CD Recensies

MONTEVERDI: INCORONAZIONE DI POPPEA, L, GARDINER, JACOBS, HICKOX

Monteverdi: Incoronazione di Poppea, L’. Anne Sofie von Otter (mz), Catherine Bott (s), Sylvia McNair (s), Michael Chance (ct) met de English Baroque Soloists o.l.v. John Eliot Gardiner. Archiv 447.088-2 (3 cd’s, 3u 10’33”). 1993

 

Monteverdi: Incoronazione di Poppea, L’. Danielle Borst (s), Guillemette Laurens (ms), Jennifer Larmore (ms), Axel Köhler (ct), Michael Schopper (bs) met Concerto vocale o.l.v. René Jacobs. Harmonia Mundi HMC 90.1330/2 (3 cd’s, 3u17’03”). 1990

 

Monteverdi: Incoronazione di Poppea, L’. Arleen Augér s), Della Jones (ms), Linda Hirst (ms), James Bowman (alto), Gregory Reinhardt (b) met City of London Sinfonia o.l.v. Richard Hickox. Virgin 561.783-2 (3 cd’s, 3u 14’20”). 1988

 

Monteverdi koos weer een klassiek thema voor zijn laatste en beste opera, maar ditmaal uit de geschiedenis in plaats van uit de mythologie. Het is daarmee de eerste op feiten gebaseerde opera.

De keuze van het onderwerp mag vreemd lijken omdat het werk eindigt met een triomf van het immorele. De Romeinse keizer Nero kiest ervoor om zijn vrouw Ottavia terzijde te schuiven om met zijn nieuwe maîtresse Poppea te trouwen. Wanner zijn leraar, de filosoof Seneca daar kritisch op reageert, wordt hij mee op aandringen van Poppea ter dood gebracht. Ottone, de eerdere geliefde van Poppea wordt door Ottavia gechanteerd om een moordpoging op Poppea te doen. Hij probeert dit door zich te vermommen als Ottavia’s gedienstige Drusilla die op hem is verliefd. Hij faalt, wordt gevangen genomen en verbannen.

Vervolgens scheidt Nero van zijn vrouw en stuurt hij haar in verbanning en aan het eind van de opera genieten Poppea en Nero van hun succes en vieren ze hun liefde voor elkaar in een hoogst sensueel, maar ook zeer ontroerend duet.  

Aan liefdesduetten mankeert het toch al niet in deze opera van Monteverdi uit 1642. Een soort prototype valt te bewonderen in het genoemde duet ‘Pur ti miro’, waarin Poppea en Nero nadat ze letterlijk over lijken zijn gegaan aan het slot – alle moraalvoorstellingen ten spijt zich – ongegeneerd in elkaars armen storten. De componist heeft hun stemmen letterlijk met elkaar vervlochten.

Deze opera heeft verschillende kenmerken waardoor het werk zich onderscheidt van zijn voorgangers, nog los van het feit dat het stuk mogelijk bijdragen van andere componisten bevat. De gegeven orkestratie is aan de karige kant en de muziek wordt door grote contrasten tussen tegenovergestelde gedeelten gekenmerkt. Neem de voorbereidingen van Seneca’s zelfmoord tegenover de badinage van Nero’s decadente strooplikkers. Ook de aria’s zijn langer en prominenter en de diverse figuren zijn duidelijker gekarakteriseerd. Nero zelf komt het duidelijkst uit de verf.

Het tegenwoordige eigenlijk centrale werk van de Venetiaanse school werd in twee versies overgeleverd die beide een probleem hebben: men kent de oorspronkelijke orkestbezetting niet. Opgave voor de uitvoerenden is dus om de partituur behoedzaam in te richten. Vaak wordt ook een combinatie van beide versies gebruikt.

Gardiner presenteert een sterrenbezetting, zelfs in de kleinste rollen. Zijn uitwerking is doelgericht, met uitgesproken sterke, duidelijke karakters. Sylvia McNair is een verleidelijke Poppea, Anne Sofie von Otter een heel ontroerende Ottavia, de bas d’Artegno een waardige Seneca  en Dana Hanchard is een sinistere Nero. Peter Holman voegde nieuwe, mooie ritornelli toe

René Jacobs gaat uit van een klein ensemble met wisselende continuopartij. De beste prestaties levert het Concerto vocale. De zangers hadden wat meer profiel mogen geven aan hun rollen, maar ze zijn verder wel expressief en voldoen  heel redelijk.

Op Virgin is Arleen Augér een teer expressieve Poppea die niet veel weg heeft van de verwachte intrigante. De Nero van Della Jones heeft iets jongensachtigs en Gregory Reinart is met zijn mooi ronde bas een sympathieke Seneca; ook James Bowman is goed als Ottone.

Hickox gebruikt een minimaal bezette begeleiding en kiest voor nogal extreme tempi, meestal aan de lage kant. Zijn bezetting voldoet van de drie mogelijkheden het minst, maar er is wel veel moois te horen want de dirigent zorgt voor veel dramatische intensiteit.

Dit zijn de drie mooiste opnamen van deze opera; ertussen kiezen is niet eenvoudig; uw recensent heeft nog steeds een lichte voorkeur voor Gardiner met iets van de spannende extra sfeer van een zaalopname met een gelukkig koest publiek. 

De oudere opname van Harnoncourt met Donath, Söderström, Berberian, Esswood (Teldec 2292-42547-2) is nu wel achterhaald.