FURTOK, BOGUSLAW: CONTRABASCONCERTEN EN -KWARTETTEN
CD Verzamelprogrammas

Boguslaw Furtok: Double bass concerto. Rota: Divertimento concertante; Bloch: Rapsodie Schelomo (bew.); Bruch: Kol nidrei op. 47 (bew.) Met het symfonie orkest van de Hessische omroep Frankfurt o.l.v. Peter Zelienka. Pan Classics PC 10354 (55’19”). 2015

 

Boguslaw Furtok: Contrabas concerten. Bottesini: Contrabasconcerten in fis, nr. 2 in b; Duo voor 2 contrabassen en piano ‘passione amorosa (bew). Met Johannes Stahle en het symfonie orkest van de Hessische omroep Frankfurt o.l.v. Stephan Tetzlaff c.q. Ulrich Edelmann. CPO 999.665-2 (53’14”). 1999 

 

Boguslaw Furtok: The flying basses. Furtok: Stukken voor vier contrabassen nr. 1-4; Contrabaskwartetten nr. 2 en 5. Zuk Records 333      (63’31”). 2010

 

De aard en de toon van de contrabas maken dat het instrument eerder een gelegenheids- en niet een regelmatig solo-instrument is, maar iemand als Bottesini schreef best aardige concerten voor het logge instrument

Als een enthousiaste Rik Stotijn begeeft de Poolse contrabassist Boguslaw Furtok zich niet alleen in Bottesini’s viruozenwerk, maar ontdekte ook het divertimento van Nino Rota, waarmee het aangenaam kennismaken is. Ook de bewerkingen van de bekendere, oorspronkelijk voor cello geschreven stukken van Bloch en Bruch doe het in een dieper klinkende vorm goed. Bij vlagen voldoet het diepere, lagere klankspectrum zelfs beter.

Met zijn collega’s Simon Backhaus, Cristian Braica en Ulrich Franck, waarschijnlijk uit de basgroep van zijn Frankfurtse orkest, nam hij van veel expertise en mogelijkheden gebruik makende eigen stukken op. Het is een genoegen om daarmee nader kennis te maken.

Alle vertolkingen worden met vuur en grote inzet verdedigd en iedere gedachte aan de ondeugdelijkheid van de contrabas als solo-instrument wordt teniet gedaan. Deze cd’s moeten ook de meest sceptische luisteraars daarvan overtuigen.

Misschien ten overvloede: Rik Stotijn maakte ook een fijne opname van Rota’s Divertimento (Channel Classics CCS SA 33613, net als Wies de Boevé (Bella musica BM 31.2428).