VERDI: TRAVIATA, LA, SOLTI, GHIONE, PREVITALI
CD Recensies - V

Verdi: La traviata. Angela Gheorghiu (s), Frank Lopardo (t), Leon Nucci (b), Leah-Marian Jones (ms), Gillian Knight (ms), Robin Leggate (t) e.a. met het Ensemble van Covent Garden, Londen o.l.v. Georg Solti. Decca 448.119-2 (2 cd’s, 2u. 07’04”). 1994

 

Verdi: La traviata. Maria Callas (s), Alfredo Kraus (t), Laura Zanini (ms), Piero de Palma (t), Alvara Malta (b), Maria Cristina de Castro (s) e.a. met het Ensemble van het Nationaal theater San Carlos, Lissabon o.l.v. Franco Ghione. EMI 749.187-8,  556.330-2 (2 cd’s, 2u. 02’17”). 1958

 

Verdi: La traviata. Anna Moffo (s), Richard Tucker (t), Robert Merrill (b), Anna Reynolds (ms), Piero de Palma (t), Franco Calabrese (b) met het Ensemble van de Opera Rome o.l.v. Fernando Previtali. RCA GD 84144 (2 cd’s, 1u 52’41”). 1960

 

Na een paar opera’s met een historische context te hebben geschreven, situeerde Verdi deze opera in zijn eigen tijd. La traviata (De gevallen vrouw) is gebaseerd op La dame aux camélias van Alexandre Dumas jr. over een tuberculose call-girl Violetta die verliefd wordt op Alfredo die helaas uit een hogere klasse komt en die daarmee het ongenoegen van zijn vader Germont uitlokt.

Na de kostuum melodrama’s van Rigoletto en Il trovatore is La traviata een veel intiemere opera die vooral gaat om de interactie tussen deze drie hoofdpersonen tegen een high society achtergrond. Mogelijk is dit momenteel Verdi’s populairste opera, maar in de beginjaren was het een van zijn minst geslaagde werken wat vooral te wijten was aan de ongelukkige eerste bezettingen (inclusief een volkomen ongeloofwaardige Violetta met een absoluut niet halfzieke Violetta) en aan het feit dat de regisseur het werk een achttiende in plaats van een negentiende eeuwse aankleding gaf.

Die rol van Violetta is een van de moeilijkste uit het hele operarepertoire, maar er is vrijwel geen sopraan van naam die zich niet ooit aan een paar van haar treffendste aria’s heeft gewaagd.

Violetta was ook de rol die de internationale reputatie van Gheorghiu vestigde en haar opname uit 1992 laat horen dat dit terecht gebeurde. Net als Callas heeft ze hier niet alleen een geweldige stem, maar ze doet daar zoveel meer mee dan alleen maar zingen. Ze acteert ook met elke stembuiging. Haar Alfredo is een warm getimbreerde Frank Lopardo en Georg Solti geeft een heel vitale en goed gedoseerde verklanking van de orkestpartij.

Callas nam haar Violetta verschillende keren op, waarbij haar ‘live’ optredens als regel te verkiezen zijn boven de studio opnamen, a klinken die meestal wat beter. Ze kruipt helemaal in de huid van Violetta met een zekere intimiteit van dien. Ze is tegelijk naïef en werelds, net zo gevarieerd en tegenstrijdig als Verdi het moet hebben bedoeld en dat in een regenboog aan kleuren. Alfredo Kraus is een waardige Alfredo en Sereni is een kernachtige Giorgio. Ghione schept en fraseert intelligent.

Het is goed ook nog eens te worden herinnerd aan Anna Moffo in haar beste jaren met een gevoelige en kernachtige verpersoonlijking van Violetta. Haar coloraturen zijn feilloos en ze bezit hier een passende frisheid. Op haar best is ze in haar lyrische bijdragen uit de tweede akte tegenover Robert Merrill als Germont père.

Andere waardevolle opnamen zijn er van Callas, Di Stefano, Bastianini met Giulini (EMI 566.450-2) en voor Sutherland fans van haar met Pavarotti, Manuguerra en Bonynge (Decca 430.491-2) plus van Cotrubas, Domingo, Milnes en C. Kleiber (DG 477.077-2).