MAHLER: SYMFONIE NR. 2, CHAILLY, KAPLAN
Mahler: Symfonie nr. 2 in c; Totenfeier. Melanie Diener (sopraan), Petra Lang (mezzosopraan), het Praags filharmonisch koor en het Concertgebouworkest o.l.v. Riccardo Chailly. Decca 470.283-2 (2 cd’s, 111’37”). 2001

Mahler: Symfonie nr. 2 in c. Latonia Moore (sopraan), Nadja Michael (alt) met de Wiener Singverein en het Weens filharmonisch orkest o.l.v. Gilbert Kaplan. DG 474.380-2 (2 cd’s, 85’48”). 2002

 

De Decca uitgave is in zoverre bijzonder dat deze Totenfeier bevat, Mahlers eerste schets voor het begin van de tweede symfonie. Vreemd alleen dat deze aan het eind van de tweede cd is geplaatst en niet aan het begin van de eerste waardoor men een interessante directe vergelijking had kunnen maken tussen de eerste bedoeling en het uiteindelijke resultaat.

Wat volgt is een uiterst helder muzikaal betoog waarnaar het geboeid en aangenaam luisteren is. Maar in tegenstelling tot de manier waarop Chailly het orkest in andere Mahlerwerken ontketent, is het resultaat hier vrij vlak, teveel understatement. Natuurlijk hoeft een Bernstein met soms overdreven aandoende accellerandi en ritardandi, met scherpere overgangen, een royalere dynamiek niet te worden nagedaan, maar iets minder klankschoonheid en iets meer effectbejag was best op zijn plaats geweest. Natuurlijk zijn er ook prachtige momenten – de droomsfeer van het tweede deel, het enge menuet en ook de apotheose van de finale – en zingt Lang op moederlijke wijze Urlicht. Maar in laatste instantie laat de meestal voortreffelijke Chailly ons hier toch wat in de steek. Of waren de verwachtingen te hoog gespannen?

Gilbert Kaplan, een Amerikaans amateur dirigent en gedegen musicoloog heeft zich ooit vastgebeten in de tweede symfonie van Mahler die hij in 1987 al eens in Londen kon opnemen (Conifer 76505-51337-2). Dat was een van groot enthousiasme getuigende verklanking, keurig opgenomen; een verklanking die een bescheiden plekje achteraan op het door Abbado, Jansons, Rattle, Haitink, Chailly en Klemperer al dichtbevolkte erepodium verdiende.

Zoveel jaren later heeft Kaplan intussen in samenwerking met Renate Stark-Voit gezorgd voor een nieuwe kritische uitgave van het werk waarin naar eigen zeggen honderden fouten werden gecorrigeerd. Dat zal best, maar duidelijk hoorbaar wordt dat hier niet. De dirigent had nu de beschikking over een toporkest en een uitstekend koor, maar zijn vocale solisten zijn inferieur vergeleken met Maureen Forrester en Benita Valente die aan zijn eerdere opname meewerkten Dat is een geduchte smet op het resultaat, ook al gaat het maar om een paar beperkte bijdragen. Verder is van pure winst sprake wat het orkestaandeel betreft en Kaplan zorgt voor mooiere overgangen, fraaier uitgewerkte details, maar de winst blijft dus beperkt en Kaplan blijft achteraan achter op dat erepodium, Chailly op de eerste rij vooraan, maar net niet echt op dat podium. Abbado 2, Jansons en Rattle verdienen blijvend de voorkeur.