CD Recensies

MAHLER: SYMFONIE NR. 7, VAN BEINUM

 

Mahler: Symfonie nr. 7 in e. Concertgebouworkest o.l.v. Eduard van Beinum. GSMN 001 (72’47”). 1958

 

De wonderen zijn de wereld niet uit: noch zijn officiële platenmaatschappijen Decca en Philips, noch de omroep had het materiaal van deze uitvoering 4 juni 1958 bij de hand en het is louter te danken aan Herman Nieman dat het geluidsmateriaal van deze gedenkwaardige uitvoering bewaard is gebleven.

Dat Van Beinum een groot Mahlervertolker was, wisten niet alleen de nu oude bezoekers van het Concertgebouw in de jaren vijftig vorige eeuw al. Gek genoeg is daarvan (te) weinig bestendigd. Daar was de Vierde met Margaret Ritchie uit 1951 op Decca 421.140-2, die daarna vreemd genoeg ontbrak in het album Original Masters (Decca 473.110-2). Ook in het album met 11 cd’s met de radio opnamen van de dirigent (Q-Disc 97015) zal men vergeefs naar Mahler zoeken. Q-Disc bracht echter wel de Derde met Maureen Forrester en het Toonkunstkoor uit in het album MMCCL 97018 en dit werk was ook enige tijd op Tahra verkrijgbaar. Dit label voert nog wel een Zesde uit 1955 (Tahra 614/5).

Philips beschikte ooit over het Lied von der Erde met Nan Marriman en Ernst Häfliger en de Lieder eines fahrenden Gesellen (Philips AL 00410/1, twee mono lp’s uit 1956 die blijkbaar nooit zijn verdoekt).

Intussen moet het bij de nieuwe cd wel gaan om waarschijnlijk de eerste volledige opname ooit van de Zevende. Bij de mono geluidskwaliteit moeten we genoegen nemen met een verre van optimale klankbalans: te zware bassen, te luide trompetten en pauken. Maar wat zou het bij zo’n imposante uitvoering…

Meteen aan het begin van het eerste deel wordt al merkbaar dat we hier met een grootse, meeslepende interpretatie te maken hebben. De tempowisselingen verlopen ideaal, de kleurwerking is prachtig met de maanlicht scène als een der hoogtepunten. De eerste ‘Nachtmusik’ heeft een welkom marskarakter, het ‘Schattenhaft’ krijgt inderdaad wat griezeligs, de serenade een Weens rubato. In de tweede ‘Nachtmusik’ is de sfeer aan de manische kant en de finale loopt nu eens niet uit op een teleurstelling omdat alles zo mooi wordt verbonden. Bewonderenswaardig is de manier waarop Van Beinum de muziek raak karakteriseert.

Dit is typisch een uitgave die eigenlijk nog in menig opzicht maatgevende eigenschappen bezit dat men hem haast verplicht naast de nieuwere, beter klinkende versies van Abbado (DG 445.513-2) en Gergiev (LSO Live LSO 0665) zou moeten bezitten. Interessant is natuurlijk ook wat Haitink in 1969 (Philips 410.399/400) plus 1985 (Philips 464.321, 9 cd’s) en Chailly in 1982 (Decca 444.446-2) van deze symfonie met het Amsterdamse orkest maakten. Boeiend vergelijkingsmateriaal te over dus!