CACCINI, F.: ALCINA; LIEDEREN, SARTORELLI, CECCHI, MERCER
CD Recensies - C

Caccini, F.: La liberazione di Ruggiero dall’isola di Alcina. Elena Biscuola (ms., Alcina), Mauro Borgioni (b, Ruggiero), Gabriela Martellacci (a., Melissa), Francesca Lombardi  Mazzulli (s., Sirene, una damigella), Emanuela Galli (s, Orestes, La dama disincantata), Rafaele Giordani (t) en Yiannis Vassilakis (b., Fiume vistola, Astolfo) met het ensemble Allabastrina en La pifarescha o.l.v. Elena Sartorelli. Glossa GCD 92390-2 (79’10”). 2016

 

Caccini, F.: Maria, dolce Maria: Geestelijke en wereldse liederen. Ch’Amor sia nudo; Io veggio i campi verdeggiar fecondi; O che nuovo stupor; Che t’ho fatt’io; Ciaconna; Dav’io credea le mie speranza vere; O chiome belle; Maria, dolce Maria; Romanesca; Non sò se quel sorriso; Dispiegate guancie amate; Se muove; Lasciatemi qui solo; S’io men vò; O vive rosa; Chi desia di saper. Elena Cecchi Fedi (s) met de Cappella di Santa Maria degli Angiolini o.l.v. Gian Luca Lastraioli. Brilliant Classics 94461 (65’02”). 2012

 

Caccini, F.: O vive rose; Non sò quel sorriso; Rendi alle mie speranza il verde; Io veggio I campi verdeggiar fecondi’ Se muove; Dolce Maria; Lasciatemi’ S’io men vo; Regina celi; Dov’io credea le mie speranza vere; Ch’Amor si nudo; O chiome belle; Io mi distruggo; Te lucis ante terminum; La pastorella; Su le piume de’ venti trionfator; Fresche aurette; Caccini, G.: Quattro cancononi fi mio padre. Shannon Mercer (s), Luc Beauséjour (kl, org), Sylvain Bergeron (git, theorbe), Amanda Keesmaat (vc). Analekta AN 29966 (61’54”). 2009

 

Met een update van Händels opera serie Alcina uit 1735 net achter de rug, is het interessant wat verder in de muziekgeschiedenis terug te gaan tot een eerdere vorm van Alcina van Giulio Caccini’s dochter Francesca (1587-1640): La liberazione di Ruggiero dall’isola di Alcina. Ditmaal als commedia in musica, voor het eerst in 1625 aan het hof van de Medici’s in Florence opgevoerd. 

Deze Francesca Caccini was blijkbaar heel veelzijdig en kunstzinnig, wat behalve dat ze componeerde, speelde ze ook luit, zong ze virtuoos en dichtte ze. Uit dit drietal opnamen blijkt, dat ze best in één adem mag worden genoemd met haar vrouwelijke tijdgenoot collega’s Barbara Strozzi (1619-1677) en de Française Elisabeth Claude Jacquet de la Guerre (ca. 1665-1729).

De publicatie van Suzanne Cusick’s biografie Fancesca Caccini at the Medici court in 2009 heeft vas tbijgedragen aan het feit dat de componiste ineens uit de schaduw van haar vader is tevoorschijn gekomen. Beschreven is met name hoe de componiste zich staande hield in een sterk door mannen gedomineerde wereld.

Het is verrassend hoe de componiste aan het dramatische verhaal over Alcina een vrolijke wending geeft in een snel verlopende commedia in musica die – wat een vooruitziende blik – precies op één cd past. Het door de groothertogin van Toscane, Maria Maddalena van Oostenrijk in opdracht gegeven werk vormt een mijlpaal in de ontwikkeling van de opera uit die periode en is vermoedelijk het eerste door een vrouw geschreven werk in dit genre. Het werd niet alleen in Florence opgevoerd, maar in 1628 als eerste Italiaanse export opera ook in Warschau.

Gelukkig is door de zangers zowel als de kleine groep begeleiders meteen zo goed mogelijk rekening gehouden het de eisen die en muziekhistorisch verantwoorde realisatie stelt. Er zijn hoorbaar specialisten die hun vak goed verstaan aan het werk en dit maakt fdat we kunnen spreken van een over de hele linie geslaagde interessante en belangrijke cd première.

Het gaat in een moeite door om aandacht te besteden aan twee andere cd’s, waarop wereldlijke en geestelijke liederen uit de reeks van tweeëndertig sololiederen en vier duetten voor sopraan en bas uit Caccini’s Il primo libro delle musiche (1618) zijn geregistreerd. Ze zijn opgedragen aan kardinaal Charles de Medici. Het materiaal is opvallend mooi en inventief, zowel in melodisch als in harmonisch opzicht.  Luister bijvoorbeeld maar naar het levendige ‘O vive rose’, het klaaglijke ‘Lasciami qui solo’ en de treffende alleluias uit ‘Regina celi’.

Als intermezzi bevatten beide opnamen ook een paar instrumentale stukken. Zowel Elena Cecchi als Shannon Mercer tonen zich zeer competente vertolkers van dit bescheiden materiaal dat ze wendbaar, vol subtiele expressie, heel natuurlijk en ongekunsteld voordragen. De vaak lange frasen bezorgen hen geen problemen.

De bescheiden gehouden begeleiding van Elena Cecchi wordt verricht door viool., viola da gamba, gitaar, en bij afwisseling luit, theorbe, cither en slagwerk. Bij Mercer is de begeleiding nog simpeler gehouden, maar wel met een belangrijke rol van Amanda Keesmaat in ‘Io veggio i campi verdeggiar fecondi’ en van Luc Beauséjour in ‘Te lucis ante terminum’. 

Een aardige vondst is om te eindigen met de ‘Quattro canzoni di mio padre’, een raadselachtige titel voor deze bijdrage van Giulio Caccini die zelf vier korte eigen liederen bewerkte en de suggestie wekt dat ze van zijn dochter zijn. Ze worden mooi uitgevoerd op een barokgitaar door Sylvain Bergeron.

Fijn dat met deze drie cd’s een nieuwe schatkamer is geopend.