VIJFTIG JAAR MUZIEKJORNALISTIEK
Fonografie Muziek

Vijftig jaar gespecialiseerde muziekjournalistiek in vogelvlucht

Helemaal op zijn lauweren rusten zal er wel nooit van komen. Het behang van zijn huis is kleurrijk want een hele wel tien meter lange wand wordt bekleed met een elftal rijen cd’s en dvd’s. Vroeger stonden daar allemaal LP’s maar die heeft hij verkocht aan een antiquariaat en een speciaalzaak om er zijn vijf boeken Spraakmakenden (dirigenten, pianisten, strijkers, blazers en zangers) mee te kunnen uitgeven die een verzameling ontmoetingen met musici bevatten. Interviews met of portretten van zo’n 175 uitvoerende musici van Abbado tot Zimerman die hij gedurende zijn lange werkzame leven als muziekjournalist meemaakte en die een betere plek verdienden dan in een archiefkast of op een harde schijf.

Jan de Kruijff, al vijftig jaar muziekjournalist, ontmoet ik tussen zijn audio-installatie en cd’s en we spreken over zijn leven dat door muziekliefde, ambitie, eigenzinnigheid en volharding zeer kleurrijk kan worden genoemd. Hij werd in 1931 geboren onder de rook van Eindhoven en thuis werd veelvuldig naar muziek geluisterd en gemusiceerd: Via grammofoonplaten van Artur Schnabel  met sonates van Schubert en Beethoven, Toscanini met Beethovensymfonieën en liederenopnamen van de ‘Wolf Society’. En vooral na de oorlog via radio uitzendingen van Nederlandse en buitenlandse muziekprogramma’s van bijvoorbeeld het Holland Festival en de festivals in Edinburgh, Salzburg plus de Londense Proms, maar ook van regelmatige abonnementsconcerten. Die vormden de basis van mijn repertoirekennis en ik had mijn eigen schema waar ik welke avond naar luisterde, dat was die tijd nog behelpen met alleen mono middengolf ontvangst en veel storingen, maar was de  wieg voor de muziekliefde en een omvangrijke repertoirekennis. Ik luisterde ook naar programma’s met plaatbesprekingen op de BBC en België Franstalig: La tribune du discophile”. Het leerzame was dat je muzikaal moest consumeren wat de pot schafte. Nu kies je zelf een cd programma naar je stemming en eigen keuze. Ik moet opbiechten dat ik nooit meer naar de radio luister. 

Zijn ouders hielden van muziek en beoefenden die als amateurs, maar vonden het onverstandig om zoonlief daar een beroep van te maken, dus volgde hij na de middelbare schooltijd naast een conservatoriumstudie hobo ter wille van de huiselijke vrede ook op de HTS elektronica. De opgedane technische kennis hielp bij het bouwen van eigen buizenversterkers en luidsprekers. Zelfs een bandrecorder werd aan de praat gebracht. De basis voor een platenverzameling werd gelegd. Eerst nog met een paar schellakplaten, daarna met de eerste elpees van Decca, Philips, His Master’s Voice, Columbia en de goedkope Muzikale Meesterwerken reeks.  

Na eerst studie uitstel te hebben gekregen, solliciteerde hij na twee jaar militaire dienst eind 1954 op de functie van redactieassistent bij het blad Luister in Amersfoort. Zijn salariseisen waren gering en naast zijn enorme repertoirekennis was dat waarschijnlijk doorslaggevend om hem uit de ruim honderd sollicitanten te kiezen. Specialisatie in muziekconserven – elpees toen, de 78t. plaat was aan het eind van zijn levenscyclus gekomen – en de apparatuur om die optimaal weer te geven, lag voor de hand. Een aanvullende studie Muziekwetenschap in Utrecht leek nuttig, maar werd niet afgemaakt: twee jaar tot het kandidaatsexamen ging het louter over Ambrosiaans en Gregoriaans, de twintigste eeuw kwam nauwelijks aan bod. 

Die functie ging geleidelijk over in die van recensent. Heel leerzaam met collega’s als Hélëne Nolthenius, Ralph Degens en Rutger Schoute. Ik introduceerde de ‘Vergelijkende discografie’: een rubriek waarin meerdere opnamen van eenzelfde werk werden vergeleken. Ik weet nog precies dat de eerste keer Händels “Messiah” aan de orde werd gesteld. Liefst maakte ik van elke plaatbespreking een mini vergelijking. Dat zette kwaad bloed bij de muziekindustrie die vond dat teveel opnamen werden ‘afgekraakt’.

Het leidde tot conflicten die escaleerden toen de muziekindustrie bij zijn handhaving dreigde geen platen meer ter bespreking te zullen sturen en niet meer te adverteren. Hij werd zomer 1959 op staande voet ontslagen omdat hij teveel vitriool in zijn pen zou hebben. Als ‘grammofoonredacteur’ bleven naast wat free-lance werk voor verschillende bladen nog wel werkzaamheden doorgaan. Maar na een erg kritische coverstory over Karajan was het bij – toen nog – Elseviers Weekblad in 1968 ook voorbij. Waarschijnlijk weer door pressie van de muziekindustrie.

Intussen hadden zich andere feiten en mogelijkheden voorgedaan. Het volgende avontuur stond in 1960 al gauw voor de deur want naast free-lance werk, wat hij zijn hele leven is blijven doen, besloot hij met de voormalige hoofdredacteur van Luister, Frits Versteeg, een nieuw blad te beginnen. Het blad Disk wachtte met het hoofdredacteurschap. Henk de By, Jan Willem Hofstra, Jan van Voorthuysen, Géza Frid waren mijn medewerkers en ik herinner me nog levendig de discussies over interpretaties en recensies, het toenmalige muziekleven Maar dat mooie avontuur duurde nog geen jaar want het bleek vooral door het geringe advertentieaantal, de onvoldoend snelle aanwas van het aantal abonnees en de haast te fraaie, maar erg kostbare vormgeving van Emmerich Weninger te duur van opzet en de uitgever kon het niet bolwerken.

Het was de tweede, maar niet de laatste keer dat ik mede door mijn lichtelijk fanatieke beroepsopvatting en mijn principiële houding bakzeil haalde. Maar ik was steeds meer bevangen door Ralph Naders opvattingen over ‘consumentisme’. Een elpee en later een cd is een handelsproduct dat streng op zijn kwaliteit moet worden beoordeeld, zeker wanneer men de keus heeft tussen bijvoorbeeld dertig opnamen van Berlioz’ Symphonie fantastique. 

Het avontuur met Disk was nog niet ten einde eerst verscheen een nooduitgave en  in juni 1963 volgde een bescheiden herstart onder de titel Pick-up op initiatief van een enthousiaste abonnee, Joop Bontrop. Het betekende zelf achter de stencilmachine staan, adresbandjes uitdraaien en reeksen onbetaalde bijdragen leveren. Door reclame van mond tot mond groeide het abonneeaantal gestaag zonder dat er adverteerders waren. Na de stencilperiode werd in 1964 overgegaan op klein-offset druk tot eind 1966.

Het tijdschrift bleek voldoende levensvatbaar dat uitgeverij Misset het in zijn pakket bladen wilde opnemen en op 1 januari 1967 was Disk herboren. Tot de nieuwe medewerkers behoorden Barbara Kulberg, Leo Riemens, Franz Straatman Aad van der Ven en Ben van der Kley.

Ben van der Kleij was met mij degene die in de ogen van de muziekindustrie echt vitriool in zijn pen had maar we argumenteerden, onderbouwden onze mening en probeerden van elke recensie een mini Vergelijkende Discografie te maken. Brucknerspecialist Cornelis van Zwol die dan in Luister zowel Klemperer als Jochum voortreffelijk vond, dat kan toch niet zeiden we dan. Het is het een of het ander en een wereld van verschil maar dat bleef onder ons. We vielen elkaar eigenlijk naar buiten toe nooit af. Je hoeft er niet mee eens te zijn als het maar beargumenteerd is”’

Met in de hoogtijdagen zo’n 11.000 abonnees, naast de losse verkoop hebben de strenge critici hopelijk aardig wat mensen van een miskoop behoed en kon hij zich tot eind 1981 uitleven als hoofdredacteur. Testrapporten over audio apparatuur, columns, interviews met uitvoerende kunstenaars, vergelijkende discografieën en als hoofdschotel natuurlijk recensies bepaalden de inhoud. Noodzakelijke contacten met platenmaatschappijen brachten hem vaak in contact met musici en muziekjournalisten voornamelijk in het buitenland. Voor de testrubriek werd samenwerking gevonden met het  Duitse blad Fono Forum.

In die periode werd je door de muziekindustrie regelmatig her en der in Europa uitgenodigd voor persconferenties en kon je opnamesessies bijwonen. Contacten met musici en collega’s in het buitenland waren vaak leerzaam en interessant, in Nederland vaak terughoudend want omdat wij een maandblad maakten kon je niet echt van gedachten wisselen en nieuwtjes uitwisselen met dagbladjournalisten anders kaapten ze je ideeën. Op apparatuurgebied waren er regelmatige fabrieksbezoeken tot in de V.S. en Japan toe; bovendien waren er leerzame internationale congressen en symposia, bijvoorbeeld van de AES, de Audio Engineering Society. Het lag voor de hand om ook groepstests te maken van versterkers, cassettedecks, pick-up elementen en luidsprekers. Een eigen goed met meetapparatuur uitgerust testlaboratorium konden we niet financieren, vandaar die samenwerking met ‘Fono Forum’, eerst in Hamburg, daarna in Bielefeld.

Omdat hij een zekere autoriteit had verworven en de muziekindustrie moeilijk om hem heen kon, fungeerde hij ook een aantal keren als jurylid voor de toekenning van de klassieke Edisonprijs.

Zijn helden waren op muziekjournalistiek gebied: Norbert Loeser en Jan Reichenfeld van het Handelsblad vanwege hun grote kennis en goede manier van verslaggeving. De retrospectieve muziekgeschiedenis die Loeser schreef vanaf de jaren vijftig terug in de geschiedenis kan hij nog steeds iedereen aanbevelen. Tegenwoordig is het allemaal wat minder geworden maar de Volkskrant met Frits van der Waa en Roland de Beer mag hij nog graag lezen. cd kritieken in dag- en weekbladen vind ik doorgaans niet bijster informatief. Teveel wordt klakkeloos wordt mooi gevonden en nooit wordt vergeleken met de berg aan voorhanden gerelateerde opnamen. Een voorraad die intussen helaas de pan uitrijst. In principe zijn ruim honderd opnamen van de meeste  werken uit het ijzeren repertoire op cd te vinden. Geen wonder dat het de muziekindustrie -  nog helemaal afgezien van de download opties van internet – zo beroerd gaat”.

Uitgeverij Elsevier nam Disk tweede helft jaren zeventig van Misset over wat door de hogere overheadkosten een bezwaar bleek. Om meer lezers te trekken vond men dat meer  aan popmuziek gedaan moest worden om het blad op te stuwen in de vaart der volkeren. Een misrekening want de bestaande abonneegroep voelde zich tekort gedaan, jonge popliefhebbers hadden al eigen bladen. Immers de vooral in ‘klassieke’ muziek geïnteresseerde abonnees zich niet in verhalen over Janis Joplin, Pink Floyd, Nick Mason en John Lenon in plaats van over bijvoorbeeld Giulini en Brendel.

Inmiddels was ook een nieuwe hoofdredacteur uit de popwereld aangetreden omdat hij zich tegen het beleid verzette. Het einde van het blad kwam zo na ruim twintig jaar in zicht, opnieuw versterkt door de bekende conflicten met de muziekindustrie. Een allerlaatste ademsnik gaf Disk nog onder weer een andere uitgever in september 1991, maar ook dat avontuur was om  diverse redenen geen succes en in voorjaar 1992 werd het erg kritische blad definitief begraven”.

Aangewezen op free-lance werk volgde het medewerkerschap van diverse HiFi tijdschriften, zoals HiFi Videotest en een cd tijdschrift dat ook geen lang leven was beschoren. Daarnaast was hij – weer in genade aangenomen - een jaar of zes muziekmedewerker van weekblad Elsevier en het eerste jaar vast lid van het panel voor het radio 4 programma Discotabel en van 1981 tot 1996 docent aan het koninklijk conservatorium in Den Haag, afdeling Muziekregistratie. Luisterpracticum en Weergavetechniek waren de beide boeiende vakken. In het ene werd kritisch en vergelijkend naar opnamen geluisterd, in het andere werd de werking van – toen nog – het pick-up element, de versterker en de luidspreker behandeld want in die tijd gebeurde  van alles. In den Haag had ik een geweldig stimulerende tijd temidden van begaafde, gemotiveerde studenten. Regelmatig contact met ‘levende’ muziek, betrokkenheid bij orkestprojecten en projecten van wat toen nog de operaklas was. De muziekopname en –weergave werd gedigitaliseerd: cd en de dat recorder verschenen ten tonele. Composers in residence als Cage, Ligeti, Stockhausen en Messiaen gaven ook stimulansen en in die kleine boekjes bij de cd’s kom ik nog veel namen van oud-leerlingen tegen. Nog steeds melden zich oud-studenten bij me als vraagbaak.

Met grote dankbaarheid kijkt hij terug op een interessant en rijk muzikaal leven waarbij zijn expertise ongetwijfeld vele mensen heeft geholpen met hun eigen muzikale ontwikkeling en waar hij nu nog via zijn medewerking aan de website www.audio-muziek.nl menigeen van dienst is. Wel heb ik soms het idee dat de vruchten van mijn leuke bezigheidstherapie ongemerkt in een gigantisch elektronisch zwart gat verdwijnen. Maar hij beseft ook dat zijn gespecialiseerde loopbaan anno 2007 nauwelijks meer mogelijk zou zijn. Van de 78-toeren plaat via de lp tot de cd en de dvd is een hele ontwikkeling. Die te hebben meegemaakt, is een fascinerende ervaring. Op muziekgebied geldt dat onder meer voor de opkomst van de ‘authentieke’ uitvoeringspraktijken en de gegroeide belangstelling voor nicherepertoire. Achteraf ben ik reuze blij en dankbaar dat ik de interessante tijdzo intens heb beleefd die ik heb meegemaakt. Inderdaad een vergelijkbare herhaling nu acht ik uitgesloten.

 

Edith Wesselink, maart 2007