VERDI: OTELLO, CHUNG, SERAFIN
CD Recensies - V

Verdi: Otello. Plácido Domingo (t), Ceryl Studer (s), Sergei Leiferkus (bs) e.a. met het Ensemble van de Bastille opera, Parijs o.l.v. Myung-Whun Chung. DG 439.805-2 (2 cd’s, 2u. 11’38”). 1993 

 

Verdi: Otello. Jon Vickers (t), Leonie Rysanek (s), Toto Gobbi (bs) e.a. met het Ensemble van de Opera Rome o.l.v. Tullio Serafin. RCA 09026-63180-2 (2 cd’s, 2u. 23’41”).  1960

 

In 1879 begon Verdi te werken aan een opera die gebaseerd zou worden op Shakespeare’s Othello, een taak die langer zou vergen dan normaal want het werk was pas in 1886 klaar, ongeveer zestien jaar na Aida en het toont aan hoezeer Verdi een hoge graad van dramatische inventitviteit had verkregen. 

Deze opera markeert de culminatie van de evolutionaire ontwikkeling van de volmaakt doorgecomponeerde Italiaanse opera (in Duitsland beschikten ze al over Wagner), waarin iedere akte in één continue dramatische vaart verloopt en waarin de samenstellende delen intrinsieke onderdelen van het geheel zijn. Daardoor loopt de handeling gestaag door en wordt deze niet telkens onderbroken, opgehouden.

Zeker verdient de librettist Arrigo Boito ook een deel van dit krediet. Hij immers liet de hele eerste akte uit Shakespeare’s toneelstuk weg om zich meteen te concentreren op een karakteruitbeelding van het centrale trio en zo meer aandacht te geven aan Iago dan bij Shakespeare het geval was. Verdi gebruikte echt een tijdlang Boito om de figuur Iago uit te diepen.

De energieke en met stuwende vaart voortgedreven derde opname van Domingo als Otello betekent dat deze zanger in de jaren zeventig een soort monopolie op deze rol had. Geen wonder dat het een van de beste prestaties uit zijn loopbaan werd, ook al vertonen zijn vocale prestaties licht sleetse plekjes.  Studer zorgt voor een lichte, ietwat broze Desdemona, maar zingt het bekende ‘Wilgenlied’ met ontroerende kwetsbaarheid. De Rus Leiferkus is een sluwe Iago en heel boeiend. Chung laat het orkest magnifiek spelen.

De opname van Serafin werd gemaakt voordat Jon Vickers in de schouwburg als Otello optrad. Maar er is geen sprake van onzekerheid. Hoewel hij over een krachtige tenor beschikt, toont hij zich eerder kwetsbaar dan heldhaftig. Dat maakt het liefdesduet heel ontroerend. Zijn sterfscène is ook waardig. Leonie Rysanek is een haast te grootse, doch ook best kwetsbare Desdemona, maar Gobbi die zijn stemvolume niet spaart, zorgt voor een pakkende, heel boosaardige Iago, vooral in zijn beroemde ‘Credo’.

En mogelijke andere heel goede opnamen? Die komen bijvoorbeeld van Solti (Decca 433.669-2) met Pavarotti, Te Kanawa en Nucci, van Maazel (EMI 358.670-2) met Domingo, Ricciarelli en Diaz; en Karajan (EMI 769.308-2) met Vickers, Freni en Glossop.

Bewonderaars van Gré Brouwenstein kan worden gewezen op een opname waaraan zij meewerkte naast Vinay en Kraus, met Kubelik als dirigent (ROH mono 5001).