitieve oerkrachten, onverbiddelijke motoriek en barbaarse gebruiken uitgangspunten geweest in de Westerse kunstmuziek. “Toen ik in St. Petersburg met de laatste bladzijden van L’Oiseau de feu bezig was, flitste mij op een dag (….) het beeld van een heidense rituele plechtigheid door het hoofd: wijze ouderlingen zitten in een kring te kijken naar de dans van een jong meisje dat zich dood danst, het offer om de god van het voorjaar gunstig te stemmen”.

In de Sacre staat de oerkracht van de natuur centraal, verklankt door complexe akkoordstapelingen, vulkanische klankerupties en een onstuitbare, motorische ritmiek. In een brief uit 1912 schrijft Stravinsky: “Ik zou willen dat mijn werk het gevoel van nauwe verbondenheid van de mens  met de aarde, van het menselijk leven met de grond verklankt en door middel van een lapidair ritme heb ik dat proberen te bereiken. Het hele stuk moet van het begin tot het einde worden gedanst. In heen enkele maat tolereer ik pantomime.”

De eerste schetsen van de Sacre ontstonden na de première van de Vuurvogel in de zomer van 1911 en bijna twee jaar later, op 8 maart 1913, werd de laatste noot op papier gezet. Zelf herinnerde Stravinsky zich: “Op een dag toen ik in St. Petersburg de laatste bladzijden van de Vuurvogel  voltooide, had ik een voorbijgaand visioen… ik zag in mijn verbeelding een plechtig heidens ritueel: wijze ouderen, in een kring gezeten, keken toe hoe een meisje zichzelf dood danste. Ze offerden haar op om de lentegod te behagen.” 

Voor de nadere uitwerking van het visioen van het lenteoffer nam Stravinsky contact op met Nicolas Roerich, een groot kenner van voorchristelijke Slavische stammen en rituelen, die het libretto in samenwerking met de componist, in slechts enkele dagen gereed had. De choreografie werd ontworpen door de beroemde danser Nijinsky van Les ballets russes. 

De vreemd klinkende muziek uit de inleiding van de Sacre had al ontevreden gemompel en verontwaardigd gesputter van het beter gesitueerde deel van de bezoekers. Toen het scherm open ging om te onthullen wat Stravinsky later omschreef als “een groep huppelende Lolita’s met hun knokige knietjes en lange vlechten” (Danses des adolescentes), desintegreerde het publiek in halfchaos.  De beperkte en primitieve bewegingen van de dansers, het barbaarse en ongebreidelde van dans en muziek, een heidense rituele moord als onderwerp: het was allemaal meer dan het publiek kon verdragen.De kreten van verontwaardigde  upperclass dames werden beantwoord door enthousiaste uitroepen vanaf het schellinkje. Van de muziek was weinig meer te horen. Stravinsky zat voor in de zaal en bewonderde Pierre Monteux die onverstoorbaar en stoïcijns voor wat er allemaal achter zijn rug gebeurde, bleef dirigeren. Debussy trachtte het publiek te kalmeren, Ravel schreeuwde “Genie! Genie!”. Een furieuze Stravinsky verdween achter het toneel en vond Nijinsky die op een stoel in de coulissen stond en nummers riep naar de dansers die dat in het tumult niet verstonden. Volgens het politierapport vielen er tijdens deze eerste uitvoering van de Sacre 27 gewonden. Diaghilev zei achteraf vrij laconiek: “Het was net wat ik wilde!” Pas met de concertante uitvoering onder leiding van Monteux in het Casino de Paris (april 1914) werd de Sacre een zodanig groot succes dat de componist op de schouders van het enthousiaste publiek door de straten van Parijs werd gedragen.

Het is nog altijd een prachtig verhaal en het gebeurde alles echt. Maar het geeft geen idee van de invloed die Stravinsky’s partituur had op de muziekgeschiedenis. Relletjes van het publiek waren in die tijd een aardige Parijse specialiteit. Gedurende een vergelijkbare uitbarsting bij de Franse première van Schönbergs Fünf Orchesterstücke in 1922 riep een gedistingeerde dame uit: “Het is een schande om oorlogsweduwen aan zoiets bloot te stellen!” De belangrijkste oorzaak van de opstand tijdens de première van de Sacre was duidelijk de choreografie van Nijinsky, die voor die tijd heel excentrisch en provocerend moet zijn geweest. Maar wat natuurlijk behalve de choreografie ook de gemoederen verhitte, was de muziek en dan vooral de uitgekiende en in een individuele constructie ingebedde deconstructie van de maatritmiek, die Stravinsky rigoureus, ja barbaars had uitgecomponeerd. Een van de fundamenten van de muziek, die eeuwenlang in onze cultuurwereld was gerespecteerd, was op slag tot in zijn fundamenten aangetast. Men vermoedde boosaardige consequenties, ook op politiek gebied werden donkere wolken zichtbaar en het duurde slechts maanden voordat de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Haast seismografisch had een kunstenaar begrepen wat in de lucht van de wereldgeschiedenis lag. Het ballet rond een voorjaarsoffer, waarin het volgens de componist ging om “de panische schrik van de natuur voor de eeuwige schoonheid”, behoort tot de meest revolutionaire werken uit de muziekgeschiedenis. Matthijs Vermeulen beweerde bij alle bewondering voor de muziek ooit, dat het werk op lange termijn waarschijnlijk niet levenskrachtig genoeg zou zijn, “omdat de substantie er door een klein gaatje uit loopt.” Tot nu toe is daarvan geen sprake. In tegenstelling tot veel andere composities uit die tijd heeft de Sacre niets aan zeggingskracht ingeboet.

De muzikale technieken die Stravinsky in de Sacre toepaste zijn minder geavanceerd dan lijkt, behalve wellicht de voortdurend verspringende ritmen. Het was zoals Ravel het uitdrukte: “Het nieuwe schuilt niet in de instrumentatie of in de compositietechniek, maar in het gehele wezen van de muziek”. Stravinsky heeft wel voor de Sacre een enorm orkest ingezet, het grootste en meest omvattende sinds Schönbergs Gurrelieder, met vijfvoudig bezette houtblazers (waaronder in de extremen piccolo en contrafagot), acht hoorns, vijf trompetten, drie trombones, twee tuba’s, veel slagwerk en strijkers op basis van 8 contrabassen.

Hoewel het stuk is geïnspireerd op de Russische folklore is er nauwelijks volksmuziek letterlijk in verwerkt. Waar gaat het in dit ballet om? Om het offer van een meisje (de uitverkorene) dat het begin van de lente viert in het oude heidense, etnische Rusland door zichzelf dood te dansen in aanwezigheid van haar stam. Het scenario was uitgewerkt door Stravinsky en de schilder/archeoloog Nicolaas Roerich voor zijn opdracht van Diaghilev. Stravinsky was geïnteresseerd in Roerichs onderzoek, maar hij was veel sterker geboeid door de explosieve dramatische mogelijkheden die latent in het gegeven schuilen. Hij was ook jong, vastbesloten en enorm ambitieus zoals duidelijk was sinds de premières van de Vuurvogel en Petroesjka door de Ballets russes in 1910 en 1911.

Bijna negentig jaar later heeft het werk nog steeds een grote impact bij mensen die het voor het eerst horen, vooral dankzij de kolossale ritmische kracht van de muziek die wordt versterkt door de inzet van een enorm groot orkest (vijfvoudige houtblazers, acht hoorns, vijf trompetten, 3 trombones, 2 tuba’s, een uitgebreide slagwerkkeuken en strijkers). Stravinsky’s virtuoze flair voor pregnante ritmen was al gebleken uit zijn Vuurvogel en Petroesjka, maar dit was een door het uitbotten in de lente als door een hoge wisselspanning gestimuleerd ritmisch gevoel dat nog net herkenbaar was als authentiek ballet. Zoals dat past bij het etnische, niet-klassieke onderwerp van de Sacre, was ook de ritmische taal heel anders: zwaar, meedogenloos, voetstampend en subversief.

De werkelijk opmerkelijke eigenschap van de partituur is echter, hoe deze zijn op een aardbeving lijkende kracht realiseert. Stravinsky’s gebruik van het slagwerk is namelijk betrekkelijk terughoudend, afgezien van een batterij pauken (in een complexe opzet waarvoor twee slagwerkers nodig zijn). In plaats daarvan gebruikt hij het hele orkest als een grote slagwerk groep. Terwijl hij achter de piano aan de partituur werkte (zoals hij altijd deed) vond hij het effect van gesuperponeerde akkoorden in verschillende toonaarden al doende uit – letterlijk in één toonaard in de linkerhand en in een andere in de rechter.

Hij realiseerde zich dat deze akkoord combinaties de kernen van het ruwe muziekmateriaal vormden die de complexe onregelmatige ritmen konden sturen waarnaar hij instinctief op zoek was. In dit opzicht is het fascinerend om eens te kijken, of beter nog te luisteren, naar de versie voor pianoduo die Stravinsky voor de repetities van de Sacre schreef. De gesuperponeerde akkoorden in het koorwerk Zvezdoliki (De koning der sterren) dat Stravinsky vlak vòòr de Sacre componeerde vormden de directe voorlopers van dit idee, maar daar roepen ze een magische en visionaire stilte op. Stravinsky’s besef dat hetzelfde middel zou kunnen worden gebruikt om het exact tegengestelde doel te bereiken – de elementaire ontketening van ritme – was de meesterlijke zet van een genie.

Maar dan nog was dit een van die revoluties die tegelijk zijn krachtigste mogelijkheden en één verbazingwekkend statement ontplooide en samenvatte. Stravinsky had ook in zijn latere werken met gemak voor zo’n groot orkest kunnen schrijven, maar hij deed dat nooit meer. In feite zijn er nauwelijks echte opvolgers van deze invloedrijke partituur in zijn eigen werk of in dat van anderen. Tot die vergelijkbaar cataclysmisch weinige behoren Varèse’s Amériques en Arcana, Messiaens Turangalîla symfonie en Birtwistle’s The mask of Orpheus. Want deze muziek kijkt evenzeer vooruit als achteruit.

Maar ongeveer de helft van het ongeveer 33 minuten durende ballet wordt in beslag genomen door donderende, aardbevingachtige ritmen. Veel van de rest is exotisch en evocatief, extatisch georkestreerd. In dat opzicht is het werk gerelateerd aan de glinsterende klankwereld van Stravinsky’s compositieleraar Rimsky-Korsakov die hij heel hoog aansloeg. Verschillende thema’s uit de Sacre zoals de zonderlinge hoge fagotsolo waarmee het werk begint, zijn gebaseerd op volksmelodieën, een praktijk die toen graag door Russische componisten werd toegepast. Stravinsky’s oorspronkelijke titel voor de Sacre was Vesna svyashchennaya, “Heilige lente”, en dat dit tot in het diepste merg een Russisch werk is, blijkt duidelijk vanaf het begin van de gedurfde inleiding – een kronkelende en uitbottende collage van muzikale lijnen die bijna zichtbaar volgens Stravinsky’s eigen woorden “de geweldigste elk jaar uit mijn jeugd terugkerende gebeurtenis oproept: het heftige Russische voorjaar dat binnen een uur lijkt te beginnen en waarbij de hele aarde leek open te barsten.”

 

De opnamen

 

Iedere geregistreerde opname van het werk die ook maar iets waard is moet zoveel mogelijk van deze veelsoortige componenten tot hun recht laten komen. Dat is een zware opgave. Bovendien betekent de intussen klassieke status van de Sacre helaas dat er eigenlijk teveel opnamen van worden gemaakt; het gevaar van routine dreigt. 

Het zal nauwelijks verbazen dat zeker in het herdenkingsjaar 2013 de discografische lijst een enorme lengte bezit. 

Veel van de intussen meer dan honderd opnamen kunnen omdat het daarbij om onbekendere orkesten en dirigenten die reden worden vergeten. Ze zijn vooral pro memorie vermeld. Een behoorlijk aantal zal trouwens intussen niet meer of slechts moeilijk verkrijgbaar zijn. Of ze zijn zodanig gebundeld dat aanschaf onaantrekkelijk is. Van sommige is dat spijtig, al was het maar om louter praktische redenen.

Wie idolaat is van de Sacre en geen genoeg krijgt van het werk, is – naar het motto grote slagen, snel thuis – mogelijk gebaat met de jubileumuitgaven van Decca met 38 uitvoeringen en Sony met aan achttal.

Om het spoor tussen de vele opnamen uit de zeker niet volledige lijst niet bijster te raken is het goed om een voorselectie te maken en ons te concentreren op de beste uitvoeringen in zo goed mogelijke opnamekwaliteit. 

Meteen sinds de introductie van de elektrische opname voer de Sacre wel als muziekconserve. Alleen al uit 1929 dateren drie opnamen van het werk: de eerstelingen van Igor Stravinsky zelf en van de man die het werk ten doop hield, Pierre Monteux. Jammer dat geen van zijn opnamen het volle gamma aan élan en dynamiek bezit. Dat geldt ook voor Leopold Stokowski die in werkelijkheid natuurlijk een veel spectaculairder prestatie leverde.

Van de oudere mono uitgaven is haast alleen die van Igor Markevitch uit 1959 belangrijk. De akoestiek van de Abbey Road studio en het orkest waren hem welgezind en de orkestbalans is keurig in de stereovorm; de dynamiek had wat royaler mogen zijn. De dirigent verstond nog de kunst om te choqueren als bij de première, al vertraagt hij even in ‘Évocation des ancêtres’ (om de pauken barrage beter te laten uitkomen?). De lento inleiding van het tweede deel neemt hij vrij snel, maar hij neemt de  tempovariaties daarna heel serieus. Voor een mooi moment zorgen de klarinetten in ‘Cercles mystérieux’ en de frisson van de strijkers in het volgende pianissimo tremolando vanaf cijfer 93. Een elektriserende interpretatie. Op de Testament heruitgave is plaats ingeruimd voor een mono opname in de maak uit 1951. De EMI uitgave was jarenlang dé favoriet.

In 1940 nam Stravinsky het werk een tweede keer op in New York. Die uitvoering is door Naxos met zorg heruitgegeven en is een waardevol historische documentatie van een ritmisch stuwende, puntige realisatie.

Maar het is zijn derde versie uit 1960, die begrijpelijk genoeg thans het meeste aandacht krijgt. Het is hier dat de discografie een persoonlijke toets krijgt. De eerste opname die me vertrouwd maakte met het werk was de 78t. versie van Eduard van Beinum uit  1946, die destijds op 78 toeren Decca K 1727/30 verscheen. Een vertolking vol zelfvertrouwen.

Datzelfde geldt voor een andere heel goede Stravinsky pleitbezorger: Ferenc Fricsay. De temperde de heftigheid beslist niet, alleen wordt die in de opname wat gesmoord.

Voor een aangename, maar onverwachte verrassing zorgt ook de onbekende Rudolf Albert met zijn gelegenheidsorkest.

De volgende, die bijna gelijktijdig verschenen, waren de Mercury “Living Presence” opnamen van Antal Dorati, net als Markevitch een uitmuntende Stravinskyvertolker uit Minneapolis. Kies hier de gespierde, prachtig gespeelde uitgave uit 1959 en niet die uit 1953 of 1981.

Van Leonard Bernstein zijn vier opnamen beschikbaar, een met het New York filharmonisch orkest uit 1951 een met het Londens symfonie orkest uit 1972 en eentje met het Israël filharmonisch orkest. De vierde uit 1987 is slechts een orkestrepetitie met jonge musici tijdens het Sleeswijk Holstein festival. Verdienstelijk en enthousiast  zijn ze alle in mindere of meerder mate, echt blijvend indruk makend te weinig.

In termen van geluidskwaliteit behoort de opname uit Detroit van Antal Dorati tot de beste. Deze wordt gekenmerkt door een frappante helderheid en presence en door een heel levensecht en kernachtig geluid; de dichter georkestreerde gedeelten worden prachtig opengelegd. De verklanking is ook heel goed, bezit opwinding, de tempi zijn aan de hoge kant, sneller dan de partituur aangeeft, maar de spanning van de muziek komt mooi uit de verf. De teleurstelling komt bij de  Danse sacrale, die meer overgave en een hogere spanning vraagt. Jammer. 

Vervolgens is natuurlijk geen ontkomen aan de hoogst authentieke lezingen van Igor Stravinsky zelf. Na hem lijkt het wel of gooide de muziekindustrie alle remmen los gooide en verschenen soms wel meer dan drie opnamen per jaar.

Natuurlijk heeft Igor Stravinsky’s eigen, laatste opname uit 1960 de brille van een onthulling en draagt deze het stempel van absolute authenticiteit. In  die zin is hij uniek want heel muzikaal, doorleefd en ritmisch fel. Maar daarmee is het niet de meest aanbevelenswaardige uitvoering. Maar niet in alle opzichten duidelijk uniek. De geluidskwaliteit, redelijk helder en driedimensionaal voor zijn tijd, is weliswaar in SACD vorm opgeknapt, maar blijft toch wat achter bij wat in het digitale tijdperk mogelijk werd. In het orkestspel gaat nogal wat detail verloren en sommige spelers blijven onder de maat. Meteen in de inleiding al de althobo, die pover articuleert en in de climax van de laatste offerdans is de paukenist de kluts kwijt. Achteraf is het verbazingwekkend dat zo’n passage niet is gecorrigeerd. Was het een haastklus? Maar veel van de rest is voortreffelijk. Al in de inleiding van het eerste deel heerst een sterk beteugelde maar tevens spontane souplesse in de frasering die het oor biologeert. Hoe sprekend laat Stravinsky de afzonderlijke spelers karakteriseren wat ze doen: de solo trombone in Les augures printanièrs lijkt rechtstreeks uit L’histoire du soldat te komen en de trompetten uit Petroesjka. Waar nodig klinkt de muziek bijtend scherp, steeds is het resultaat passend heftig. Iets in de gevoelig afgepaste articulatie en de eenvoudige directheid van Rondes printanières brengt ons zo levendig in een wereld van zonovergoten Russische weilanden dat we ze bijna kunnen ruiken. Een vertolking vol  echte woestheid en verwonderlijke elektriserende krachten. Telkens weer ontdekt men passages die door de manier waarop de balans in het orkest en het tempo (in het algemeen snel) zijn gerealiseerd voor extra vaart en veerkracht zorgen en tevens voor extra licht- en schaduwwerking. De gedigitaliseerde opname klinkt wat helder en scherp, maar dat komt koper en slagwerk ten goede.

Zelfs de meest complexe passages zijn fraai helder en er is geen tekort aan zuivere vuurkracht. Igor Stravinsky gebruikt zijn eigen revisies uit 1943 (die niet in de gereviseerde en gesanctioneerde partituur uit 1947 voorkomen welke door verder iedereen wordt gebruikt) in de Danse sacrale wat deze opname een extra documentaire waarde verleent. De directie van de componist zelf schittert met waarden van muziek maken die uit een ver vroegere tijd lijken te stammen. 

De ongeveer tezelfdertijd ontstane EMI opname van Igor Markevitch klinkt volbloediger en de dirigent is veel spontaner. Het Philharmonia orkest speelt fantastisch en ’s dirigenten ritmische vitaliteit en onbarmhartige vaart worden recht gedaan in een nog altijd vrij spectaculaire opname. Meteen de solofagot en de tweede hoorn aan het begin zijn erg pakkend. Markevitch’ werk met dit orkest resulteert in een opmerkelijk niveau van individueel en collectief élan. In deel I schuilt een lenig, zonovergoten, authentiek balletmatig gevoel, dat werkelijk getuigt van “Een dans op lentemuziek”. Er is heel wat felle virtuositeit wanneer de viering serieus wordt in deel II. De precisie van de attaque in akkoorden is voorbeeldig. De Cortège du sage begeleid door schetterende tuba’s en blaffende hoorns vormt een spectaculair hoogtepunt. In korte tijd maakte Markevitch op verschillende plaatsen en dus met diverse orkesten enige opnamen, maar die uit Londen blijft de mooiste

Pierre Boulez maakte in totaal drie opnamen van de Sacre. Het is de derde (en de tweede met het Cleveland orkest) – uit 1991 – die mee dankzij de inbreng van het fantastische orkest de beste van het drietal is, al is de klank wat aan de felle kant. Zijn eerste Franse opname valt vooral om opnametechnische redenen af, de recentere Sony opname klinkt wat beter, maar de uitvoering bezit minder spanning en veerkracht. In de derde poging laat de muziek letterlijk zo voor zichzelf spreken niemand is tegelijk zo helder en heetgebakerd, weinigen zorgen voor een zo grote precisie en zo’n seismische kracht, niemand ook voldoet zo goed aan de omschrijving van de ideale dirigent door Stravinsky: als de klokluider aan het eind van het klokkentouw. Het resultaat is even onbarmhartig als exact. Wat na de nog onschuldige fagotsolo gebeurt, is heel verrassend. Als deze opname pakt – en dat doet hij vaak – is dat omdat de muziek pakkend is. Boulez’ beheersing is een fenomeen. Een mooi voorbeeld vormt de overgang van Les augures printaniers naar Jeu du rapt waar hij een kleine versnelling toepast, net voldoende om een reactie in het hele orkest teweeg te brengen die even spontaan als collectief accuraat is. Geen andere bekende dirigent voert de Danse sacrale zo uit met een combinatie van ongehaast tempo, meedogenloos voortstuwende vaart en monumentale grandeur: geweldig! De negatieven kant van het geheel is een vrijwel totaal gebrek aan sfeer. Boulez’ aanpak van de Introduction uit het tweede deel is prachtig, maar het is de afstandelijke en koele schoonheid van Ravel in plaats van de warmer glinsterende, aan Rimsky herinnerende klankwereld van de jonge Stravinsky. Maar in zijn soort is dit een volkomen legitieme Sacre. Tenslotte beschouwde Stravinsky zich wel als een heruitgevonden soort Franse componist.

De componist zelf had niet zoveel goede woorden voor de eerste uitvoering van Herbert von Karajan uit 1963. Daar kan men het mee eens zijn of niet. Objectief feit is dat de interpretatie naar de letter vrijwel volmaakt is, een persoonlijk stempel draagt en de duisterder kanten van de muziek naar voren brengt. Die elementen zijn minder evident in de ruim tien jaar later gemaakte opname.

De lang niet misse interpretatie van Colin Davis met het Concertgebouworkest bezit een onweerstaanbare flair, bezit veel gevoel voor drama en laat prachtig orkestspel horen. 

Een zekere meedogenloosheid kenmerkt de realisatie van Georg Solti die als een wilde stier te keer gaat. Ook James Levine komt niet boven een gedegen routineniveau uit.

Wat Michael Tilson Thomas in Boston laat horen, heeft de verdienste dat het heel balletmatig klinkt, zonder dat de bijtende, dramatische kantjes tekort komen.

Aan de gedreven interpretatie met subliem orkestspel van Riccardo Chailly uit Cleveland valt ook heel veel plezier te beleven. 

Claudio Abbado bevindt zich tussen deze tegenpolen met een prachtig indringende verklanking. Hij is echter wat afstandelijk, maar neemt wel alle aanduidingen uit de partituur serieus en het orkest neemt de zekerheid die de dirigent geeft geïnspireerd ter harte. De opname verraadt duidelijk zijn multi-microfoon techniek afkomst wat alle opwinding een wat gekunsteld karakter verleent.

Simon Rattle maakte vier opnamen, drie op cd, eentje als resultaat van een speciaal Berlijns project op dvd. De eerste met het Engelse nationaal jeugdorkest. De jongelui onder een nog jonge dirigent (de opname dateert uit 1977) produceren een warmbloedig en spontaan musiceren en de nadelen van een paar onnauwkeurigheden en foutjes zijn gering. Maar belangrijker is natuurlijk de tweede, professionele versie. Daarin realiseert de dirigent een goed evenwicht tussen de zuiver fysieke energie en structurele verfijning. De aanpak houdt het midden tussen Boulez’ no-nonsense aanpak en de expressiviteit van Markevitch. De houtblazers overtuigen meteen in de inleiding, waar Rattle voor veel gewelfder lyrische lijnen zorgt dan Boulez. Hij neemt Les augures printaniers precies in het tempo dat de componist voorschrijft en dat pakt prachtig uit. De manier waarop hij de Danse sacrale aanpakt. Toont mooi aan hoe de maximale kracht van de muziek kan worden gekanaliseerd zonder te gaan jachten. Wat echter ontbreekt, is iets van het vereiste sfeervolle exotisme, iets van de verhaallijn. Bij Rattle is uiteindelijk de Sacre niet zozeer een ballet als een abstract Concert voor orkest. De bepaald niet betere nieuwe opname uit 2012 is slechts een herhaling van zetten.

Logisch dat de Philipsopname van Valery Gergiev met zijn eigen Russische orkest diepe indrukt maakt. Menig concertganger zal dierbare herinneringen bewaren aan zijn vertolkingen in de paar uitverkoren Nederlandse muziekcentra. Epaterend wat de klanktovenaar aan kleuren, nuancen en spanningen weet bloot te leggen. Zonder de agressiviteit op te voeren – haast in tegendeel – plaatst de prachtige opname zonder details te verdoezelen of uit te lichten dit in een fraai perspectief. De dirigent laat je met frisse oren naar deze muziek die zo vervuld is van elementaire razernij en meeslepende overgave luisteren.

Hierna is het eerst Michael Tilson Thomas die met een ‘live’ registratie uit San Francisco op heel doorwrochte en evenwichtige wijze grote interpretatieve hoogten bereikt. Vervolgens frappeert Peter Eötvös eindweegs met een overtuigend resultaat. De enthousiaste jonge musici houden de muziek helder, werken de details mooi af en zorgen voor sfeer en pittige energie. De details van ‘Rondes printanières’ zijn fraai uitgewerkt, de ontketende energie in ‘Glorification d l’Élue’ is imposant en het momentum raakt geen moment zoek.

En Bernard Haitink en Mariss Jansons dan om dichter bij huis te blijven? In Zowel in Londen als in Berlijn kwam Haitink niet verder dan gedegen verklankingen zonder dat het recreatieve vuur voor de volle honderd procent werd ontstoken. En Jansons leverde in Oslo en Amsterdam opnamen af waarin prachtig orkestspel te horen valt, maar de interpretatieve bedoelingen in een nogal formeel, keurig beschaafd jasje blijven steken. Elk verrassend aspect werd teveel understatement. De explosies van gesublimeerde gevoelens komt bei beiden tekort.

Van Esa-Pekka Salonen komt meer dan een gemiddelde, brave weergave. Helder orkestspel, ritmische vaart en diepgewortelde energie zijn kenmerkend. Extra opwinding komt voort uit de over de hele linie vrij snelle tempi. Ook Gustavo Dudamel weet de (te) hoog gespannen verwachtingen onvoldoende in te lossen.

Dan vaart Yakov Kreizberg kort voor zijn tragische dood in Monte Carlo een stuk beter. De dirigent laat horen dat hij Russische wortels heeft, zoals met de barbaarse ondertoon en de dreigende hoorns in ‘Glorification  de l’Élue’ en de ‘Danse sacrale’. De orkestbalans klopt steeds en er wordt een cumulatieve spanning gegenereerd in bijvoorbeeld de ‘Danses des adolescentes’. Aan spanning en opwinding geen gebrek.

En dan is daar vooreerst als allerminst least maar wel last Iván Fischer die misschien niet de uiterste primitieve krachten uit het werk naar voren haalt, maar het wel met ongelooflijke zorg voor details openlegt. Alle bewondering voor de individuele solisten en de orkestgroepen die zoveel mooi laten horen. Dit laatste lukt vooral dankzij de kristalheldere opname die optimaal van balans en integratie is. Beter kan haast niet. De fagotsolo aan het begin welt natuurlijk op en is duidelijk herkenbaar, in de ‘Rondes printanières’ zijn strijkers, houtblazers en koper goed individueel waarneembaar zonder dat het totaal daaronder lijdt, de kruisritmen in ‘Cortège du sage’ komen mooi tot gelding en de guiro is hier nu eens goed hoorbaar. De luisterruimte resoneert dankbaar bij het slagwerkgeweld uit ‘Danse de la terre’ en het hele tweede deel, ‘Le sacrifice’ krijgt iets onthechts. Heel bijzonder en fascinerend.

Het bijzondere van de Naïve uitgave van Tugan Sokhiev is dat cd en dvd zijn samengevoegd. De uitvoering klinkt gedreven, maar niet optimaal elementair; hij bereikt zijn beste momenten in het tweede gedeelte maar haalt als geheel net niet de eredivisie.

Het karakter van de balletmuziek krijgt van Philippe Jordan lichtelijk hyperactieve trekken, mede dankzij behoorlijk snelle tempi.

De tweede vertolking van Michel Tabachnik met het Brussels filharmonisch orkest is het beste geworden: met dramatisch-choreografische inslag. Daniele Gatti stelt enigszins teleur met een al te symfonisch-mechanische opvatting.

 

Beeldopnamen

 

De spraakmakende choreografie van Maurice Béjart is brokjesgewijs op YouTube te vinden, maar helaas niet integraal op een dvd. Van de wel op dvd verschenen dansvoorstellingen is die van het Wuppertal ballet van Pina Bausch het mooist, gevolgd door de wat provocerende uit Leipzig en de traditioneel Russische uit Moskou en Sint Petersburg.

Bij de niet-standaard uitvoeringen is die van Rattle uit 2003 het interessantst door de integratie en de voorbereidingen van tweede kans jongeren.

Aan de uitvoering van Chailly tijdens een Kerstmatinée in het Concertgebouw zullen velen nog aangename herinneringen bewaren. Fijn dat daarvan een dvd verscheen.  

 

Bewerkingen

 

Aan de bewerkingen om de muziek op kleinere schaal te brengen, is hier niet verder aandacht besteed, kies hier naar interesse.

 

Conclusie

 

Het heeft niet alleen met (betrekkelijk) jeugdsentiment van deze recensent te maken, maar feitelijk is de uitvoering van Markevitch uit 1959 (Testament) nog steeds een mooie earopener. Op zoek naar modernere, dus ook beter klinkende versies komen nu vooral  Valery Gergiev, Iván Fischer, Peter Eötvös, Pierre Boulez (DG) op korte afstand gevolgd door Stravinsky (1960), Dorati (1963), Salonen, Tilson Thomas en Yakov Kreizberg in aanmerking.

 

Discografie

 

1929. Parijs symfonie orkest o.l.v. Pierre Monteux. Pearl GEMMCD 9329, Dante LYS 374. 

 

1929. Philadelphia orkest o.l.v. Leopold Stokowski. Pearl GEMMCD 9488. 

 

1929. Straram orkest o.l.v. Igor Stravinsky. Pearl GEMMCD 9334, Vogue 665002/1-5 (5 cd’s). 

 

1929-1996. “100 Jaar Sacre”. Philadelphia orkest o.l.v. Leopold Stokowski, Boston symfonie orkest o.l.v. Pierre Monteux, Philadelphia orkest o.l.v. Eugene Ormandy, Columbia symfonie orkest o.l.v. Igor Stravinsky, Chicago symfonie orkest o.l.v. Seijia Ozawa, Londens symfonie orkest o.l.v. Leonard Brernstein, San Francisco symfonie orkest o.l.v. Michael Tilson Thomas, Philharmonia orkest o.l.v. Esa-Pekka Salonen. Sony 88725-46174-2 (10 cd’s).

 

1940. New York filharmonisch symfonie orkest o.l.v. Igor Stravinsky. Carlton GLRS 107, Dante LYS 271/3. 

 

1946. Concertgebouworkest o.l.v. Eduard van Beinum. Dante LYS 431, Dutton CDK 1206, Beulah 2 PD 11. 

 

1946-2010. “38x de Sacre”: Abbado, Albert, Ansermet 2x Ashkenazy, Bernstein, Boulez, Bychokv, Chailly, Chung, C. Davis, Dutoit, Dorati 3x, Dudamel, Gergiev, Haitink, Karajan 2x, Leinsdorf, Levine, Maazel, Mehta, Monteux 2xOzawa, Rattle, Salonen, Solti 2x, Tilson Thomas. Decca 478.3729 (20 cd’s).

 

1950. Suisse romande orkest o.l.v. Ernest Ansermet. Sanctuary AJC 8554.

 

1951. Boston symfonie orkest o.l.v. Pierre Monteux. RCA 09026-61893-2. 

 

1951. New York filharmonisch orkest o.l.v. Leonard Bernstein. West Hill Radio Archives.

 

1952. RIAS symfonie orkest, Berlijn o.l.v. Igor Markevitch. Audite 95.605.

 

1952. Weens filharmonisch orkest o.l.v. Igor Markevitch. Andante 4080 (3 cd’s).

 

1953. WDR Omroeporkest Keulen o.l.v. Ferenc Fricsay. Medici Arts MM 020-2.

 

1953. Pittsburgh symfonie orkest o.l.v. William Steinberg. EMI 0264.486-2 (20 cd’s).

 

1953. Minneapolis symfonie orkest o.l.v. Antal Dorati. Mercury  , Decca 478.729 (20 cd’s).

 

1953. Omroeporkest Keulen o.l.v. Ferenc Fricsay. Medici Arts MM 020-2.

 

1954. RIAS symfonie orkest o.l.v. Ferenc Fricsay. DG 445.400-2, 477.5485, 447.343-2 (2 cd’s). 

 

1954. Omroeporkest Stuttgart o.l.v. Jascha Horenstein. Vox VOX 7804.

 

1955. Frans Nationaal orkest o.l.v. Pierre Monteux. Music & Arts CD 1182 (8 cd’s).

 

1955. Philadelphia orkest o.l.v. Eugene Ormandy. Pristine Audio PASC 183.

 

1956. Cento Soli orkest o.l.v. Rudolf Albert. Decca 478.3729 (20 cd’s).

 

1957. Suisse romande orkest o.l.v. Ernest Ansermet. Decca 443.467-2 (2 cd’s), 467.818-2 (8 cd’s), 467.820-2, 480.3775 (4 cd’s).

 

1957. Südwestfunk orkest, Baden Baden o.l.v. Jascha Horenstein. Vox 7804.

 

1957. Boston symfonie orkest o.l.v. Pierre Monteux. Guild GHCD 2342.

 

1958. New York filharmonisch orkest o.l.v. Leonard Bernstein. Sony 47629, Urania WS 121.100 (2 cd’s). 

 

1958. Londens symfonie orkest o.l.v. Leon Goossens. Everest EVERCD 007.

 

1959. Minneapolis symfonie orkest o.l.v. Antal Dorati. Mercury 434.331-2, Él ACMEN 220 CD. 

 

1959. Londens symfonie orkest o.l.v. Eugene Goossens. Everest EVC 9002. 

 

1959. Tsjechisch filharmonisch orkest o.l.v. Igor Markevitch. Naïve AN 2150 (4 cd’s).

 

1959. Philharmonia orkest o.l.v. Igor Markevitch. EMI 569.674-2 (2 cd’s), 8.558085/6, Testament SBT 1076, Naxos 8.558085/6.

 

1960. Londens festival orkest o.l.v. René Leibowitz. Chesky 42. 

 

1960. Columbia symfonie orkest o.l.v. Igor Stravinsky. Sony SM3K 46291, MK 42433, MS 6319, 60011, 88888-02047-5, SACD 89062, 88697-710311-2, 88765-44269-2 (2 cd’s).

 

1962. Londens symfonie orkest o.l.v. Igor Markevitch. BBC Legends BBCL 4053-2.

 

1963. Tsjechisch filharmonisch orkest o.l.v. Karel Ancerl. Supraphon 11.1948-2, SU 3665-2. 

 

1963. Frans nationaal orkest o.l.v. Pierre Boulez. Adès 13222-2, 20263-2, Montaigne TCE 8800. 

 

1966. Russisch Staatsorkest o.l.v. Jevgeny Svetlanov. Warner 5101-14507-2, Melodiya MEL CD 100019-2.

 

1956. Parijs’ Conservatorium orkest o.l.v. Pierre Monteux. Decca 475.7798 (7 cd’s).

 

1968. Chicago symfonie orkest o.l.v. Seiji Ozawa. RCA 7432-121298-2, VD 60541, JM-XR 2042.

 

1969. Cleveland orkest o.l.v. Pierre Boulez. Sony 64646, 60694, 88697-56239-2 (4 cd’s), MK 42395, 07464-64109-2.

 

1969. Südwestfunk orkest o.l.v. Ernest Bour. Auvidis E 7800 (4 cd’s). 

 

1972. Londens symfonie orkest o.l.v. Leonard Bernstein. Sony MK 44709, 60694.

 

1972. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Herbert von Karajan. Testament SBT 1453.

 

1973. Londens filharmonisch orkest o.l.v. Bernard Haitink. Philips 438.350-2 (2 cd’s). 

 

1974. Chicago symfonie orkest o.l.v. Georg Solti. Decca 417.704-2, 466.726-2.

 

1975. Londens symfonie orkest o.l.v. Claudio Abbado. DG 415.854-2, 439.433-2, 453.085-2 (2 cd’s). 

 

1975. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Herbert von Karajan. DG 415.979-2, 423.214-2, 429.162-2, 463.613-2. 

 

1975. Weens filharmonisch orkest o.l.v. Lorin Maazel. Belart 461.404-2. 

 

1976. Concertgebouworkest o.l.v. Colin Davis. Philips 416.498-2, 464.744-2 (2 cd’s). 

 

1977. New York filharmonisch orkest o.l.v. Zubin Mehta. Sony 48169. 

 

1977. Engels nationaal jeugdorkest o.l.v. Simon Rattle. ASV CDQS 6031.  

 

1978. Philharmonia orkest o.l.v. Riccardo Muti. EMI 764.516-2. 

 

1980. Cleveland orkest o.l.v. Lorin Maazel. Telarc 80054, 82001.

 

1980. Royal Philharmonic orkest o.l.v. Yuri Temirkanov. RCA 7432.134.176-2. 

 

1981. Detroit symfonie orkest o.l.v. Antal Dorati. Decca 400.084-2, 448.226-2, 478.1773. 

 

1981. Moskou’s omroeporkest o.l.v. Vladimir Fedosejev. JVC VDC 1028, Melodiya VDC 501. 

 

1982. Israel filharmonisch orkest o.l.v. Leonard Bernstein. DG 445.538-2, 477.5193 (6 cd’s). 

 

1982. Toronto symfonie orkest o.l.v. Andrew Davis. Orpheus KSP 809. 

 

1982. Suisse romande orkest o.l.v. Igor Markevitch. Cascavelle VEL 2004.

 

1984. Stuttgarts omroeporkest o.l.v. Luis Antonio Garcia Navarro. Mediaphon JA 75.102.

 

1984. Montréal symfonie orkest o.l.v. Charles Dutoit. Decca 414.202-2.

 

1985. Weens filharmonisch orkest o.l.v. Zubin Mehta. Orfeo  C 5660128.

 

1985. Cleveland orkest o.l.v. Riccardo Chailly. Decca 448.070-2, 478.3028 (7 cd’s). 

 

1987. Londens filharmonisch orkest o.l.v. Charles Mackerras. EMI Eminence EMX 2188.

 

1987. Birmingham symfonie orkest o.l.v. Simon Rattle. EMI 749.636-2, 471.705-2, 566.883-2 (10 cd’s).

 

1987. Londens symfonie orkest o.l.v. Gennadi Rozdestvensky. Nimbus NI 1749 (7 cd’s).

 

1988. Stockholms omroeporkest o.l.v. Sixten Ehrling. BIS CD 400. 

 

1988. Royal philharmonic orkest o.l.v. Yuri Temirkanov. RCA 74321-68020-2.

 

1989. Philharmonia orkest o.l.v. Rafael Frühbeck de Burgos. EMI 569.128-2.

 

1989. Philharmonia orkest o.l.v. Esa-Pekka Salonen. Sony SK 45796.

 

1989. Plovdiv filharmonisch orkest o.l.v. Dobrin Petkov. Laser 24413.

 

1990. Philharmonia orkest o.l.v. Eliahu Inbal. Teldec 0630-18964-2 (2 cd’s).

 

1990. New York filharmonisch orkest o.l.v. Zubin Mehta. Teldec 2292-46420-2, 8573-89095-2.

 

1990. Symfonie orkest van de Staatsomroep o.l.v. Vladimir Fedosejev. Melodiya MEL CD 10.01990 (2 cd’s).

 

1990. Brussels omroeporkest o.l.v. Alexander Rahbari. Naxos 8553.217, 8.550.472, 8.554.060. 

 

1990. Philharmonia orkest o.l.v. Esa-Pekka Salonen. Sony 45796. 

 

1990. Residentie orkest o.l.v. Hans Vonk. Talent DOM 291018.

 

1991. Cleveland orkest o.l.v. Pierre Boulez. DG 435.769-2, 471.741-2. 

 

1991. Duits Symfonie orkest Berlijn o.l.v. Vladimir Ashkenazy. Decca 478.4253.

 

1991. Atlanta symfonie orkest o.l.v. Yoel Levi. Telarc 80226. 

 

1991. Concertgebouworkest o.l.v. Georg Solti. Decca 436.469-2.

 

1992. Radio symfonie orkest Berlijn o.l.v. Vladimir Ashkenazy. Decca  433.829-2, 444.542-2.

 

1992. Bundesjugendorchester o.l.v. Matthias Bamert.  BJO 5004-2.

 

1992. Seattle symfonie orkest o.l.v. Gerard Schwarz. Delos 3100.

 

1992. St. Louis symfonie orkest o.l.v. Felix Slatkin. RCA 09026-60993-2.

 

1992. Dallas symfonie orkest o.l.v. Eduardo Mata. Dorian DOR 90156.

 

1992. Moskou’s omroeporkest o.l.v. Norichika Imori. Emergo EC 3969-2. 

 

1992. Metropolitan Opera orkest New York o.l.v. James Levine. DG 437.531-2, 474.485-2 (4 cd’s). 

 

1993. Oslo filharmonisch orkest o.l.v. Mariss Jansons. EMI 569.841-2.

 

1993. Badische Staatskapel Karlsruhe o.l.v. Günther Neuhold. Bayer BR 100110.

 

1993. Redwood Symphony o.l.v. Kujawsky. Clarity CCD 1005.

 

1993. Praags omroeporkest o.l.v. Vladimir Valek. Praga 250.049. 

 

1994. Suisse romande orkest o.l.v. Neeme Järvi. Chandos 9408. 

 

1994. Philharmonia Slavonica o.l.v. Hanspeter Gmür. Zyx CLS 4136.

 

1994. Bordeaux-Aquitaine nationaal orkest o.l.v. Alain Lombard. Auvidis V 4706. 

 

1995. Londens symfonie orkest o.l.v. Robert Craft. Koch 37359-2. 

 

1995. Londens filharmonisch orkest o.l.v. Charles Mackerras. Classics for pleasure 573.441-2, Brilliant Classics 6243, EMI 098.189-2 (5 cd’s).

 

1995. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Bernard Haitink. Philips 446.698-2. 

 

1996. Royal philharmonic orkest o.l.v. Yuri Simonov. Tring TRP 109. 

 

1996. Rotterdams filharmonisch orkest o.l.v. Valery Gergiev.  Rotterdams filharmonisch orkest RPHO 2008-1 (4 cd’s).

 

1996. San Francisco symfonie orkest o.l.v. Michael Tilson Thomas. RCA 09026-68898-2.

 

1998. Symfonie orkest van de Beierse omroep o.l.v. Lorin Maazel. BR Klassik 900708 (7 cd’s). 

 

1998. Orchestra of St. Luke’s o.l.v. Robert Craft. Music Masters MM 67078-2 (2 cd’s).

 

1998. Minnesota orkest o.l.v. Eiji Oue. Reference Recordings  RR 70.

 

1998. Stuttgarts staatsorkest o.l.v. Lothar Zagrosek. Sony 20041 (8 cd’s), Col Legno WWE 20041 (4 cd’s).

 

1999. Kirov orkest o.l.v. Valery Gergiev. Philips 468.035-2. 

 

2000. Oregon symfonie orkest o.l.v. James DePreist. Delos DE 3278, Resonance CDRSN 3014.

 

2002. Boedapest filharmonisch orkest o.l.v. Rico Saccani. BPO BPOL  1001.

 

2003. Metropolitan Opera orkest, New York o.l.v. James Levine. Met Opera Shop (21 cd’s).

 

2003. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Simon Rattle. Berliner Philharmoniker BPH 0451.

 

2004. Cincinnati symfonie orkest o.l.v. Paavo Järvi. Telarc CD 60615.

 

2004. Junge Deutsche Philharmonie Bremen o.l.v. Peter Eötvös. BMC BMC CD 118.

 

2004. Londens filharmonisch orkest o.l.v. Kent Nagano. Virgin 561.249-2.

 

2004. Omroeporkest Baden-Baden, Freiburg o.l.v. Sylvain Cambreling. Hänssler 93.196.

 

2005. Junge Deutsche Philharmonie o.l.v. Peter Eötvös. Budapest Music Center BMCCD 118.

 

2005. Los Angeles filharmonisch orkest o.l.v. Esa-Pekka Salonen. DG 477.6198.

 

2005. Bambergs symfonie orkest o.l.v. Jonathan Nott. Tudor 7145.

 

2006. Concertgebouworkest o.l.v. Mariss Jansons RCO Live RCO 08002.

 

2006. Bamberg symfonie orkest o.l.v. Jonathan Nott. Tudor TUDOR 7145.

 

2007. Philharmonia orkest o.l.v. Robert Craft. Naxos 8.557508.

 

2008. Jeunesses musicales orkest o.l.v. Josep Vicent, Columna Musica 1 CM 0183.

 

2009. BBC Nationaal orkest, Wales o.l.v. Thierry Fischer. Signum SIGCD 205.

 

2009. Brussels filharmonisch orkest o.l.v. Michel Tabachnik. BPR BPR 004.

 

2010. Simón Bolívar Jeugdorkest o.l.v. Gustavo Dudamel. DG 477.8775.

 

2010. Brussels filharmonisch orkest o.l.v. Michel Tabachnik. Brussel P.O. BPR 004.

 

2010. Monte Carlo filharmonisch orkest o.l.v. Yakov Kreizberg. Monte Carlo Ph. O. OPMC 001 (3 cd’s).

 

2010. Boedapest Festival orkest o.l.v. Iván Fischer. Channel Classics CCS SA 32112.

 

2010. St. Petersburg filharmonisch orkest o.l.v. Joeri Temirkanov. Signum SIGCD 330.

 

2011. Capitole orkest, Toulouse o.l.v. Tugan Sokhiev. Naïve V 5192.

 

2011. Frans Nationaal orkest o.l.v. Daniele Gatti. Sony 88725-44255-2.

 

2012. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Simon Rattle. EMI 723.611-2.

 

2012. Orkest van de Nationale Opéra Parijs o.l.v. Philippe Jordan. Naïve V 5332.

 

2013. Philadelphia orkest o.l.v. Yannick Nézet-Séguin. DG 479.1074.

 

2013. Siècles o.l.v. François-Xavier Roth. Actes Sud P 71585.

 

‘10x de Sacre’. Gedirigeerd door Ansermet, Bernstein, Boulez, Karajan, Monteux (3x), Ormandy, Ozawa, Salonen, Stokowsky, Stravinsky (3x), Svetlanov, Tilson Thomas. Sony 88725-46174-2 (10 cd’s).

 

’38x de Sacre’. Gedirigeerd door Abbado, Albert, Ansermet (2x), Ashkenazy, Van Beinum, Bernstein, Boulez, Bychkov, Chailly, Chung, C. Davis (2x), Dorati (3x), Dutoit, Fricsay, Gergiev, Haitink, Karajan (2x), Leinsdorf, Levine, Maazel, Mehta, Monteux, Ozawa, Rattle (2x), Salonen, Solti en Tilson Thomas + bewerkingen. Decca 478.3729 (20 cd’s).

 

Video

 

1966. Londens symfonie orkest o.l.v. Leonard Bernstein. ICA Classics ICAD 5082 (dvd).

 

1972. Londens symfonie orkest o.l.v. Leonard Bernstein. ICA Classics ICAD 5124 (dvd).

 

1978. Danstheater Wuppertal o.l.v. Pina Bausch. L’Arche 978-2-85181-774 (dvd).

 

1987. Birmingham symfonie orkest o.l.v. Simon Rattle. Arthaus 102.035. 

 

1990. Bolshoi ballet. VAI VAI 4516 (dvd). 

 

1993. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Bernard Haitink. TDK DV-EUC 93 (dvd).

 

1996. San Francisco symfonie orkest o.l.v. Michael Tilson Thomas. San Francisco symphony 21936-0014-9 (dvd).

 

1997. BBC Symfonie orkest o.l.v. Pierre Boulez. Medici Arts 3085238 (dvd).

 

2002. Concertgebouworkest o.l.v. Riccardo Chailly. Q Disc MCCM 97033 (dvd).

 

2003. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Simon Rattle. ArtHaus 100.333.

 

2003. Ballet Leipzig en Gewandhausorkest Leipzig o.l.b

v. Henrik Schäfer c.q. Wolfgang Manz en Rolf Plagge (p) en Giovanni di Palma (dans). Medici Arts 2055728 (dvd).

 

2008. Ballet en orkest van het Mariinsky theater, St. Petersburg o.l.v. Valery Gergiev. Bel Air BAC 041 (dvd).

 

2009. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Simon Rattle. Medici Arts 2057758 (dvd).

 

2011. Capitole orkest, Toulouse o.l.v. Tugan Sokhiev. Naïve V 5192  (dvd).

 

2012. Orkest van de Nationale Opéra, Parijs o.l.v. Philippe Jordan. Naïve V 5332.

 

2012. Orchestre de Paris o.l.v. Paavo Järvi. EPC 05 (dvd).

 

Piano vierhandig

 

2002. Joseph en Anthony Paratore. Cascade 60034 (dvd).

 

Pianoversie

 

1981. Dag Achatz. BIS CD 188.

 

1998. Dickran Atamian. Delos DE 1612.

 

1999. Fazil Say. Teldec 8573-81041-2.

 

2010. Serhiy Salov. Analekta AN 29932.

 

Versie voor 4-handig piano

 

1982. Bernard Job en John-Patrick Millow. Vogue VG 651645004.

 

 

1983. Güher en Süher Pekinel. DG 437.650-2.

 

1992. Vladimir Ashkenazy en Andrei Gavrilov. Decca 433.829-2.

 

1993. Anthony en Joseph Paratore. Koch 31438-2.

 

1995. Benjamin Frith en Peter Hill. Naxos 8.553386.

 

1996. Andrei Vieru en Dan Grigore. Harmonia Mundi HMC 90.1616.

 

1997. Mayumi Kameda en Jean-Jacques Balet. Cypres CYP 1610.

 

1997. Irina Tchermussova en Elisabeth Romanovskya. Arte Nova 7432.51638-2 (2 cd’s).

 

2000. Duo Villarceaux. Thorofon CTH 2437.

 

2001. Peter en Patrik Jablonkski. Altara ALT 1001.

 

2003. Tamriko Siprashvili en Mark Anderson. Nimbus NI 5733.

 

2004. Staatskapel Dresden o.l.v. Otmar Suitner. Berlin Classics BC 3035-2, CCC 0085-2.

 

2005. Pianoduo Bugallo-Williams. Wergo WER 6683-2.

 

2005. Anne Shasby en Richard  McMahon. Chandos 6535.

 

2006. Philip Moore en Simon Crawford-Phillips. Deux-Elles DXL 1081.

 

2006. Andreas Grau en Götz Schumacher. Neos 20805.

 

2006. Nicolaï Petrov en Alexander Ghindin. Melodiya MEL CD 10.01261.

 

2007. Lidija en Sanja Bizjak. Mirare MIR 171.

 

2007. Daniel Nettle en Richard Markham. Netmark NEMACD 800.

 

2009. Malcolm Wilson en Philip Martin. SOMM SOMMCD 098.

 

Pianoduo en slagwerk

 

2010. Duo d”Accord en Eardrum slagwerk duo. Genuin GEN 11195.

 

Versie voor 4 piano’s (Bon)

 

1992. Amsterdams pianokwartet (Sepp Grotenhuis, Maarten Bon, Gerard Bouwhuis, Yoko Abe). Channel Classics 4992.

 

Versie voor pianola

 

1991. Rex Lawson. Musicmasters MM 67138-2, Nimbus NI 2577.

 

Versie voor orgel

 

1993. Bernhard Haas. Fermate 20.009.

 

Versie voor electronica

 

Stefan Goldman. Macro M 10.

 

Jazzversie

 

2013. The bad plus. Sony 88843-02405-2.