BEETHOVEN: FIDELIO, VON DOHNANYI

Beethoven: Fidelio op.72. Gabriela Benacková (Leonore), Josef Protschká (Florestan), Marie MacLaughlin (Marzelline), Neil Archer (Jacquino), Robert Lloyd (Rocco), Monte Pedersson (Don Pizarro), Hans Tschammer (Don Fernando) e.a. met het Ensemble van Covent Garden, Londen o.l.v. Christoph von Dohnányi. ArtHaus 100.074 (129’, 4:3, geluid 2.0, regio 2, 5). 1991

 

Ooit eerder op Pioneer beeldplaat (PLMCC 00301) verschenen is dit naast de oude vhs videocassette van een Berlijnse opvoering onder Karl Böhm (DG 071-179-3) de tot op heden enige beeldopname van Beethovens eenling op operagebied. Het gaat om een op zichzelf respectabele, maar niet uitzonderlijk goede opvoering die in 1991 in Covent Garden plaatshad in de gedegen regie van Adolf Dresden die daarvoor een tijdverschuiving tot in de Britse Victoriaanse tijd tot stand bracht. Ietwat verbazingwekkend begint het eerste tafereel dan ook in een appartement waarin men eerder Bergs Wozzeck gesitueerd zou hebben. Rocco en Jacquino zien er ook uit als geüniformeerde beambten van een ouderwetse spoorwegmaatschappij en Leonore, in de gedaante van de krachtdadige Gabriela Benacková ziet er op het eerste gezicht niet uit als een man met haar lange, door een lint op haar rug bijeengehouden haardos. Ook in de 2e akte domineert de gore armoede in een zo diep mogelijke kerker die wordt bereikt via een lange, verticale ladder. Veel draagt dat niet bij aan het drama, behalve dat Pizarro, uitgedost als legerofficier met een zwierig hoofddeksel en forse epauletten, er inderdaad erg bedreigend uitziet als machtsbeluste en op wraak zinnende schurk. De zanger is Monte Pederson – een grote gestalte met een haast te vriendelijk uiterlijk, maar wel bedreigend en voortreffelijk zingend. Ook de Leonore levert trouwens prachtige zangprestaties en wordt al even overtuigend terzijde gestaan door de Marzelline van Marie MacLaughlin. De hele bezetting is trouwens gelukkig erg homogeen dankzij een moeiteloos en ferm zingende Josef Protschká als Florestan. Met name het duet ‘O namenlose Freude’ maakt hier diepe indruk en is een hoogtepunt. Des te spijtiger dat bij een goede beeldkwaliteit het geluid een scherp randje heeft en dat de droge akoestiek van Covent Garden met niet erg geslaagde kunstgalm werd behandeld. Niettemin een aanbeveling onder enig voorbehoud in afwachting van beter.