LASSUS
 

LASSUS, ORLANDE DE (1532 – 1594): GROOTHEID NAAST PALESTRINA

 

 

 

Orlande de Lassus, Roland de Lassus of Orlando di Lasso zoals de Italianen hem noemen was een tijdgenoot van Palestrina en was net als hij een van de belangrijkste componisten uit de zestiende eeuw. Ze moeten elkaar welhaast hebben gekend want in 1553 volgde Palestrina Lassus op als maestro di cappella aan de kerk van Jan van Lateranen in Rome. Hun respectievelijke loopbanen zijn interessant om te vergelijken.

 

Lassus werd in het thans Belgische Mons (Bergen) in de Franstalige provincie Henegouwen geboren waar hij mogelijk een koorknaap was in de St. Nicolaaskerk, maar er niets om de legende te onderbouwen volgens welke hij door ‘talent scouts’ zou zijn ontvoerd vanwege zijn prachtige stem. Niettemin duikt hij op twaalfjarige leeftijd in Italië op (circa 1544) in de dienst van Ferrante Gonzaga, hertog van Mantua en vicekoning van Sicilië. Hij vergezelt zijn broodheer naar Sicilië en Milaan in de periode van 1546 tot 1549.

 

Hij werkte ook voor Constantino Castrioto in Napels waar hij mogelijk begon te componeren, daarna toog hij naar Rome waar hij zich bij het personeel van de aartsbisschop van Florence voegde en dus op 21-jarige leeftijd werd benoemd tot kapelmeester. Hij bleef daar echter slechts achttien maanden voordat hij terugkeerde naar Bergen en Antwerpen waar in 1555 en 1566 werken publiceerde.

 

Maar kort na zijn terugkeer daar kreeg hij de uitnodiging om de leiding van de hofkapel van de hertog van Beieren, Albrecht V op zich te nemen nadat hij daar als zanger was geëngageerd (1556). Hij trouwde daar ook in 1558 en hoewel hij Rooms Katholiek was kreeg hij dus de leiding over de hofkapel in 1563 en diende hij de hertog en diens opvolger Wilhelm V ruim dertig jaar tot zijn dood. Hij consolideerde zijn positie door veel eigen werk te publiceren en vaak op reis te gaan, met name ook naar Wenen en Italië in de periode 1574-1579. In 1574 werd hij door de paus  tot ridder van het gulden spoor benoemd.

 

Zijn correspondentie met Wilhelm is bewaard gebleven en is geschreven in een mengelmoes van talen en doorspekt met woordspelingen en ondeugende grappen. Hij komt daaruit nar voren als een spiritueel en hartelijk iemand, maar hij had ook een duisterder kant en leed in zijn laatste jaren aan zulke extreme depressies dat zijn componeren vrijwel tot stilstand kwam.

 

Sinds het midden van de zestiende eeuw kwam de uitdrukking musica reservata in zwang; deze was van toepassing op die componisten die er alles in gelegen lag om vooral de betekenis van de teksten die ze op muziek zetten hun volle betekenis te geven. Een tijdgenoot berichtte over Lassus, “dat hij de dingen uit de tekst zo levendig maakte dat ze echt voor ogen verschenen”. Hij maakte onder andere graag gebruik van chromatiek, waarbij het expressiegehalte van de muziek werd verhoogd door noten te gebruiken die buiten de toonaard waarin die muziek was genoteerd te gebruiken. Dat is vooral in zijn liederen en madrigalen te horen. Niet alleen gebruikte hij vrij extreme chromatische middelen, hij had ook een voorkeur voor declamatorische passages. Vooral in zijn vroege werken. Later werd zijn stijl subtieler en kariger.

 

Aan productiviteit ontbrak het Lassus niet; hij schreef ruim tweeduizend werken in destijds vrijwel alle gangbare genres: missen, motetten, psalmen, hymnen, responsorische passies en wereldlijke muziek in het Italiaans, Frans en Duits. De meeste van zijn missen zijn zogenaamde parodiemissen, gebaseerd op motetten, chansons en madrigalen van hemzelf en anderen. Ongewoon is het grote aantal magnificats. Zijn laatste werk, Lagrime di San Pietro bestaat uit een buitengewoon krachtige reeks gewijde madrigalen waarin de strengheid en de intensiteit van de muziek ideaal samengaan met de helder poëtische verbeelding uit de tekst.

 

Zijn motetten omvatten didactische stukken, ceremoniële werken voor bepaalde gelegenheden, stukken op klassieke teksten, soms met een religieus karakter zoals Prophetiae Sibyllarum uit 1600 en verder liturgische items als offertoria, antifonen, psalmen en dergelijke. In Patrocinium musices uit 1573/6 bundelde hij vijf banden geestelijke muziek en na zijn dood gaven zijn zonen Ferdinand en Rudolph in 1604 nog zo’n bundel uit, Magnum opus musicum. Ook zij waren verbonden aan het hof in München.

 

De werken van Lassus werden in zijn tijd al bewonderd vanwege hun technische perfectie, hun schoonheid en hun retorische kracht. In zijn motetten combineerde de componist diverse nationale stijlen: de expressieve Italiaanse melodie, de elegante Franse tekstverwerking en de gedegen Duitse polyfonie. Dat alles verrijkt met Lassus’ verbeeldingsvolle tekstbehandeling.

 

In zijn wereldse muziek toont hij zich een kosmopoliet met een brede smaak. De madrigalen gaan van lichtgewicht villanella’s zoals Matona mia cara tot intens expressieve sonnetten als Occhi, piangete. Bij de chansons treffen we ‘ratelgezang’ zowel als overpeinzende, motetachtige bijdragen aan en ook de Duitse liederen hebben deels een godsdienstig loflied karakter of het gaat om liefdes- en ruige drinkliederen.

 

Zeker is dat Lassus door zijn veelzijdigheid en expressiviteit tot de grootste Renaissancecomponisten behoort.

 

 

 

Selectieve discografie

 

Missa Entre vous filles; Missa Susanne un jour; Infelix ego. Oxford camerata o.l.v. Jeremy Summerly. Naxos 8.550842. 1993

 

Missa bell’amfitrit’altera. Oxford Schola cantorum o.l.v. Jeremy Summerly. Naxos 8.550836. 1993

 

9 Lamentationes hieremiae; Missa pro defunctis; Aurora lucis rutilat; Magnificat over Aurora lucis rutilat; Motetten Christus resurgens; Regina coeli laetare; Surgens Jesus. Pro cantione antiqua o.l.v. Bruno Turner. Hyperion CDD 22012.  1981

 

Lagrime di San Pietro. Ensemble vocal Européen o.l.v. Philippe Herreweghe. Harmonia Mundi HMC 90.1483. 1993

 

Madrigalen. Concerto italiano o.l.v. Rinaldo Alessandrini. Opus 111 OPS 30-94. 1994