BACEWICZ: STRIJKKWARTETTEN NR. 1-7
CD Recensies - B

Bacewicz: Strijkkwartetten nr. 1, 3, 6 en 7. Lutoslawski kwartet. Naxos 8.572806 (71’04”). 2014

 

Bacewicz: Strijkkwartetten nr. 2, 4 en 5. Lutoslawski kwartet. Naxos 8.572807 (78’14”). 2014

 

Bacewicz: Strijkkwartetten nr. 1-7. Silezisch kwartet. Chandos CHAN 10904 (2 cd’s, 1u. 33’27”).

 

Naast een vijftal vioolsonates schreef Grazyna Bacewicz nog een heel gevarieerd aantal kamermuziekwerken, waarin ze volgens Adrian Thomas ‘een geharder en uitdagender idioom’ toont dan in haar meer op een groot publiek gerichte orkestwerken.

Van haar zeven strijkkwartetten onthult meteen het eerste uit 1938 al een meesterlijke beheersing van de vorm. Maar de mooiste dateren uit de middenperiode van haar loopbaan. Nummer 3, in 1947 in Parijs ontstaan, bezit in de hoekdelen een rusteloze energie, die in het prachtige tweede deel, een andante, wordt doorbroken met een rijk geharmoniseerde klacht waarin een liedachtige melodie klinkt boven een pizzicato begeleiding.

In 1951 won de componiste met het een jaar eerder geschreven vierde kwartet een eerste prijs bij een competitiewedstrijd in Luik. Het is een pakkend, driedelig werk waaruit een krachtige persoonlijke stem spreekt. In het krachtige eerste deel staat een donker sonore muziek tegenover een rapsodische stijl vol overgave. Het andante is opnieuw een diepgevoelig deel dat soms even op de grens van stilstand balanceert, terwijl de componiste zich in de levendige rondo finale op haar luchtigst en geestigst toont.

Met enige overdrijving zou kunnen worden gezegd dat de helaas al op 59-jarige leeftijd gestorven Bacewicz, die zelf ook violiste was, voortzet waar Bartók ophield met de verzoening tussen traditionele vormen en moderne tendensen. In haar sterfjaar 1969 merkte ze nog op: “Een progressieve componist mag zichzelf nooit herhalen”. Aan dat motto bleef ze steeds trouw.

De twee integrale opnamen staan kwalitatief beide op heel hoog niveau. Het belangrijkste verschil blijkt uit de tempokeuze. De Sileziërs zijn minuten eerder klaar dan de Lutoslawski’s, maar ze zijn wel wat mooier, ruimer opgenomen. Ze spelen ook op een wat veerkrachtiger, lichtere manier en ze houden de chronologische volgorde aan.

Het Lutoslawski kwartet dringt soms wat dieper in de materie door en speelt in een gevarieerder stijl die wat gewichtiger is. De waarde die men hecht aan dat soort verschillen moet de uiteindelijke keus bepalen.