CD Recensies

FRANCK: PRÉLUDE, CHRAL ET FUGUE; PRÉLUDE, ARIA ET FINAL, Wass, NGUCI

Franck: Églogue op. 3; Premier grand caprice op. 5; Les plaintes d’une poupée; Prélude, choral et fugue M. 21; Danse lente M. 22; Prélude aria et final M. 23. Ashley Wass. Naxos 8.554484 (75’58”). 1998 

 

Marie-Ange Nguci: En miroir. Franck: Prélude, aria et final M. 23; Prélude, choral et fugue M. 21; Escaich: Les litanies de l’ombre; Bach/Busoni: Chaconne uit Partita voor soloviool nr. 2 in d BWV. 1004, BV.B 24; Saint-Saëns: ’Toccata’ naar de finale uit Pianoconcert nr. 5 uit Études op. 111/6. Mirare MIR 362 (75’25”). 2016

 

Dat César Franck ooit zijn muzikale loopbaan begon als veelbelovend pianist en dat hij tussen 1834 en 1837 een dertiental werken voor dat instrument schreef, waarvan sommige met orkest, wordt nogal eens over het hoofd gezien. Daaronder bevinden zich duo’s, 3 trio’s, liedbewerkingen van Schubert, Pianostukken en Fantasieën.

Opvallend genoeg is er nog geen enkele integrale opname van Francks pianowerken. Jörg Demus (Nuova Era 6896), Josep Colom (Chant du monde LDC 27811086), Stephen Hough (Hyperion CDA 66918) leverden net als beide hier opgevoerde pianisten bijdragen. Dat het zeker wat Prélude, chorale et fugue en Prélude aria et finale om belangrijke werken gaat, blijkt sinds de dagen van Arthur Rubinstein steeds minder.

Omdat Franck onzorgvuldig omging met zijn opusnummers, bracht Wilhelm Mohr alles netjes in kaart, vandaar de M. of FWV. nummering.

Mooi vloeiend en serieus speelt je tijdens de opname nog jonge Britse pianist Ashley Wass zijn selectie werken. Prélude, aria et   lichten mooi op en final krijgt iets geheimzinnigs. Een kristalhelder Prélude et choral leiden tot een duidelijke, krachtige fuga. Zijn spel heeft spanning. Ook de miniaturen komen er gunstig af.

De jonge française Marie-Ange Nguci beperkt zich tot Franks beide interessante pianowerken en laat ons verder o.a. kennismaken het een substantieel stuk van haar landgenoot componist/organist Thierry Escaich (1965) die in 1990 Litanie de l’ombre componeerde.

Nguci beschikt over alle kwaliteiten om dit recital tot een succes te maken: grote vingervaardigheid, een fijn afgestemde stilistische gevoeligheid en een goed begrip van harmonische en structurele spanningen. Ze reageert op de juiste manier op nuances, de genoteerde zowel als de veronderstelde zonder dat dit ooit de logische muziekstroom hindert. De rust aan het einde van de aria is goed ingeschat.

Die mooie tendensen zette zich voort in de rest van het recital.