LISZT
 

LISZT, FRANZ (1811 – 1886): PIANOVIRTUOOS OPTIMA FORMA EN MINNAAR

 

 

 

De moderne psychiatrie, vooral de Weense school, heeft haast van meet af aan ook zijn scalpels losgelaten op creatieve musici. Zo ontstond een hele literatuur apart over Mozart, Beethoven en Schubert; Tschaikovsky's homoseksualiteit werd meedogenloos blootgelegd, Brahms' levenslange afhankelijkheid van prostituées is niet ontsnapt aan de grondige waarnemingen van de onderzoekers. Aan proefkonijnen geen gebrek. Maar medische referaten over Liszt zijn schaars. Dat is des te verrassender, omdat alleen al zijn destijds gepubliceerde correspondentie met Marie d'Agoult stof genoeg leverde; die brieven onthulden immers Liszt als een man, die sterk in zichzelf was verscheurd.

 

Zijn gedrag was altijd een raadsel, maar er zijn blijkbaar zelden grondige pogingen gedaan om dat op te lossen. Biografen hebben weliswaar zijn gigantische ego geregis­treerd en de lange lijst vrouwen, die hij "veroverde", maar daar bleef het zo ongeveer bij. Ze merken doorgaans op, dat hij een grote Don Juan was en hun toon is half bewonderend, half treurig en grijnzend; Leporello's toon, als hij de catalogus opsomt van de successen, die zijn meester thuis in Spanje had: mille e tre!

 

Maar waarom die "demonische jacht"? Welke redelijke man heeft behoefte aan "duizenddrie"? De Don Juan onder de componisten is zeldzaam. Componeren is zwaar werk, vrouwen jagen kost veel tijd en tijd is het belangrijkste wapen waarover een componist beschikt. Het typische muzikale genie snakt naar warmte en geborgenheid, naar de regelmaat waarvoor een vrouw kan zorgen. Hij heeft haar nodig om voor hem te koken, als praatpaal en om op wacht te staan als de belastinggaarder opdraaft. Als hij gelukkig is, beschikt hij over een maîtresse of twee, maar hij past doorgaans wel op om niet te ver te gaan. Een regelmatige sterrenrol als Don Juan? De gemiddelde componist zou bleek wegtrekken alleen al bij de suggestie.

 

Wat dreef Franz Liszt, what made him tick? Zoekend naar een antwoord leek het raadzaam om plaatsvervangend twee psychiaters te raadplegen, die zijn levensloop kenden. De vraag was: waarom die dwangmatige vrouwenjacht tot op 72-jarige leeftijd? Waarom lijkt het of hij nooit echt van iemand heeft gehouden? Wat bezielde die man? Is het feit, dat deze grote musicus zijn tijd en zijn krachten verdeed met het maken van massa's transcripties van andermans werk terug te voeren op een vreemde speling van het lot? Had hij een fatale fout in zijn emotionele gestel en zo ja kan dat enig licht werpen op het feit, dat hij zoveel holle, steriele muziek naliet?

 

Beide doktoren hadden niet alleen antwoorden paraat, ze waren het ook nog roerend met elkaar eens. Vandaar de volgende duik in de troebele wateren van de post-Freudi­aanse analyse in de gedaante van slechts een hypothese. De eerste Lisztbiografen hebben verzuimd om alle beslissende gegevens over Liszts prilste jeugd en over zijn vader en moeder uit te graven. Maar er blijft een rijke ader met later materiaal over, dat tot een interessante sessie op de bank kan leiden.

 

Om te beginnen wat terminologie. Twee soorten persoonlijkheidstrekken openbaren zich bij Franz Liszt met verrassende duidelijkheid. De eerste is erotomanie ofwel de Don Juan fixatie. De tweede is narcissisme, een nauw verwant fenomeen.

 

Don Juan is het manlijk equivalent van de nymfomaniak en net als bij haar is de sleutel tot haar gesteldheid niet mateloosheid, maar trouweloosheid. Hij is absoluut niet in staat om een echte relatie aan te gaan met een "liefdesobject". Don Juan houdt feitelijk alleen van zichzelf en hij is gewoonlijk een latente homoseksueel. Dat feit verbergt hij echter voor zichzelf door koortsachtig te jagen op overwinningen van het andere geslacht. Zijn liefdes partner heeft weinig voor hem te betekenen; de opgewonden, ononderbroken jacht op de volgende vrouw is alles. Hij koestert een uitgesproken sterke haatliefde jegens zijn moeder. Terwijl zijn zoeken een onbewust verlangen vertegen­woordigt om zijn moeder te bezitten, verhindert de overweldigende schuld van deze obsessie hem om ooit enige echte bevrediging te vinden bij welke vrouw dan ook. Hij wil niet slagen in de liefde, maar verlangt in plaats daarvan naar de noodzakelijke bestraffing om te boeten voor zijn schuld. Daarom kent Don Juan ook helemaal geen jaloezie. Een eenmaal bezeten vrouw heeft verder geen waarde voor hem; hoe eerder hij haar kan verlaten, des te beter.

 

Een vrouw met echte seksuele instincten wordt niet bedrogen door de half vrouwelijke Don Juan. In tegendeel: hij trekt semi manlijke vrouwen aan, wier psychologie past bij die van hun verleider. Vandaar, dat gewoonlijk Don Juan de passieve partner is, in tegenstelling tot de mythe. Hij is degene, die wordt genomen.

 

Afrondend: Don Juans gedrag is infantiel seksueel, verwant met perversie en het is een serieuze karakter neurose. Gewoonlijk komt verleiding tijdens de jeugd of een pathologische aantrekkingskracht van een van de ouders als oorzaak voor in het levensverhaal van dergelijke patiënten.

 

Dat wat Don Juan betreft. Maar we moeten hem ook bezien als nauw verwant met Narcis­sus, met wie hij de karaktertrekken van eigenliefde, een abnormale ijdelheid en een wanhopi­ge behoefte aan voortdurende vleierij gemeen heeft. Ook de narcissist staat dicht aan de grens van homoseksualiteit; hij bewondert vooral zijn eigen voortreffelijke mansbeeld. En net als bij Don Juan is zijn libido binnenwaarts, op zichzelf gericht (dat noemt de wereld zijn ijdelheid) en emotionele bindingen zijn voor hem een onmogelijkheid, ze vallen buiten zijn bereik. Zowel Don Juan als Narcissus zien anderen zuiver als verlengstukken van zichzelf. In het bedrijven van de liefde bewonderen ze allebei hun eigen triomf en prestatie; ze hebben voortdurend behoefte aan nieuw bewijsmateriaal voor hun vermogen om te prikkelen.

 

Terug naar Liszt. Onze held werd in een klein Hongaars dorpje geboren en stond als kind bloot aan cataleptische aanvallen en religieuze extase toestanden. Hij aanbad zijn vader en moeder. In Parijs, waar hij op zestienjarige leeftijd pianolessen gaf om aan de kost te komen, raakte hij prompt verliefd op het eerste meisje, dat hij onderrichtte. Toen dat uit de hand liep, werd hem de deur gewezen door haar vader. Liszt keerde nooit meer terug en vergat het ook nooit.

 

Er waren twee serieuze liaisons in zijn leven. De eerste was met gravin Marie d'Agoult, die de moeder werd van zijn drie illegitieme kinderen (nog eens zes andere onechte kinderen zijn met zekerheid aangetoond). Hij ging met haar aan de haal toen zij dertig was en hij vierentwintig. De aantrekkingskracht van een moederzoon relatie wordt hier al aangeduid. Deze tempera­mentvolle affaire schokte Europa. Marie had blauw bloed en liet haar man en kinderen in de steek om in zonde met slechts een pianist te gaan leven. Rond 1834 was dat niet iets waar lichtvaardig over werd gedacht. Liszt was zich welbewust van het tumult; het lijkt buiten kijf, dat het koren op de molen van zijn narcistische verlangens was.

 

Marie was een kloeke, mooie, vastbesloten vrouw met literaire pretenties. Liszt viel altijd voor vrouwen, die boeken schreven en dure woorden gebruikten; zijn eigen denken was aan de verwarde kant. Zonder te proberen om haar "semi-manlijk" te maken, lijkt het wel duidelijk, dat ze de oogverblindend mooie jonge kunstenaar als haar prijs uitzocht en hem met zich meetroonde. Hij volgde haar maar al te graag. Marie was dominant, haar wil was veel sterker dan de zijne - een situatie, die ze allebei volmaakt uitkwam.

 

Natuurlijk duurde deze idylle niet zo lang. Marie kreeg haar Franz meer en meer door. Ze nam zijn pyrotechnisch geweld op de vleugel waar en zijn genoegen en behoefte aan vrouwen van goede afkomst met fraaie lichamen. Ze leest hem de les; hij toont zich vol berouw en is vervuld van zelfverachting en zweert "nooit meer in de afgrond van de vulgariteit te vallen." Maar zij realiseerde zich "hoe hij niet in staat was om met succes te vechten tegen dat lagere instinct van zijn natuur."

 

Na vier jaar van gepretendeerde berusting in de droom van zijn maîtresse over kunst en liefde en eenzaamheid begon Liszt zich los te maken. Hij ondernam een uitbundig geadverteerde liefdadigheids toernee voor de slachtoffers van de overstroming van de Donau. Marie bleef met de kleintjes thuis.

 

Vanaf dat moment is het Don Juan Leitmotiv van zijn leven hoorbaar: een high society leven, wilde avonturen en opwinding, geweldige bewondering en bosjes vrouwen. Hij schept ongeveer op tegenover Marie over zijn macht over de vrouwen en spelt de namen van de aristocratische gasten, die aan zijn diners deelnemen in blokletters. Later, tijdens een van de meest schreeuwerige muzikale publiciteitsstunts uit de vorige eeuw, kondigt hij in een vrome open brief aan Berlioz aan, dat hij concerten zal geven en alleen wel zal zorgen voor het geld, dat nodig is voor een gepland Beethoven monument in Bonn. Hij nam de vlammende Lola Montez mee naar Bonn, waar ze op de tafel danste tijdens een feestje voor louter mannen. In Hongarije wordt hij als een vorst onthaald en bericht Marie: "Ik bedankte voor de koortsachti­ge jubel van de massa als een koning; drie keer, niet meer en niet minder." Zij kan slechts wanhopen en hem smeken om zich niet verder belachelijk te maken.

 

De relatie sleepte voort en duurde al met al tien jaar. Zijn eigenliefde en zijn vrouwenparade maakte haar witheet van woede. Er bereikten haar berichten over zijn affaires met Georges Sand, de prinses Belgiojoso, de actrice Charlotte de Hagn, de zangeres Caroline Unger, de mooie courtisanes Lola Montez en Marie Duplessis - laatstgenoemde was de beroemde Dame aux camélias, aan wie Dumas een boek en Verdi een opera wijdde. Bitter gingen Marie en Franz uit elkaar. "Ik heb er geen bezwaar tegen om je maîtresse te zijn", schreef Marie hem koeltjes, "maar ik wil niet één van je maîtresses zijn!"

 

De volgende vier jaar van Liszt waren gewijd aan meer concerten en meer vrouwen. En toen, terwijl hij op toernee in Rusland was, ontmoette hij Hare Doorluchtige Hoogheid, de prinses Carolyne von Sayn-Wittgenstein, die gescheiden van haar echtgenoot leefde, 30.000 slaven had en op een groot landgoed leefde. Carolyne was ook een groot denkster, een religieuze maniak en een sigarenrookster. In diverse bronnen is ze omschreven als: "Pools, gedrongen, erg lelijk, zeer wilskrachtig en onaangenaam." Ernest Newman noemde haar "een halfgare blauwkous."

 

Liszt herhaalde zijn spelletje van een zich terugtrekken uit de mondaine wereld terwille van de liefde en de kunst. Carolyne stortte zich in zijn armen en zes maanden later stortte hij zich in drie carrières tegelijk in diverse richtingen en dat met een energie, die een huidige jet-age pianist zou frapperen. Het paar vestigde zich in Weimar "waar de prinses alles bestierde." Wat Liszt, die liefhebber van het schone en de kenner bij uitstek van vrouwenvlees zag in dat onappetijtelijke schepsel is nog steeds onbegrijpelijk - tenzij we het voor de hand liggende beeld van haar als echt moedersurrogaat accepteren. Er zijn voorzichtige hints, dat het om een vrijwel platonische verhouding ging en dat zou veel verklaren. Wat ook intrigerend is, is dat de relatie dertien jaar duurde en dat Liszt gelukkig schijnt te zijn geweest. Als hij niet met mammie hoefde te slapen, hoefde hij zich ook niet schuldig te voelen.

 

Gedurende deze periode leverde hij zijn ongetwijfeld beste werken. Het koortsachtige zoeken van Don Juan werd getemperd. Ma vertelde hem iedere dag wat hij moest doen en hield een toeziend oog op hem. Ze sloot ook welwijselijk haar ogen voor zijn kleine zijsprongetjes en hij keerde steeds vol berouw naar haar terug met de opmerking, dat "het leven een lange zelfmoord" is. Bovendien voldeed moeder Carolyne graag aan zijn absolute wens naar aanbidding. Marie zou daarover haar mooie aristocratische lippen hebben gekruld. Carolyne koesterde veertien bustes van Franz in haar salon en brandde praktisch elke ochtend wierook voor die bustes. Ze overtuigde haar niet onwillige idool om een slot met koor voor zijn Faust symfonie te schrijven, waarmee Franz Liszt moeizaam op de wolken klimt.

 

Natuurlijk kreeg hij genoeg van haar, maar hij was te zwak om te ontsnappen. In feite liet hij zich stuurs overhalen om op zijn vijftigste verjaardag met haar te trouwen. Zijn ontsnapping aan dit wrede lot was slechts mogelijk via een opera buffa intrige, die een Da Ponte waardig zou zijn geweest. Al enige jaren had de prinses hemel en aarde en het Vaticaan bewogen in een poging om een eind te maken aan haar huwelijk met de al lang volkomen van haar vervreemde echtgenoot. Nu was tenslotte alles geregeld. De San Carlo al Corso kerk in Rome was gedecoreerd met bloemen. Liszt en Carolyne brachten de avond vòòr hun aanstaande bruiloft samen biddend op hun knieën door. Om middernacht verscheen een priesterlijke koerier met een boodschap van het Vaticaan: de paus had nog eens van begin af aan naar Carolyne's argumenten voor de ontbinding van haar huwelijk gekeken. De familie van de prins had om een nieuw onderzoek van de zaak gevraagd en hoe zat het met die 30.000 slaven op naam van Carolyne?

 

Liszt kon er tussen uit knijpen en was tenslotte weer zalig alleen met zijn zestig vesten en driehonderdzestig stropdassen. Hij stortte prompt in. Carolyne raakte in een soort shocktoe­stand. Ze sloot zichzelf op in haar Romeinse appartement, pafte haar extragrote krachtige sigaren ijveriger dan ooit en besteedde de rest van haar leven aan een epos in vierentwintig delen: "De inwendige oorzaken van het uiterlijk verval van de kerk."

 

Echt grote componisten worden na hun vijftigste beter. Het is dan immers tijd om te oogsten. Ze ontdekken diepten in hun ziel, waarvan ze vroeger het bestaan niet wisten. Liszt daarente­gen ging haast letterlijk door de hel. Als creatief kunstenaar leek hij te hebben afgedaan, hoewel hij produk­tief bezig bleef. Voor hem moet dat verschrikkelijk zijn geweest; hij moest het een kwart eeuw verdragen. Het heeft tot ver in deze eeuw geduurd voordat men zijn late werken op waarde ging schatten.

 

Pas gedurende de zestiger jaren begon de muziek van de twee jaar oudere schoonvader van Richard Wagner door diens huwelijk met Cosima aan een renaissance. Daarvoor kunnen verschillende redenen worden aangevoerd. Zowel René Leibowitz als Gerhard Nestler zetten zich in woord en geschrift in voor Liszts progressiviteit en Alfred Brendel deed dat manueel en verbaal. Verder had Schönberg al gewezen op de geavanceerde harmoniek van de late Liszt, bijvoorbeeld op de "Vagierenden Akkorde" in Nuages gris en andere stukken. Daaraan voegde Wilfrid Mellers nog toe: "Alleen bij Byron is eenzelfde verbintenis van aristocratische élégance en revolutionaire kracht, van onbevreesde oprechtheid en epaterende virtuositeit te vinden." Dit slechts als terzijde.

 

Zijn lange schemertoestand doorstond hij met alsmaar grotere doses applaus en vrouwen. Daarmee verdrong hij de waarheid, dat hij te kwistig met zijn gaven was omgesprongen of mogelijk die andere waarheid, dat hij niet meer had kunnen geven, een lang gekoesterde tegengestelde opvatting dus.

 

Waarmee we zijn aangekomen bij de farce van zijn gedeeltelijke investering in de abbé Liszt; hij legde bijvoorbeeld nooit de kuisheidsgelofte af. Met het typische gemak van de kunstenaar zette hij het masker van de eenvoudige man Gods op, die afzag van de geneugten des vleses en zich terugtrok in een monnikscel. In feite ging het om appartementen in het Vaticaan of de weelderige Villa d'Este in Tivoli met missen en meditatie tijdens de ochtenduren en cognac en vrouwen 's avonds en 's nachts.

 

Zijn wapenfeiten als Don Juan gingen op topsnelheid verder en deze heerlijke situatie zorgde voor goed materiaal voor een seizoen wulpse grappen in Parijs. Zijn vrouwen droegen nog steeds titels, ze waren rijk of beroemd, liefst alle drie tegelijk. Zoals Parijs spotte, kon men zo ongeveer een kaartje op zijn slaapkamerdeur aantreffen met daarop: "Verboden voor gewone mensen."

 

Het was de periode van zijn beroemde meesterklassen in Weimar. Een menigte studenten, meer entourage dan echte leerlingen, vleide hem elke dag en vleierij vormde zijn alfa en omega. Omringd door adorerende meisjesstudenten kon de ouder wordende Don Juan bijna vergeten. "Zijn persoonlijke aantrekkingskracht was nog immens", noteerde een van die studenten, "en hij vond het heerlijk om achter de piano plaats te nemen en ons te fascineren, terwijl hij met veel genoegen met zijn slachtoffers stoeide."

 

Er verschenen meer namen in de catalogus van Don Juan: een charmante leerlinge, Agnes Klindworth; Madame de Moukhanoff-Kalergis, barones Olga Meyendorff - men gaat er haast naar uitzien, dat Liszt eens het bed indook met een eenvoudige barmeid. Maar daarvan kon geen sprake zijn. Zoals Ernest Newman het uitdrukte: "Liszt verzamelde prinsessen en gravinnen, zoals een andere man zeldzame vlinders of eerste drukken verzamelt."

 

Maar het is twijfelachtig of hij in de vochtig aanbiddende ogen van zijn jonge vrouwelijke leerlingen werkelijk vergat wat voor een pathetisch wrak hij was geworden. Er wordt bericht over een toenemend aantal melancholie aanvallen, over een gevoel van verschrikkelijk falen. Hij was een te schrandere muziekkenner om niet te beseffen, dat de missen en grote koorwerken, die hem nu bezighielden in feite enorme rommel waren. En hij wist precies, wat andere musici van hem dachten. Eerder had Chopin geschreven: "Als ik aan Liszt als creatief kunstenaar denk, verschijnt hij voor mijn ogen met rouge, op stelten en afwisselend fortissi­mo en pianissimo op Jericho trompetten blazend. Als schepper is hij een ezel. Hij weet altijd alles beter, maar hij wil de Parnassus beklimmen via andermans Pegasus. Hij is een uitsteken­de binder, die andermans werk in zijn omslagen bindt.... Ik beweer nogmaals, dat hij een knap vakman is maar zonder een rudiment talent."

 

Hij heeft het nu op jonge vrouwen voorzien en we komen aan het volgeladen drama van zijn tumultueuze affaire met een schone negentienjarige halfbarbaarse kozak - de gravin Olga Janina. Met Olga ontmoette Liszt zijn evenknie. Ze was een wilde boskat, die al op haar vijftiende was uitgehuwelijkt en die haar man na de trouwnacht met de paardenzweep te lijf was gegaan. Liszt had dit jonge schepsel in Rome als leerlinge aangenomen en vrijwel onmiddellijk lag ze in zijn armen, zoals ze zelf in twee boeken uiteenzet (Call me Ferenz).

 

De abbé Liszt reisde openlijk met haar, legde zijn arm in het openbaar rond haar middel om er zeker van te zijn, dat iedereen begreep hoe de situatie was. Maar toen ze haar enorme fortuin verloor, vervloog de belangstelling van Liszt voor haar snel. Toen volgde een heel melodrama, waarin ze uit Amerika terugkeerde om hem te doden: "Mijn hand sloot zich rond de dolk.... één verkeerd woord en hij zou voor eeuwig dood zijn in mijn armen."

 

Net als Marie d'Agoult zag Olga heel duidelijk wat voor vlees ze in de kuip had. "Hij kon niet verdragen, wanneer ieders ogen niet voortdurend op hem waren gericht." Ze schrijft over "zijn liefdes met gewone of oude vrouwen wier titels of maatschappelijke posities, of de weelde van hun huishouding zijn kolossale ijdelheid streelden, zijn grenzeloze ambitie om kost wat het kost onderwerp van gesprek te zijn." Het is in dit verband wel aardig om haar klassieke antwoord te vermelden, toen een kerkelijke hoogwaardigheids- bekleder informeerde, of abbé Liszt voor haar reeds de gepassioneerde allegorische liefdesgedichten uit de bijbel, het hooglied, had geparafraseerd. "Uwe eminentie, de abbé Liszt geeft de voorkeur aan de realiteit", antwoordde gravin Olga Janina.

 

En zo ging het verder. Zelfs in 1883, toen hij tweeënzeventig was, werd zijn naam nog in een schandaal in verband gebracht met één van zijn jonge leerlingen. Pas de dood zelf, op vijfenzeventigjarige leeftijd, maakte definitief een eind aan het rusteloos zoeken van Don Juan.

 

Tijd tenslotte voor wat waarnemingen en conclusies.

 

1. Bijna 1.400 composities en "duizenddrie" vrouwen. De parallel is frappant en significant. Zowel in de muziek als in bed een zinloos, koortsachtig zoeken, een verspilling van zijn libido, een voortdurend, vermoeiend "bewijzen" van zijn viriliteit en potentie als man en componist.

 

2. Zijn fysieke voorkomen toen hij nog de jonge "petit Liszt" was, de lieveling van de Parijse salons. We lezen, dat hij "adembenemend mooi, bijna verwijfd"  was. "Slank, blond, overgevoelig, zwak, treffend mooi." Wie de vele portretten van hem uit die tijd nader bekijkt - met name de beroemde tekening van Ingres - aanschouwt men een haast doorschijnende, enigszins pruilende figuur met de hand in de heup en allesbehalve dominant.

 

3. De aard van zijn "liefdes objecten". Het waren vrijwel alle aristocraten, wat hem veel genoegen deed. Ze zijn duidelijk het verlengstuk van zijn eigenliefde. Bij deze narcissist bepaalde de titel van de vrouw haar sex appeal.

 

4. Zijn liaisons met Marie en Carolyne. We kunnen hen rustig als "half manlijk" beschouwen naar midden negentiende eeuwse normen. Het moederbeeld is duidelijk, bij Carolyne onmiskenbaar. Homoseksuelen spelen nooit mannetje en vrouwtje, maar altijd moeder en kind. Zelfs zijn korte affaires met duidelijk agressieve vrouwen als Lola Montez, Marie Duplessis en Olga Janina, die hem in bed sleurden.

 

5. Als ware Don Juan gedroeg hij zich erg slecht jegens Marie; tegen Olga gedroeg hij zich gewoon als een schoft. We horen of lezen nooit een woord van enigerlei jaloezie van zijn kant waar het vrouwen betreft.

 

6. "Don Juan verlangt naar de noodzakelijke straf om zijn schuld te delgen." Zou het zo kunnen zijn, dat hij zichzelf straft door dwangmatig, in een obsessie 1.400 stukken te schrijven, net zoals hij zichzelf straft door zich geen gewone liefde te schenken?

 

7. Zijn passiviteit is opvallend. Genomen worden door sterkere vrouwen; de indolentie, waarmee hij horden bewonderaarsters en parasieten tolereerde en waarmee hij weigerde onderscheid te maken tussen getalenteerde en ongetalenteerde leerlingen. Von Bülow sprak van "die reeks onkruid." Maar ook de passiviteit, waarmee hij zoveel tijd verdeed met het arrangeren van andermans werk in plaats van zelf creatief te zijn.

 

 

 

Don Juan èn Narcissus

 

Dat is allemaal goed en wel, zal de lezer nu antwoorden. Franz Liszt was een Don Juan en een narcissist. So what? Schubert, Schumann, Chopin, Brahms, Tschaikovsky en Moessorgs­ky plus zoveel anderen hadden ook hun zwakke punten en toch waren het genieën. We horen telkens weer, dat de meeste genieën neurotisch zijn, dat dit onvermijdelijk, ja zelfs gezond voor hen is. Waarom geldt dat dan niet voor Liszt?

 

Vanwege het narcistische risico. De eersterangs kunstenaar onder de narcissisten is vrijwel onbekend. Zijn kunst is slechts een oppervlakkige afspiegeling van een oppervlakkig iemand. Degenen, die zich overgeven aan eigenliefde gaan maar al te vaak te gronde als kunstenaar. Componeren is geven. Liszt kon maar moeilijk geven - zijn muziek was voor een groot deel een exhibitionistisch verlengstuk van zijn eigenliefde. Narcissus is - een paar uitzonderingen niet te na gesproken - absoluut niet in staat om kunst te scheppen. Hij heeft ook nauwelijks het vermogen of de oprechtheid om dat te doen.

 

 

 

Coda

 

Don Juan, glinsterend in goud, brokaat en zijde schrijdt het toneel op en domineert alles en iedereen. Een minachtende, trotse verschijning. Intussen weten we beter en kunnen we lachen om zijn uitdagende slechtheid. We weten, dat hij geen heldhaftige verleider is, maar een pathetische ruïne van een man die is gedoemd tot een koortsachtige zoektocht naar het onbereikbare: een andere vrouw, een nieuwe compositie. Don Juan is de man die zoekt omdat hij niet heeft; hij is ook de man die niet is.

 

Maar laten we hem niet te zwaar vallen. Hij fascineert ons, hij behaagt en ontroert ons, hij is springlevend en alle figuren om hem heen komen ook tot leven dankzij hem vanwege zijn belangstelling voor hen. Bedenk, dat Donna Anna ook geen haast had om met Don Ottavio te trouwen. Don Juan leeft voor altijd. Mille e tre!

 

 

 

Selectieve discografie

 

Het is ondoenlijk en vrij zinloos om hier alle aanbevelenswaardige Lisztopnamen op te sommen. In wijze zelfbeperking volgt slechts een aantal per genre maatgevende opnamen.

 

Faust symfonie. Hans-Peter Blochwitz, het Groot omroepkoor en het Concertgebouworkest o.l.v. Riccardo Chailly. Decca 436.359-2.

 

De complete symfonische gedichten. Londens filharmonisch orkest o.l.v. Bernard Haitink. Philips 438.751-2 en 438.754-2 (4 cd’s).

 

Mazeppa; Les Préludes; Prometheus; Tasso, lamento e trionfo. Pools omroeporkest Katowice o.l.v. Michael Halász. Naxos 8.550487.

 

Fantasie over Hongaarse volksmelodieën; Hongaarse rapsodieën no. 2 en 5; Mephistowals. Shura Cherkassky met het Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Herbert von Karajan. DG 419.862-2.

 

Hongaarse rapsodieën no. 1-6; Enesco: Roemeense rapsodie no. 1. Londens symfonie orkest o.l.v. Antal Dorati. Mercury 432.015-2.

 

Pianoconcerten no. 1 en 2; Totentanz. Krystian Zimerman met het Boston symfonie orkest o.l.v. Seiji Ozawa. DG 423.571-2.

 

Pianoconcerten no. 1 en 2; Beethoven: Pianosonates no. 10, 19 en 20. Sviatoslav Richter met het Londens symfonie orkest o.l.v. Kyril Kondrashin. Philips 464.710-2.

 

Hongaarse rapsodieën no. 1-15; Rapsodie espagnole. György Cziffra. EMI 769.428-2 (2 cd's).

 

Pianosonate; Nuages gris; La notte; La lugubre gondola II; Harmonies poétiques et religieuses no. 7; Funérailles. Krystian Zimerman. DG 431.780-2.

 

Liszt: Pianosonate; Nuages gris; Unstern: sinistre, disastro; La lugubre gondola; R.W. - Venezia. Maurizio Pollini. DG 427.322-2.

 

Pianosonate; Années de pèlerinage 2e jaar; Après une lecture de Dante (Dantesonate); Harmonies poétiques et religieuses; Invocation; La lugubre gondola no. 1 en 2. Alfred Brendel. Philips 432.048-2

 

Années de pèlerinage 1e en 2e jaar. Jorge Bolet. Decca 410.160/1-2.

 

Années de pèlerinage, 3e jaar. Zoltan Kocsis. Philips 420.174-2.

 

Etudes d'exécution transcendante. Claudio Arrau. Philips 416.458-2.

 

Transcripties (Concertparafrases) van Schubertliederen. Jorge Bolet. Decca 414.575-2.

 

Orgelwerken. Jane Parker-Smith. Collins 1249-2

 

Liederen. Mitsuko Shirai en Hartmut Höll. Capriccio 10.294.

 

Missa choralis; Via crucis. Solisten met het Parijs' Vocaal ensemble o.l.v. Jean Sourisse. Erato 2292-45350-2.