KORNGOLD: ORKESTWERKEN

Korngold: Symfonie in fis op. 40; Thema en variaties op. 42; Straussiana. Noord West Duits filharmonisch orkest o.l.v. Werner Andreas Albert. CPO 999.146-2 (68’). 1991

Korngold: Symfonie in fis op. 40; 4 Einfache Lieder uit op. 9; ‘Glück das mir verblieb’ uit Die tote Stadt. Barbara Hendricks met het Philadelphia orkest o.l.v. Franz Welser-Möst. EMI 556.169-2 (63’). 1995

Korngold: Baby serenade op. 24; Celloconcert op. 37; Symfonische serenade op. 39. Julius Berger met het Noord West Duits filharmonisch orkest o.l.v. Werner Andreas Albert. CPO 999.077-2 (66’). 1991

 

De beide CPO cd’s bundelen enige werken van Korngold die na W.O. II ontstonden toen hij opnieuw trachtte om in Europa een reputatie op te bouwen en om te ontkomen aan het image van louter filmmuziek componist. Vrijwel alle muziek van deze componist bezit dezelfde kenmerken: een virtuoze orkestratie die steeds weer verrast en boeit, een treffend soort lyriek waarin optimisme en spijt in gelijke verhoudingen samengaan (iets wat hij met zijn idool Johann Strauss gemeen had) en een stuwende impuls.

De Baby serenade ontstond als een soort Siegfried Idyll in 1928 bij de geboorte van zijn zoon George. Net als in de opera Die Kathrin komen we onderweg drie saxofoons en een banjo tegen. Meer dan in later werk is hier dus grappig van jazzinvloed sprake.

Het celloconcert is niets meer of minder dan een pastiche van de filmmuziek bij Deception met Bette Davis in de hoofdrol (1946) en daarmee een van Korngolds laatste filmmuzieken. Een sfeervol stuk met slechts ruim een kwartier lengte.

In Straussiana beleed de componist zijn bewondering voor de Weense walsenkoning en ook Thema en variaties zit hecht in elkaar en verdient het eens te worden gehoord.

De Symfonische serenade werd in 1950 door niemand minder dan Furtwängler en het Weens filharmonisch orkest geïntroduceerd, maar blijkt slechts een bleke afspiegeling te zijn van Strauss’ Metamorphosen. Interessanter, maar danig retrogressief van aard, is de symfonie uit 1952. Op een tamelijk bizarre manier zijn hier de klankwerelden van Mahler en een grootschalig Hollywood spektakel verenigd. In het tragische adagio met pakkende climaxen wordt dankbaar gebruik gemaakt van de filmmuziek bij Anthony Adverse. Op CPO houdt Albert een overtuigend, geslaagd pleidooi voor al deze werken en de warm klinkende opnamen zijn zeer geslaagd.

In Philadelphia tapte Welser-Möst uit een ander, wat verfijnder, virtuozer vaatje. Hij brengt meer het symfonische dan het filmische van de muziek naar voren, toont zich heel beheerst en indringend. Barbara Hendricks is op haar bekoorlijkst in vier van de zes Einfache Lieder en geeft als toegift de belangrijkste, mooiste aria uit Die tote Stadt.