MAHLER: SYMFONIE NR. 10, CHAILLY, LITTON, OLSEN, RATTLE, SLATKIN

Mahler: Symfonie nr. 10 in fis (versie Deryck Cooke). Radio symfonie orkest Berlijn o.l.v. Riccardo Chailly. Decca 466.955-2 (78’45”). 1986

Mahler: Symfonie nr. 10 in fis (versie Deryck Cooke). Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Simon Rattle. EMI 556.972-2 (77’26”). 1999

Mahler: Symfonie nr. 10 in fis (versie Remo Mazzetti). Saint Louis symfonie orkest o.l.v. Leonard Slatkin. RCA 09026-68190-2 (75’28”). 1994

Mahler: Symfonie nr. 10 in fis (versie Joseph Wheeler). Orkest van de Poolse nationale omroep o.l.v. Robert Olsen. Naxos 8.554811 (79’37”). 2001

Mahler: Symfonie nr. 10 in fis (versie Clinton Carpenter). Dallas symfonie orkest o.l.v. Andrew Litton. Delos DE 3295 (79’12”). 2002

 

Het verhaal rond de onvoltooid nagelaten tiende symfonie van Mahler mag bekend worden verondersteld. In de zomer van 1910 maakte de componist een schets van het materiaal maar die werd niet verder uitgewerkt en bleef als zodanig achter bij zijn dood het jaar daarop. Alle vijf delen van dit werk bezaten een doorlopende muzieklijn en drie daarvan waren wat gedetailleerder ingevuld en deels georkestreerd. Twee delen – het begin Andante-adagio en het derde deel, Purgatorio, werden in 1924 door Krenek en Jokl voor uitvoering geschikt gemaakt en als zodanig torso kwam het werk soms op het concertprogramma. De mooiste uitvoering in deze vorm is die van George Szell met zijn Cleveland orkest uit 1958 (Sony 89415).

Dat was de situatie tot de jaren zestig vorige eeuw toen Deryck Cooke met een ‘performing edition’ van het volledige werk kwam door zorgvuldig en ‘in Mahlers geest’ de passages uit te werken vanuit een enkele melodische lijn. Het vergde de nodige tijd om die versie ingang te doen vinden en nog steeds zijn er belangrijke Mahlervertolkers die weigeren om zich eraan te wagen. In 1966 kwam Cooke nog met een herziene versie die tegenwoordig de gebruikelijkste is.

Maar het is hier zo als met sommige vrijwel op verschillende plaatsen gelijktijdig gedane uitvindingen: er waren kapers op de kust. Bijvoorbeeld Joe Wheeler. Joseph Wheeler (1927-1977) was net als Cooke een Engelsman, maar geen musicoloog: hij was rijksambtenaar, koperblazer, ballroom danser (!) en vrijetijds componist. Hij stortte zich ook op Mahler X en voltooide zijn complete versie ook in 1966. Nog nadrukkelijker dan Cooke beschouwde hij het als zijn opgave om niets uit te breiden of op te sieren, maar om alleen uitvoerbaar te maken wat er al was, waarbij hij zich vooral op de lichtere orkestratie van het Lied von der Erde baseerde. Maar hij springt bijvoorbeeld vrijmoediger om met het slagwerk (de xylofoon die Cooke in zijn definitieve versie wegliet, is hier duidelijk terug bijvoorbeeld).

Vervolgens kwam de Amerikaanse verzekeringsman Clinton Carpenter, geen musicoloog en kennelijk minder gemotiveerde door ‘waarheidsvinding’ die zich misschien wat ongeduldig en onvoldoende geïnformeerd aan speculaties overgaf en meer werd gedreven door de wens tot ‘voltooien’ dan het werk zo goed mogelijk in ere te herstellen. Het is daarom interessant het werk een keertje in deze vorm door Litton te horen spelen, maar – tenzij men Mahler X freak is – deze bijdrage daarna te vergeten

Belangrijker en waardevoller is dan weer wat een andere Amerikaan, Remo Mazetti (1957). Hij doorvorste de twee versies van Cooke en het drietal van Wheeler, stelde zich op de hoogte van hetgeen Carpenter had gedaan en zorgde dat hij alle voorhanden materiaal inclusief een herleiding voor pianoduo in bezit kreeg: in totaal zeven versies. Hij bracht voor Mazzetti wat correcties aan maar toen die deze niet wilde overnemen, besloot hij zijn eigen oplossing te publiceren in 1989.

De opgave om het best mogelijke te maken van Mahlers tiende was (en is) natuurlijk ongelooflijk veel gecompliceerder en moeilijker dan het was om bijvoorbeeld Süßmayr te verbeteren bij Mozarts Requiem wat eervolle pogingen opleverde van Beyer, Maunder, Levin, Druce, Lichtental, Flothuis en Robbins Landon. Of de manier waarop Luciano Berio een beter slot voor Puccini’s Turandot maakte dan het gebruikelijke Franco Alfano.

Voor echt geïnteresseerden is het nuttig en de moeite waard om al die versies eens met elkaar te vergelijken. Een eerlijke vergelijking is alleen niet mogelijk in het geval van de Mahlersymfonie. Dat zou pas lukken als steeds hetzelfde – zo hoogwaardig mogelijke – orkest met dezelfde dirigent in dezelfde ruimte met dezelfde technici had gewerkt. In de bestaande situatie zijn de onderlinge verschillen op al deze essentiële punten dusdanig verschillend dat het echt appels met peren vergelijken wordt. Hoe dan ook: de versie Clinton valt het eerste af. De rest blijft de moeite waard al is intussen wel duidelijk dat de versie Cooke de beste en waardevolste is.

Door de maximaal haalbare speelduur te benutten is het vrijwel altijd gelukt dit werk nu op 1 cd onder te brengen, terwijl daar bij eerste verschijnen van Chailly’s Berlijnse opname in 1988 (Decca 421.182-2) en Rattle’s eerste Engelse vertolking uit 1980 (EMI 747.301-8) twee plaatjes voor nodig waren. Natuurlijk zijn er heel wat meer opnamen van een voltooide versie in omloop: bijvoorbeeld López-Cobos met Mazzetti (Telarc CD 80565), Sanderling met Cooke (Berlin Classics BC 94422).

Opnametechnisch is Decca ietsje in het voordeel met meer detailtekening en een mooiere stereospreiding. Chailly geeft – niet verrassend – het werk wat minder opgepept weer dan Rattle. Natuurlijk zijn er in detail verschillen. Nu eens bevalt de een wat meer, dan de ander wat deels voortspruit uit het feit dat Chailly de Cooke versie 1979 volgt en Rattle de revisie daarvan uit 1989. Uiteindelijk bevredigen beide uitgaven eigenlijk even goed...... Rattle’s uitvoering is ook op dvd-v verschenen (EMI 492.394-9).