WEBER: OUVERTURES; AUFFORDERUNG ZUM TANZ
CD Recensies - W

Weber: Aufforderung zum Tanz op. 65 J. 260; Ouvertures Euryanthe J. 291, Oberon J. 306, Abu Hassan J. 106, Der Freischütz J. 277, Der Beherrscher der Geister J. 122, Peter Schmoll und seine Nachbarn J. 8. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Herbert von Karajan. DG 419.070-2 (56’33”). 1972

 

Weber: Ouvertures Der Beherrscher der Geister J. 122, Peter Schmoll und seine Nachbarn J. 8; Abu Hassan J. 106, Preciosa J. 279, Der Freischütz J. 277, Silvana J. 87, Euryanthe J. 291, Turandot J. 75, Jubel ouverture op. 59, J. 245. WDR Omroeporkest Keulen o.l.v. Howard Griffith. CPO 777.831-2 (69’00”). 2015.

 

Weber: Ouvertures Euryanthe J. 291, Peter Schmoll und seine Nachbarn J. 8, Oberon J. 306, Der Beherrscher der Geister J. 122, Preciosa J. 279, Silvana J. 87, Abu Hassan J. 106, Der Freischütz J. 277, Ouverture en mars uit Turandot J. 75, Jubel-ouverture J. 245. Nieuw Zeelands symfonie orkest o.l.v. Antoni Wit. Naxos 8.570296 (76’16”). 2007

 

Tussen 1799 en 1826 schreef Carl Maria von Weber (1786-1826) tien opera’s waarvan de eerste nooit werd opgevoerd, Das Waldmädchen J. Anh. 1, Rübezahl J 46, Silvana J 87 en Die drei Pintos J. J.Anh. 5 helemaal in vergetelheid zijn geraakt en alleen Der Freischütz, Euryanthe, Oberon en Abu Hassan zijn af en toe nog te zien en te horen. Bij de zestien toneelmuzieken is het al niet anders. Daarvan kregen alleen Turandot J. 75 (en dan vooral dankzij Hindemiths Symfonische Metamorfosen en Preciosa op. 76, J. 279 genade van de tand dest tijds.

Maar gelukkig overleven Webers ouvertures want die vormen lekkere kost,

Webers vroegromantische opera’s  zijn feitelijk altijd rijk aan sfeerschildering en aan geinspireerde melodieën en dat klinkt al bondig door in de bijbehorende geconcentreerde ouvertures. Vaak leidt een langzame inleiding met gesluierd, geheimzinnig karakter tot snelle vivace passages waarin het thematisch materiaal van de daarop volgende opera wordt geïntroduceerd. De ouvertures Oberon, Der Freischütz en Peter Schmoll verlopen op die manier, terwijl Abu Hassan en Der Beherrscher der Geister letterlijk binnenstormen met haast onbeheerste verve. Euryanthe klinkt licht Turks dankzij het belangrijke aandeel van het slagwerk en Beherrscher der Geister bevat middenin een enorme uitbarsting van  de pauken.

Bij Preciosa (1821) is sprake van toneelmuziek bij een stuk van Alexander Wolff, gebaseerd op Cervantes’ Novelas ejemplares met een vleuje Spaanse- en zigeunerinvloed, bij Turandot (Prinzessin von China uit 1809) dito bij Schillers drama en veel bekender door Puccini’s opera eveneens. Logisch dat triangel en bekkens de muziek hier een oosters tintje verlenen. Bij Der Beherrscher der Geister en Jubel gaat het om losse, onafhankelijke concertouvertures. Al deze werken zijn erg goed  georkestreerd. De Jubel ouverture (1818) bevat zelfs wat we nu herkennen als het ‘God save the queen’, maar dat in wezen ‘Heil dir im Siegerkranz’ is dat tussen 1871 en 1940 het officiële volkslied van het Duitse keizerrijk was. Bedoeld was dit voor een jubileumcantate bij het vijftigjarig koningschap van Friedrich August van Saksen; verder is van dat werk niets meer vernomen.

Briljante muziek, die als los concertstuk zeer te genieten is. De hobo en de hoorns hebben een belangrijk aandeel.

Minder bekend, maar daarom juist extra nuttig, zijn de ouvertures Rübezahl over een Silezische berggeest in een Robin Hood rol. Bedoeld voor een onvoltooide opera uit 1805, verzelfstandigd in 1811 en Peter Schmoll.

Peter Schmoll is het werk van een vijftienjarige uit 1802 voor een Singspiel; in 1807 herzag Weber de ouverture en gaf die de ondertitel ‘Grande ouverture à plusieurs instruments’ mee. Eveneens van Singspiel origine is Abu Hassan, met zijn beminde Fatima een figuur uit Duizend en één nacht (1811) en het stuk bezit humor en orkestrale sprankeling, maar geen exotische oosterse effecten.

Voor Silvana (1810) werd materiaal ontleend aan een eerder, verdwenen werk, Waldmärchen en dat werd niet tot een potpourri verwerkt, maar echt als voorspel geconcipieerd.

Omdat Weber niet consequent met een opusnummering werkte, zijn de ouvertures genummerd volgens de catalogus van Friedrich Wilhelm Jähns uit 1871.

De drie hier genoemde cd’s bieden het best mogelijke op dit specifieke gebied qua uitvoering en opname. Er zijn nog meer ouverture opnamen in omloop, maar om diverse redenen worden die van Kuhn (Capriccio 71045), Neeme Järvi (Chandos CHAN 9066), Stein (Decca 476.2745) en Sawaliisch (EMI 575.644-2) minder hoog aangeslagen.