WEBER: OBERON
Weber: Oberon J. 306. Steve Davislim (Oberon), Hillevi Martinpelto (Reiza), Marina Comparato (Fatima), Jonas Kaufmann (Sir Huon van Bordeaux), William Dazeley (Sherasmin) e.a. met het Monteverdikoor en het Orchestre révolutionaire et romantique o.l.v. John Eliot Gardiner. Philips 475.6563 (2 cd’s, 122’48”). 2002 

Hoewel in Webers laatste opera Oberon, Titiana en Puck figureren heeft dit werk op basis van een Engels libretto van James Robinson Planché naar het epische gedicht Oberon van Wieland weinig meer te maken met de bekende Midzomernachtsdroom van Shakespeare. Het werk is ook wel een pantomime genoemd en minder eerbiedig een dramatische janboel. Maar dat doet onrecht aan dit verhaal over ridderlijkheid en magie waarin wordt verteld over de liefde van Sir Huon of Bordeaux voor de dochter Rezia  van sultan Haroun al-Rashid, de kalief van Bagdad. De handeling speelt op verschillende locaties, onder andere in Bagdad en Tunis. De overige figuren zijn behalve de elfenkoning Oberon Sir Huons schildknaap Sherasmin, Rezia’s dienstertje Fatima, een paar sirenen, elfen en slaven.

Opvoeringen van het werk zijn sporadisch en eigenlijk alleen de ouverture (die met een hoornsignaal uit sprookjesland begint) en Rezia’s aria uit de tweede akte ‘Ocean, thou mighty monster’. Hier wordt het werk gelukkig in het Engels vertolkt en neemt de dirigent zelf als verteller de verbindende teksten voor zijn rekening. De rollen van Haroun en drie ondergeschikten worden ook alleen sprekend vervuld, maar gelukkig zijn Huon en Rezia als ze spreken niet vervangen door acteurs, zoals dat bij de verder in veel opzichten fraaie uitvoering door Kubelik (DG 419.038-2) uit 1971 het geval was. De oplossing hier is radicaler door de gesproken dialogen te vervangen door de rol van de verteller.

Ster van de uitvoering is Jonas Kaufmann als Huon; Hillevi Martinpelto wat een beetje tegen als Rezia; voor deze rol wenst men zich een Fleming. Bij de overigen valt vooral de Fatima van Marina Comparato positief op. Maar het grote aandeel van het koor en het met ferme, doch lichte hand geleide orkest dat zowel de poëtische als de dramatische kanten van het werk recht doet, zijn haast van doorslaggevende betekenis hier. In die zin èn vanwege het nu eens authentieke Engels is de nieuwe uitgave ook te verkiezen boven die van Janowski (RCA 09026-68505-2) uit 1997 en de (waarschijnlijk niet meer verkrijgbare) van Conlon (EMI 754.739-2) uit 1992.