KOECHLIN: COURSE DE PRINTEMPS, LE; LE BUISSON ARDENT; VERS LA VOÛTE ÉTOILÉE; LE DOCTEUR FABRICIUS
CD Recensies - K

Koechlin: La course de printemps, La op. 75; Le buisson ardent op. 171 en 203. SWR symfonie orkest Stuttgart o.l.v.Heinz Holliger. Hännsler CD 93.045 (72’00”). 2001

Koechlin: Vers la voûte étoilée; Le docteur Fabricius. Christine Simonin (Ondes Martenot) met het SWR Symfonie orkest o.l.v. Heinz Holliger. Hännsler CD 93.106 (63’44”). 2003

Voordat hij componist werd, wilde Charles Koechlin astronoom worden en ook zijn fascinatie voor de wereld uit Rudyard Kipling’s Junge Book is bekend als drijfveer voor feel van zijn heel persoonlijke, vrij eigenzinnige nog te weinig op cd gedocumenteerde werk.

Dat de componist niet zelden lange creatieve processen doormaakte, blijkt uit het ruim een  half uur durende symfonische gedicht La course du printemps, waaraan hij in 1908 begon, maar dat pas in 1927 af was. Het is het eerste deel van zijn op dat Jungle Book gebaseerde werken waarin het primair gaat om het hervinden van de menselijke beschaving vanuit de genetische herinnering en niet door de pedagogiek. Het jongetje Mowgli wordt immers opgevoed door dieren.

Maar de muziek zelf suggereert niet zozeer dat joch als wel de exotische tropische vochtig-warme junglesfeer met al zijn geheimzinnigheid en onvoorspelbare uitbarstingen van dierlijke energie. De onderliggende sinistere ambiance in de muziek wordt goeddeels gecompenseerd door een bijna Raveliaanse sensualiteit. De orkestratie is haast een wonder zo briljant en persoonlijk dat men enig eclecticisme graag vergeeft.

Op een andere manier keert dit gegeven enigszins terug in Le buisson ardent, ook een symfonisch gedicht waaraan van 1928 tot 1945 is gewerkt en dat is gebaseerd op gedeelten uit de roman Jean-Christophe van Romain Rolland. Daarin gaat het niet om de Bijbelse parabel van het  brandende braambos, maar over het onder moeilijke omstandigheden hervinden van de primitieve scheppingsoerkracht als wedergeboorte. Zo wordt tevens de ontwikkelingsgang van de componist geschilderd. Gepasssioneerd zowel als etherisch.

Vers la voûte étoilée is als orkestwerk niet anders dan de orkestratie uit 1933 van de piano Nocturne in Es. Maar de basis hiervoor werd reeds in 1922 gelegd en een laatste herziening vond in 1939 plaats. Hier wordt nog eens de exotische klankwereld in nachtgewaad getoond, maar is relatief gezien toch een minder belangrijk stuk.

Een filosofisch getinte novelle van Charles Dollfus, een oom van de componist, vormde het uitgangspunt voor het symfonisch gedicht Le docteur Fabricius. Hier werkte  Koechlin van 1941 tot 1944 aan. Het gaat over een bezoek aan de geheimzinnige woning van een nihilistische dokter die als heremiet leeft. De compositie suggereert dat nooit alle menselijke hoop verloren is en eindigt met een blik op de sterrenhemel.

Als dirigent toont hoboïst Holliger veel gevoel te hebben voor deze exotica en hij weet het orkest goed in zijn enthousiasme mee te nemen. De muziek komt heel sfeervol tot klinken.