KLASSIEKE UITVOERINGEN (1001)
Boekbesprekingen - K

Klassieke uitvoeringen (1001): de meest spraakmakende klassieke opnamen aller tijden. Librero, 960 pagina’s geïllustreerd. ISBN 978-90-5764-890-8, 2007

Zelfs cd verzamelaars, kenners en liefhebbers die weten wat ze willen, die over een behoorlijke repertoirekennis beschikken, voelen zich soms bij het betreden van een goed gesorteerde en ik klassiek repertoire gespecialiseerde cd winkel en geconfronteerd met enige duizenden plaatjes waarvan ettelijke als doublures of meer als verdwaald in het spreekwoordelijke bos waarin de afzonderlijke bomen haast niet meer te onderkennen zijn.

Alleen wie heel bewust tevoren weet wat hij wil en dat desnoods apart moet bestellen, onttrekt zich aan de dilemma’s van het de voor hem of haar ‘de juiste’ kiezen; afluistermogelijkheden hebben vaak beperkingen, vakkundig bekwaam en objectief winkelpersoneel is ook niet altijd bij de hand. 

Een goede gids is dan welkom. Noch de meeste – vaak commercieel getinte, dus over alles jubelende – bladen, noch internet bieden in hun vaak beperkte scope uitkomst. Bovendien drijven die informatiebronnen op een bovenlaag van recente verschijningen, koppelen niet door naar waardevolle vroegere opnamen, verwaarlozen belangrijke historische uitgaven en voeren bij een steeds groeiender repertoiresegment (van barok tot en met laatromantiek) geen tweesporenbeleid door steeds van de traditionele uitvoeringswijze ook het ‘authentieke’ alternatief in de vermelding te betrekken.

Het repertoire is intussen zo omvangrijk en van het ijzeren repertoire bestaan intussen zoveel opnamen – soms meer dan 100 van één werk – dat geen sterveling in staat is om het geheel nog te overzien.

En toch is in die veelheid juist een goede, betrouwbare gids geboden. Een honorabele, eerlijke poging om te gidsen is ook altijd beter dan geen poging. Met alle risico’s van dien.

Het Nederlandse taalgebied is te klein om in boekvorm zo’n gids rendabel te maken. Toch werden van mijn Prisma Disco Digest uit eind 1960 nog enige tienduizenden exemplaren verkocht; de rest belandde bij De Slegte. Het waren andere tijden, inderdaad.

Een terecht verwijt dat ik destijds ook kreeg en dat voor al dit soort gidsen geldt, is dat in onderdelen de inhoud van de gids al verouderd kan zijn (of reeds is) op het moment van verschijnen. En verder dat het telkens ging om de eigenwijze mening van slechts één mannetje.

In het geval van de ‘1001’ wreekt zich nog meer, al is daar sprake van een team beoordelaars.. Het is een aanpassing van het Engelse 1001 Classical Recordings you must hear before you die, een titel die op speelse wijze beter de lading dekt dan de taalkundig ongelukkige Nederlandse titel die ook meteen al een Anglicisme bevat: ‘meest spraakmakende’ i.p.v. ‘spraakmakendste’. Een tweede kwam ik in de inleiding tegen: ‘concerthall’ i.p.v. gewoon ‘concertzaal’. Maar dat is zout op slakken leggen.

De verleidelijk dikke bijbel opent daarna met een titelregister, waarin bijvoorbeeld opvalt dat de pianoconcerten van de meeste componisten wel zijn genummerd, maar de pianosonates van Beethoven en Schubert alleen herkenbaar zijn aan toonaard en opus, c.q. D nummer. Achterin is een index op componistnaam. Toegankelijk is het boek daarmee zeker.

Dan begint het eigenlijke gidsgedeelte, waarbij de muziekgeschiedenis keurig in zeven tijdvakken, te beginnen vóór 1700 en eindigend in het heden (de twintigste eeuw is bij 1951 netjes in tweeën gesplitst). De composities zijn in chronologische ontstaansvolgorde vermeld. Dat heeft als nadeel dat bij componisten die successievelijk veel werken in één genre schreven overzichtelijk alles bij elkaar staat, maar heel gespreid. Een voordeel kan zijn dat men tot bladeren gedwongen onderweg interessant ander moois ontdekt.

Begonnen wordt met de twaalfde eeuwse Carmina burana, de laatste vermelding geldt Julian Andersons Book of hours uit 2004.

Per compositie is al naar gelang het belang van het werk een hele of halve pagina ingeruimd met een thumbnail of grotere hoesafbeelding en bij de bekendste composities bovendien met een kadertje met alternatieve opnamen. Loffelijk streven met steeds een korte omschrijving van het werk in kwestie, gevolgd door een vaak eenregelig commentaar op de uitverkoren opname. Alle waardering intussen voor de gekozen illustraties!

Voor die keuzes is een Angelsaksisch team van achterin het boek vermelde 35 recensenten van naam verantwoordelijk. Interessant gedachte experiment: hoe zou de keuze van componisten en werken er bij een Duits of Frans team hebben uitgezien, of bij een Nederlands? Niet te ontkennen valt namelijk dat de hele gids een Angelsaksische nestgeur verspreidt. Dat blijkt ook uit de in de vertaling aangehouden Engelse spelling van met name Russische componistennamen als Gubaidulina en Mussorgsky. 

Begrijpelijk ook dat een selectie uit de componisten en hun werken moest worden gemaakt. Geen wonder dus dat sommige componisten geheel ontbreken. In de gauwigheid vond ik in het traject A t/m H bijvoorbeeld: Abaco, Abe, Abélard, Adam, Adam de la Halle, Alain, Alkan, Anglebert, Antheil, Arne, Arriaga, Auber, J.C. Bach, Baird, Benda, Berwald, Blacher, Böhm, Bononcini, Bussotti, Campra, Cavallieri, Cererols, G. Charpentier, Chavez, Ciconia, Clementi, Cornelius, Crumb, Crusell, Czerny, Dallapiccola, Danzi, Delalande, Dessau, Devienne, Dittersdorf, Dunstable, Erkel, Flotow, Françaix, Froberger, Fuchs, Gottschalk, Graun, Grigny, Grofé, Hába, Halffter, Hansson, Hartmann, Haubenstock-Ramati en Holliger. Geen groot gemis misschien, maar wel jammer van de belangrijksten. Maar toegegeven: de lijst had eindeloos kunnen worden uitgebreid en ergens moesten grenzen worden bepaald. Een verantwoording waar die dan lagen ontbreekt.

Over de afzonderlijke werkbeschrijvingen met een uitgelichte commentaarstem van meestal een componist veel goed. Ze zijn bondig en terzake. Wie meer wil weten, raadplege maar een componistenbiografie, muziekencyclopedie of muziekgeschiedenisboek of Wikipedia.

Over de uitverkoren opnamen valt te twisten, zoals altijd. Maar ook al bestaan er in de oren van anderen her en der mogelijk aanbevelenswaardiger versies, een miskoop kan men er zelden mee doen. Hoewel….. een kras voorbeeld om het fel mee oneens te zijn is de als enige genoemde voorkeur voor de opname van Karl Richter (Archiv) van Bachs Matthäus Passion uit 1958. Blijkbaar nooit Gardiner, McCreesh en Suzuki gehoord.

 

Tot slot is er nog een nuttige, beperkte verklarende woordenlijst. Alle detailkritiek ten spijt: dit is een heel nuttig, informatief en praktisch bruikbaar naslawerk dat het zou verdienen om de paar jaar een actualisering te krijgen.