KOECHLIN: VERS LA VOÛTE ÉTOILÉE; LE DOCTEUR FABRICIUS
CD Recensies - K

Koechlin: Vers la voûte étoilée op. 129; Le docteur Fabricius op. 202. Christine Simonin (ondes martentot) met het Omroeporkest Stuttgart o.l.v. Heinz Holliger. Hänssler CD 93.106 (63’40”). 2003

De Franse componist Charles Louis Eugène Koechlin (1867 - 1950) was een veelzijdige componist van wie nog veel te ontdekken valt. Hij werd geboren in een welgestelde familie in de Elzas en wilde liefst astronoom worden. Maar op zijn vijftiende begon hij met componeren en in 1890 koos hij definitief voor deze muzikale route.

De neigingen tot nader onderzoek van interessante kwesties en het vrije kunstenaarschap bleven zijn leidraad. Hij begon met een studie aan de École polytechnique, maar maakte die niet af, was korte tijd officier bij de artillerie in 1889 maar studeerde ook in Parijs bij Gedalge, Massenet en Fauré.

Met zijn uitvindersnatuur leerde hij toveren met het orkest en schreef hij in vier delen een Traité de l’orchestration. Het bekendst werd hij met zijn La loi de ja jungle op. 175 naar Rudyard Kipling (Holliger, Hänssler CD 93.045).

De beide werken op deze cd beleven hun première op geluidsdrager. Vers la voûte étoilée is een Nocturne, opgedragen een de herinnering van Camille Flammarion uit 1933, herzien in 1939. Het is een uiting van zijn bewondering voor de sterren aan het firmament die een droomwereld kunnenn oproepen. Het werk heeft dienovereenkomstig een boogstructuur en biedt een exotische klankwereld, maar dreigt na tien minuten wat eentonig te worden. Gelukkig doet Holliger er alles aan om dat te voorkomen. 

Le docteur Fabricius is een Symfonisch gedicht naar de nouvelle van Charles Dollfus uit 1946. Daarin keert de sterrenwereld terug en wordt meer ambitie duidelijk. Het werk begint streng in koraalsfeer als blijk van filosofische desillusie                                                                          , maar ontworstelt zich daar geleidelijk aan en suggereert dan dat de mens steeds moet blijven hopen en dat het firmament bekijken daarbij kan helpen. De Ondes martenot solo suggereert iets van Messiaen die ook iets met sterren had. Na een uitbundig vreugdeblijk keert de muziek terug naar een sfeer van sereniteit.

Holliger weet de knappe orkestratie uit te buiten en Simonin draagt daaraan een mooie solo bij.

Indien deze uitgave bevalt, moet beslist ook worden geluisterd naar La course de printemps op. 95 en Le buisson ardent op. 171/203, ook met Holliger (Hänssler CD 93.045). Dat zijn zo mogelijk nog boeiender composities.