SCHUBERT: FIERABRAS
CD Recensies - S

Schubert: Fierabras D. 796. Josef Protschka (t), Karita Mattila (s), Robert Holl (bs), Thomas Hampson (b), László Polgár (bs), Cheryl Studer (s), Brigitte Balleys (a), Hartmut Welker B), het Schönbergkoor en Kamerorkest van Europa o.l.v. Claudio Abbado. DG 427.341-2 (2 cd’s, 2u 23’56”). 1988 

 

Het pathetische commentaar dat “Schubert mooiere muziek schreef dan de wereld ooit zal weten” is geleidelijk aan versleten en gecorrigeerd naarmate meer van zijn onbekende werken aan het licht zijn gebracht.

Neem deze opera die in 1823 in Wenen werd besteld, maar die gen gevolge van de Rossini hype, het vertrek van diverse belangrijke Duitstalige zangers en een voortdurende strijd op managers niveau niet werd opgevoerd. Schubert werd er ook niet voor betaald. Het werk bleef ongeveer zestig jaarna Schuberts dood ongemoeid liggen totdat het werd gepubliceerd.

Een reeks verlate opvoeringen in Wenen waaraan deze ‘live’ opname is ontleend, onthullen de muzikale rijkdom van de partituur. Vooral de tweede akte bevat een verrassende reeks van een heerlijk duet voor twee meisjes, een krachtig kwintet tot een koor a cappella met als climax een ontroerende herkenningsscène.

De handeling van een gecompliceerd web van Miiddeleeuwse ridderlijkheid, liefde, eer en oorlog aan het hof van Karel de Grote en een verslagen, maar wraakzuchtige Moorse prins (wiens dochter in het geheim verliefd is op de Frankische ridder Roland en diens zoon Fierrabras op Karels dochter die echter meer een oogje heeft op ridder Eginhard.

Verwikkelingen genoeg om zelfs een ervaren operacomponist voor grote problemen te plaatsen en Schubert, met het libretto van Kupelwieser in de hand doch zonder verdere hulp, maakte er een in lyriek gedrenkt geheel van waarin trouwens wel dramatische momenten voorkomen. Bijvoorbeeld in de redding door de Moorse prins van Roland en zijn mede afgezanten uit de groep vredestichters uit de gevangenis waarin ze waren opgeborgen.

De orkestpartij alleen al is erg mooi en Abbado laat geen kans onbenut om de glans daarvan te onderstrepen. Dat gaat hooguit iets ten koste van de stemmen hoewel de koren goed uit de verf komen. De mooi geïntegreerde bezetting is heel bevredigend. De meeste eer krijgen Karita Mattila als de dochter van Karel de Grote, Josef Protschka als de nobele Moorse prins die bereid is om zich voor haar op te offeren en Robert Gambill als de door schuld gekwelde Eginhard.

Gesproken dialogen zijn weggelaten, maar kunnen in het bijgevoegde boekje wel worden gelezen.