VERDI: OTELLO, BARENBOIM, LEVINE, MUTI
Verdi: Otello. Christian Franz (Otello), Emily Magee (Desdemona), Valery Alexeev (Iago), Stephan Rügamer (Cassio), Andreas Schmidt e.a. met het Ensemble van de Berlijnse Staatsopera o.l.v. Daniel Barenboim. Regie: Jürgen Flimm. ArtHaus 100.346 (157’, 4:3, geluid 2.0 en 5.1, regio 0). 2001

Verdi: Otello.  Plácido Domingo (Otello), Renée Fleming (Desdemona), James Morris (Iago), Richard Croft (Cassio), Charles Anthony (Roderigo), Jane Bunnell (Emilia) e.a. met het Ensemble van de Metropolitan Opera, New York o.l.v. James Levine. DG 073-092-9 (142’, 4:3, geluid 2.0, 5.1 en DTS 5.1, regio 0). 1994

Verdi: Otello. Plácido Domingo (Otello), Barbara Frittoli (Desdemona), Leo Nucci (Iago), Cesare Catani (Cassio), Antonello Ceron (Roderigo), Rossana Rinaldi (Emilia) e.a. met het Ensemble van La Scala, Milaan o.l.v. Riccardo Muti. TDK DV-OPOTEL (140’, 16:9, geluid 2.0, 5.1 en DTS 5.1, regio 0). 2001

 

Zo elektriserend en letterlijk stormachtig als Otello begint vrijwel geen andere opera, maar zo desillusionerend eindigt meestal ook geen andere. Totdat er een optimaal geslaagde productie van op het toneel wordt gebracht. Verdi en zijn librettist Boito, beide lieden met echt theaterbloed in de aderen hebben de tragedie rond de Moor van Cyprus heel genuanceerd en rijp tot uitdrukking gebracht en het zal wel geen toeval zijn dat het drama van Shakespeare in tegenstelling tot Verdi’s opera nog zelden ten tonele verschijnt.

Maar zoals gezegd: slechts een optimaal geslaagde theaterproductie kan het werk als geheel overtuigingskracht geven. Daarvan is te weinig sprake bij de Berlijnse opvoering. Regisseur Flimm sloeg weer eens door en situeerde de handeling aan boord van een groot modern zeeschip met teveel metalen platen, overdreven (en afleidende) extra’s en nodeloze drukte. Ook Otello ziet er te blank uit en Desdemona oogt als een domme yup. Alleen Jago lijkt op zijn alter ego. Doet het er daarna nog toe hoe goed er wordt gemusiceerd? Arme zangers die zich over vrijwel de hele linie positief onderscheiden, al ontbreekt het wat aan echt Italiaanse inslag. Franz is een gewetensvolle, kernachtige Otello, Alexeev een geslepen, boosaardige Jago, maar Magee een wat wezenloze Desdemona. De kleinere rollen zijn redelijk bezet en Barenboim ondersteunt met het orkest krachtig en hij brengt goede samenhang in het geheel. Het geluid is voortreffelijk, het beeld goed (maar waarom niet als breedbeeld?).

Van wèl zo’n productie was gelukkig sprake bij de laatste voorstelling in december 2001 in de Milanese Scala voordat het huis werd gesloten om restauratie werkzaamheden te kunnen uitvoeren. Riccardo Muti koos voor die tijdelijke afscheidsvoorstellingen bewust Otello en Grashalm Vick was de gedesigneerde regisseur, Ezio Frigerio tekende voor de decors en Franca Squarciapone voor de kostuums.

Wat door deze samenwerking ontstond was een homogeen, heel treffend Gesamtkunstwerk in een zeldzaam harmonische stijl dat meteen nog eens aantoont dat een goede traditie zonder dat daarop allerlei ‘vernieuwingen’ en ‘moderne inzichten’ worden losgelaten nog altijd de mooiste resultaten oplevert. Geen detail is over het hoofd gezien. Neem het moment waarop Desdemona in de 3e akte geleidelijk neerzijgt in haar ‘A terra’. Een letterlijk volmaakte illustratie van de handeling.

Van voordeel was verder natuurlijk dat hier werd gewerkt met door de wol geverfde zanger/acteurs als Plácido Domingo (in zijn minstens vierde opname van deze rol met een telkens meer baritonale donkerheid en vocale differentiatiekunst) in de titelrol en Barbara Frittoli als Desdemona. Zij beiden alleen al geven het dramatisch verloop van de blinde liefdespassie uit de eerste akte tot de wanhopig gekwelde dramatiek uit de derde, waar Domingo eindigt met een ontroerend tere slotsolo in ‘Niun mi tema’. Noem het instinctief of heel ervaren zoals hij successievelijk zijn twijfel, ongeloof, foltering en jaloezie uit: dit beeld is heel oprecht en ontroerend.

Let ook op Frittoli’s sterk wisselende gelaatsuitdrukkingen, op haar lichaamstaal, toegeeflijk en erotisch in de 1e akte waardoor haar desillussie aan het eind alleen maar pakkender wordt. Daar tussenin natuurlijk een fraai ‘Wilgenlied’ en ‘Ave Maria’. Har soli in de 4e akte moeten ieders hart raken. Vergeleken hiermee blijven Leo Nucci (Iago) en Cesare Catani (Casio) duidelijk achter met een demonstratie van niet meer dan routine, maar Rossana Rinaldi en de bassen Battista Parodi en Ernesto Panariello zijn gelukkig weer voortreffelijk.

Muti besteedt weer veel zorg aan een gedetailleerde uitwerking van de orkestpartij. Alleen waarom hij de voorkeur gaf aan de Parijse versie uit 1894 van het concertato uit de 4e akte blijft onduidelijk. Met name in de 2e akte zijn de tempi aan de snelle kant, waarschijnlijk om het Domingo niet nodeloos moeilijk te maken. Afgezien van de zwakke Iago is dit een – ook qua beeldregie - prachtig geslaagde Otello..

Domingo zong vaker de titelrol en eigenlijk steeds kwam hij tot grootse prestaties. Bij de eerste opname zijn we te gast in de New Yorkse Met in 1994. Ook daar ging het om een nieuwe enscenering, nu van Vick in Milaan; Vick is de sterkere psycholoog die zijn zangers aanmoedigt nieuwe aspecten van hun rol te exploreren. Tot zover is het voordeel aan Milanese kant.

Daar staat tegenover dat Domingo die in Milaan al grootse dingen liet zien en horen, in New York zichzelf nog overtrof en beter bij stem was. Maar hij overschaduwt daar wel Fleming en Morris, hoe goed zij ook presteren. Wat dat betreft is de Desdemona van Frittoli veel indringender gepersonifieerd. Morris is als Iago interessant als hoffelijk manipulator, maar ongewoon on-Italiaans; ook de Roderigo van Anthony is zwakjes. Levine dirigeert met veel begrip voor structuren en effecten. In Milaan zorgt Nucci als Iago voor een teleurstelling: hij is saai en routineus; ook de Cassio van de nog jonge Catani is niet optimaal, maar de Emilia van Rinaldi juist weer wel erg goed. En Muti dirigeert met veel precisie en verve, laat geen onderdeel aan zijn aandacht ontsnappen.

Zo is het tenslotte een kwestie van plussen en minnen bij een lastige afweging. De wat betere beeld- en geluidskwaliteit van de TDK uitgave (in breedbeeld!) kunnen de doorslag geven.

Een laatste alternatief vormt een opname met Vickers, Freni, Glossop, Malagu, Bottion, Sénéchal en Van Dam met het koor van de Deutsche Oper en het Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Herbert von Karajan uit 1973 die aan geluidskant bij EMI verscheen (EMI 769.308-2) en aan beeldkant bij DG, maar helaas alleen op band en nog niet op dvd-v. Karajan zelf regisseerde bij deze videofilm die een spectaculaire opzet toont en effecten – zoals de storm aan het begin – die op toneel nooit te realiseren zijn. Ook wordt weer gemanipuleerd, want de zangers spelen playback bij die audio-opname met een soms gebrekkige synchronisatie. Karajan gaat als steeds homogeniserend te werk als dirigent, streeft naar het grootse en dramatische, maar staat wel wat coupures toe. Bewonderenswaardig is de Desdemona van Freni: teer en heel fraai; Vickers en Glossop zijn ook heel overtuigend al forceren ze hun stem soms even.