CD Recensies

BEETHOVEN: SYMFONIEËN NR. 1-9, NELSONS

Beethoven: Symfonieën nr. 1-9. Camilla Nylund (s), Gerhild Romberger (a), Klaus Florian Vogt (t) en Georg Zeppenfeld (bs) met de Wiener Singverein en het Weens filharmonisch orkest o.l.v. Andris Nelsons. DG 481.7071 (5 cd’s, 5u., 55’42”). 2017/9. 

Met zes opnamen van Beethovens negen symfonieën in de catalogus - Gardiner (1993, Archiv 439.900-2), Karajan (1961/2 DG 429.089-2) en (1982 439.200-2), Bernstein (DG 1980 423.481-2), Abbado Wenen (1988 DG 477.5005, 483.7784) en Abbado Berlijn (2007 DG 469.000-2) - is DG kampioen. En nu wordt daar deze Weense opname van Andris Nelsons aan toegevoegd. Ter gelegenheid van het Beethovenjaar 2020 waarin zijn tweehonderdvijftigste verjaardag wordt herdacht. 

Helemaal nieuw komt de in 1978 geboren Letse dirigent natuurlijk niet tot zo’n Beethovencyclus en in zijn laatste periode als chef van het Birmingham symfonie orkest voerde hij er al een uit, waarvan het de bedoeling is dat deze bij Orfeo verschijnt. 

Zelf zegt hij hierover: ‘In Beethovens symfonieën gaat zoveel vernieuwing, zoveel diepzinnigheid en meer schuil dat ze je stuk voor direct pakken en overweldigen’.

Het is niet zomaar een nieuwe cyclus, want Nelsons weet de werken een met precisie uitgewerkte extra elektriserende lading mee te geven. Alsof hij telkens iets onverwacht briljants tevoorschijn tovert. Nelsons doorstaat de test met vlag en wimpel.

In de Symfonieën nr. 1 en 2 zijn het vooral de hoekdelen waarmee hij indruk maakt. Vooral nr. 1 begint mooi met een wat getemperde explosieve kracht en strakke beginakkoorden. Daarmee is de toon gezet voor een stel jeugdig klinkende interpretaties.

Ook in de Eroica vormen de hoekdelen de glanspunten van een vertolking in één lange adem. Hooguit kan men bezwaar maken tegen de geobjectiveerde epische treurmars die goed met droge ogen is aan te horen. Maar de hoorns in het trio uit het scherzo zorgen weer voor een mooi moment. Neem Symfonie nr. 4 die met een pregnante langzame inleiding vol dramatische verwachtingen begint en wordt gevolgd door een vertolking met veerkrachtige ritmen, volmaakt evenwichtige akkoorden en een fabuleuze precisie in de perpetuum mobile finale.

Van Symfonie nr. 5 is niet exceptioneel, maar wel heel boeiend en heeft eerder iets van natuurkracht dan van een tragisch of door het noodlot bepaald statement. In het eerste deel draait het vooral om de dralende hobosolo die de recapitulatie van het eerste deel onderbreekt en om de geweldig goede overgang van het derde deel naar de finale. Alles klinkt fis en als opnieuw uitgevonden, geen geringe prestatie in zo’n overbekend werk.

In Symfonie nr. 6 komt in de delen waaruit dat het meeste spreekt het pastorale karakter van het weinig heldhaftige landleven in zijn vele aspecten goed tot uiting. De onweersstorm wordt mooi ingeleid door wat regenspetters van de tweede violen en barst dan in een fel fortissimo van koper en pauken uit.

Van Symfonie nr. 7 wordt werkelijk in erg vlotte, soms koortsachtige tempi een apotheose van de dans gemaakt. Maar de muziek blijft gewoon ademen en het contrapunt wordt mooi helder soepel en open gehouden in het allegretto.

Symfonie nr. 8 begint mooi, maar had als geheel misschien wat sprankelender en spiritueler gekund en ook nr. 9 is bijzonder mooi met de delen 1 en 3 als hoogtepunten, de finale begint heel veelbelovend totdat de zangers in het geding komen. Tenor Klaus Florian Vogt zingt zijn inleiding wat onsamenhangend en gehaast, maar in het vervolg weert het viertal zangers zich goed en homogeen en levert het koor een prachtig aandeel.

In sommige opzichten weet Nelsons nog een nieuw licht op Beethoven te werpen en dat is een verdienste op zichzelf die zijn cyclus in het topsegment bij Abbado Berlijn, Karajan ’62, Chailly en Jansons brengt.