MAHLER: KLAGENDE LIED, DAS, BOULEZ II
CD Recensies - M

Mahler: Das klagende Lied; Berg: Lulusuite. Resp. Dorothea Röschmann (s), Anna Larson (a), Johan Botha (t) met het koor van de Weense Staatsopera en Anna Prohaska met het Weens filharmonisch orkest o.l.v. Pierre Boulez. DG 477.9891 (64’34”). 2011

 

Deze cd bevat de zaalopname van het openingsconcert van het Salzburg Festival 2011. Eerder werd in deze rubriek aandacht besteed aan vijf opnamen van het Klagende Lied: Boulez (Sony SMK 45841), Rattle (EMI), Chailly (Decca), Tilson Thomas (San Francisco Sy. Orkest) en Van Zweden (Quattro Live).

Het verhaal van Das Klagende Lied betreft een gruwelijk sprookje over een broedermoord. Een minstreel vind één van de beenderen van de vermoorde broer en maakt er een fluit van. Vanzelfsprekend laat de fluit alleen een ‘klagend lied’ horen, over een ridder die door zijn broer vermoord is. Uiteindelijk belandt de fluit in de handen van de moordenaar, die net op het punt staat om in het huwelijk te treden met een koningin. Wanneer de bruidegom de fluit aan zijn lippen plaatst, weerklinkt de beschuldiging: ‘Ach mijn lieve broer, jij was het die mij gedood hebt!’ De bruid valt vervolgens in zwijm, en van het huwelijk komt niets meer terecht. De partituur van deze droevige cantate kwam moeizaam tot stand. 

Boulez’ eerdere opname uit 1970 heeft een curieuze geschiedenis. Hij nam toen de tweedelige herziene versie van de cantate op en vulde met andere solisten het eerste deel dat aanvankelijk door de componist was geschrapt. Het was een nogal prozaïsche vertolking. 

Hier, tijdens het openingsconcert van het Salzburg Festival 2011, kiest hij voor Mahlers kortere, latere versie en laat hij prachtig duidelijk de mooie orkestrale effecten horen. Met eersterangs bijdragen van vooral Dorothea Röschmann en Anna Larsson (als uitstekende vertelster). Nu komen ook de mutaties van de wals beter tot hun recht. Ook Botha levert een pakkende inbreng in zijn beperktere rol.

Wie goed luistert hoort echo’s van Wagner, Bruckner en zelfs van Brahms’ Rinaldo.

Maar haast nog opmerkelijker is het half uurtje Lulusuite van Berg, want de visie van de dirigent heeft in de tussenliggende jaren aan emotionele expressie gewonnen. Hij vindt hier een ideaal evenwicht tussen Bergiaanse strengheid en beeldende kracht. De vrij assertieve, robuuste bijdragen van Anna Prohaska passen mooi in dat concept. Ze zingt het ‘Lied der Lulu’ met de juiste intentie en keert aan het slot terug in het ‘adagio’ met een fragment van gravin Geschwitz.

Van deze combinatie werken is dit een ideale opname.