SMYTH
componisten portretten

SMYTH, ETHEL (1858 – 1944): EEN EERSTE FEMINISTISCHE COMPONIST

 

De generaalsdochter Ethyl Smyth moet een buitengewoon iemand zijn geweest. Ze besloot om zich koste wat kost aan de muziek te wijden hoewel dat in het Engeland uit die tijd zeker niet populair was, een beroepscarrière op zichzelf al niet en als componiste helemaal niet. Na een paar stevige gevechten met haar behoudende ouders ging ze in Leipzig muziek studeren en begon haar unladylike gevecht om erkenning dat ze tenslotte won. Dankzij composities en uitvoeringen van haar vitale werk.

Haar eerste werken – kamermuziek en liederen – ontstonden daar en werden er ook voor het eerst uitgevoerd. Die werken vertonen nog een duidelijk Duitse inslag. De meeste kamermuziek dateert derhalve uit haar Leipzigse tijd uit de jaren 1880. Het beste werk in dit genre is wel het Brahmsachtige strijkkwintet (1883), een welsprekend, breed opgezet werk met een fraai langzaam deel. Op de tweede plaats komt de imposante, vierdelige vioolsonate (1887) waarover een tijdgenoot kritisch opmerkte dat het ontbrak aan: “de specifiek vrouwelijke charme die men van een vrouwelijke componist had mogen verwachten”.

Het dramatische en veel persoonlijker strijkkwartet is een van haar betere kamermuziekwerken die na de Leipzigse periode ontstonden. De eerste twee delen ontstonden in 1902, maar klonken pas in 1912 voor het eerst toen ze werden uitgevoerd tijdens een concert van de Society of Women Musicians. Smyth besloot toen om het werk te voltooien door de toevoeging van twee meer delen, een expressief andante en een exuberante contrapuntische finale.

Bij haar terugkeer in Engeland werden ook daar een paar orkestwerken met succes gespeeld, net als haar pakkende Mis uit 1891. Omdat de enige opname van haar later geschreven The wreckers niet meer verkrijgbaar is, blijft deze mis als zo ongeveer enig grootschalig werk van de componiste op cd over. Ze was toen erg geboeid door de devote katholiek Pauline Trevelyan. Op aandringen en met hulp van aristocratische vrienden, waaronder keizerin Eugénie, de weduwe van Napoléon III kon het werk in 1903 worden uitgevoerd.

Het publiek en de meeste critici waren positief onder de indruk: “Dit werk geeft de componist een plaats onder de belangrijkste toondichters van nu”, schreef de (manlijke) criticus van The Times die verder ging met de vaststelling dat het verrassendste aspect van het werk was “een volkomen afwezigheid van de kwaliteiten die meestal worden geassocieerd met vrouwelijke werken.” Geroemd werden “de viriele, meesterlijke bouw en het vakmanschap en bovendien de opvallend rijke kleuren van de orkestratie.”

Toch duurde het tot 1924 voordat het werk een tweede uitvoering kreeg, maar dat doet niets af aan de kwaliteiten van het pakkende werk dat somber begint en in het ‘Gloria’ blij eindigt.

Zoals hier al bleek, had Smyth grote moeite concertinstellingen en dirigenten te overtuigen om dergelijk grootschalig werk van haar op het repertoire te nemen. Men achtte het onmogelijk dat een vrouw dergelijke complexe composities tot een goed einde kon brengen; ze waren eerder voorbestemd om liedjes en pianomuziek op salonniveau te schrijven. Ook toen haar orkestwerken, zoals de Serenade en de ouverture Anthony and Cleopatra (beide uit 1898) voor het eerst in Londen werden gespeeld, toonden verschillende critici zich verrast dat deze dramatische en krachtige stukken door een vrouw waren geschreven.

De Serenade is een tamelijk omvangrijk, vierdelig werk met echt symfonische proporties en dus nogal verrassend als eerste orkestwerk. Smyth schreef geen andere zuivere orkestwerken tot het Concert voor viool, hoorn en orkest uit 1927, hoewel sommige puur orkestrale tussenspelen uit haar opera’s (zoals On the cliffs of Cornwall uit The wreckers) wel op enige populariteit in de concertzaal konden bogen.

Dat concert is overigens een kostelijk werk met een doorleefd langzaam deel en momenten van puur plezier als het ongewone koppel solo instrumenten zich met een reeks aardige thema’s van het orkest afzet.

Niet afgeschrikt door verwaarlozing wendde ze zich tot de opera, het meest complexe genre, hoewel destijds een opera in Engeland toch al weinig kans had. Geen wonder dat haar eerste drie opera’s, Fantasio (1892/4), Der Wald (1899-1901) en The wreckers (1906) voor het eerst in Duitsland werden opgevoerd.

Smyth wijdde twee jaar aan de miltante suffragette campagne en ging een paar weken de gevangenis in omdat ze een steen had gegooid door het raam van de minister van koloniezaken. In de Holloway gevangenis schreef ze haar waarschijnlijk bekendste werk, het meeslepende suffragettelied March of the women dat door de gevangen suffragettes op de luchtplaats werd gezongen, gedirigeerd door de componiste vanachter haar tralievenster met een tandenborstel als dirigeerstokje.

Na haar ontslag daar schreef Smyth The boatswain’s mate (1913-1914), een komische opera met een uitgesproken feministisch thema – Mrs. Waters, de wilskrachtige heldin, overtroeft telkens een bazelende minnaar die uit alle macht wil aantonen dat ze een man nodig heeft om haar te beschermen. Smyth schreef nog twee andere opera’s, Fête galante (1922) een neoklassieke ‘dansdroom’ die in de achttiende eeuw speelt, een andere komische opera, Entente cordiale (1925).

Werken in andere vormen omvatten het levendige a cappella koor Hey Nonny No (1911). De prachtige orkestliederen Three moods of the sea (1913) en The prison (1930), een intens werk voor solisten, koor en orkest. Smyth realiseerde zich dat haar gehoororgaan slechter werd in de jaren 1910 en hoewel ze daarna dus nog wel componeerde, concentreerde ze zich in haar latere leven op het schrijven van tien bundels essays en mémoires waarin ze haar visie op tal van onderwerpen neerlegde: van de vrouwelijke creativiteit via golf tot schaapshonden.

 

 

Selectieve discografie

Serenade; Concert voor viool, hoorn en orkest. Sophie Langdon en Richard Watkins met het BBC filharmonisch orkest o.l.v. Odaline de la Martinez. Chandos CHAN 9449.

Strijkkwintet; Strijkkwartet. Mannheim strijkkwartet met Joachim Griesheimer. CPO CPO 999.352-2.

Mis in D; The march of the women; What if I were young again. Eiddwen Harrhy met het Plymouth festival koor en –orkest o.l.v. Philip Brunelle. EMI 567.426-2.