WAGNER: TRISTAN UND ISOLDE
Wagner: Tristan und Isolde. Plácido Domingo (Tristan), Nina Stemme (Isolde), Mihoko Fujimura (Brangäne), René Pape (König Marke), Olaf Bär (Kurwenal), Jared Holt (Melot), Ian Bostridge (schaapherder) e.a. met het Ensemble van Covent Garden, Londen o.l.v. Antonio Pappano. EMI 558.006-2 (3 cd’s, 226’29” + 1 dvd-v). 2004/5 

Eerder al, in gedeelten uit de Ring op EMI 557.242-2 en in gedeelten uit Siegfried en Tristan op EMI 557.004-2, had Domingo een proeve van bekwaamheid afgelegd als Tristanvertolker met hetzelfde orkest en dezelfde dirigent in de concertversie van het tweede tafereel uit de tweede akte, beginnend met ‘O sink hernieder’, maar daar met Violeta Urmana van Brangäne. Gelukkig heeft zijn stem in de loop der tijd weinig of niets aan glans en warmte ingeboet en omdat de sessies in de tijd gespreid waren, treedt ook geen vermoeidheid en vermindering aan kracht op al slikt hij af en toe een woord in. Op het toneel zou Domingo waarschijnlijk niet meer tot deze krachtsinspanning in staat zijn. Loepzuiver mag zijn Duits dan mogelijk niet zijn, hij is wel een poëtische Tristan: heroïsch aan het begin, tragisch, maar ook heroïsch aan het eind van deze opera. In de traditie van deze rol had hij mogelijk idiomatischer kunnen zijn, maar hij vestigt hier een geloofwaardige, overtuigende eigen traditie.

De echte ster hier is echter Nina Stemme, opnieuw een Scandinavische na Flagstad en Nilsson, als Isolde. Ze is geweldig in ieder aspect van haar rol: bij toerbeurt koninklijk, stralend, boos, gefrustreerd, verliefd, sensueel en intriest. Geen wonder dat het liefdesduet tot de hoogtepunten behoort. Ook zij beschikt over een grote, haast klievende stem die ze ook zacht goed weet te gebruiken, maar ze domineert de eveneens nog krachtige Domingo niet. Een andere positieve verrassing is Mihoko Fujimura als Brangäne. Ze beschikt over een vrij lichte, maar bijzonder fraaie sopraan.

Olaf Bär is binnen zekere grenzen een heel goede Kurwenal; hij klinkt soms wat wollig. René Pape een heel goed typerende, waardige König Marke. Opvallend is verder natuurlijk Ian Bostridge als schaapherder: heel fraai. De enige teleurstelling is Villazon als jonge zeeman: hij verliest soms de controle en zijn Duits kan echt niet.

Pappano, langzamerhand een Wagneriaan vol vertrouwen die in Covent Garden al de Ring dirigeerde. Hij kan intussen gelden als een zorgzame, attente Wagnerdirigent die hooguit nog niet een volkomen greep heeft op het horizontale verloop van de muziek. Maar met het Engelse orkest geeft hij een warmbloedige, respectabele verklanking van zowel de lyrische als de dramatische momenten uit het werk. De ‘Liebestod’ is echt het hoogtepunt uit de opera dat het hoort te zijn. Zijn Italiaanse achtergrond draagt waarschijnlijk veel bij aan het heldere, zangerige karakter van de uitvoering. Details komen fraai uit de verf.

Een gouden standaard op Tristangebied werd in 1952 door Furtwängler gevestigd met zijn Londense studio opname (EMI 556.254-2, 585.873-2). De geluidskwaliteit is natuurlijk minder en de bezetting is niet optimaal (zelfs de legendarische Kirsten Flagstad is haar beste tijd voorbij), het orkest is ook wat minder dan dat in Bayreuth voor Böhm, maar dat valt weg tegen de mate aan cohesie en passie die hier wordt getoond.

De broeikassfeer van het werk werd door Böhm (Philips 449.772-2) in zijn in Bayreuth in 1966 gemaakte opname nog beter uitgedrukt. Hij beschikte over Wolfgang Windgassen en Birgit Nilsson op het toppunt van hun kunnen in de titelrollen. De tempi zijn aan de vlotte kant en het orkest speelt met een gloeiend hete intensiteit; bovendien verslapt de spanning geen moment.

Een bijzonderheid is de bonus dvd-v die de nieuwe EMI uitgave vergezelt. Deze bevat het complete werk in een interessante vorm. Tegen een roodachtige achtergrond van een stilstaand zeebeeld met rotsen, water en een schip op afstand ontrolt de gezongen tekst zich als een lichtkrant, compleet met regie aanduidingen. Een nuttige trouvaille die navolging verdient. Een enkele spelfout valt op en de geluidskwaliteit met zijn lichtelijk schuurpapierkarakter is minder dan die van de cd’s, zeker indien beluisterd via de magere TV luidsprekers, maar ook via de muziekinstallatie is van weinig verbetering sprake.

Al met al is dit een fijne aanvulling op de beste, reeds genoemde bestaande opnamen – waaraan ook Karajan (EMI 769.319-2) en Barenboim (Teldec 4509-94568-2) nog mogen worden toegevoegd - maar niet meteen een verbetering daarvan. Waar het namelijk wat aan ontbreekt, is aan de haast metafysieke kracht van een Furtwängler en de geleden opwinding van een Böhm.