SCHUBERT: SCHWANENGESANG, GURA

Schubert: Schwanengesang D 957; ‘Willkommen und Abschied’ D767; ‘An den Mond’ (eerste versie) D 259; ‘Schäfers Klagelied’ D 121; ‘An Mignon’ D 161; ‘Sehnsucht’ D 123; ‘Der Musensohn’ D 764. Werner Güra (tenor) en Christoph Berner (piano). Harmonia Mundi HMC 90. 1931 (69’37”) 2007

 

Nog steeds is de non-cyclus Schwanengesang die ooit echt voor de tenorstem was bedoeld dus ten onrechte het domein van baritons met voorop nog steeds Fischer-Dieskau (EMI  566.146-2) in 1962. Een heel verrassende, bewonderenswaardige versie kwam echter uit onvermoede hoek van mezzo Brigitte Fassbänder (DG 429.766-2). Maar gelukkig en zoals het hoort komt tenor Güra met een ‘gewone’ tenorversie en bovendien eentje het begeleiding van een eind negentiende eeuwse Friedrich Ehrbar Weense concertvleugel met bescheiden klankomvang.

Güra treft met zijn fraaie, in alle geledingen egale, vrij lichte stem de wisselende stemmingen van deze minidrama’s en de oorspronkelijkheid van de concepten voortreffelijk. Zelfs de luchtiger liederen krijgen in deze duidelijk directe interpretaties iets heel eigens. Lied na lied klinkt heel geschakeerd en doorleefd. Feitelijk steken de liederen op tekst van Heine duidelijk boven de rest uit, hoewel het steeds weer de moeite waard is. Jammer dat de onbekendere van Seidl  (Herbst D. 945, Der Wanderer an den Mond D 870, Am Fenster D 878 en Bei dir allein D 866/2) hier ontbreken. In plaats daarvan krijgen we zes merendeels overbekende Goetheliederen. Waarvoor overigens ook alle lof voor de uitvoering. Lof ook voor de sympathieke, voortreffelijke begeleiding van  Berner, nu eens volgzaam, dan weer stuwend.

In menig opzicht verdient Güra een ereplaatsje naast de nog wat geschakeerder Peter Schreier met András Schiff (Decca 425.612-2) die tot nu toe primus Inter pares was en die wèl die Seidl liederen inbracht. Niettemin dus alle waardering en een warme aanbeveling voor de nieuwe uitgave.