BELLINI: NORMA

BELLINI: NORMA

 


Norma kan worden beschouwd als Bellini’s sterkste opera, zowel in termen van het onderwerp – de geheime liefde van een Druïden prinses voor een Romeinse generaal – als in termen van muzikale inhoudelijkheid. Het werk biedt de welsprekendst denkbare muziek die ooit voor een sopraan werd geschreven en twee duetten die Bellini’s gave voor vloeiende melodiek illustreren.

 

Het werk moet het vooral van zijn prachtige muziek hebben, want eerlijk gezegd is de handeling maar matig en deze dreigt aan het eind zelfs te ontaarden in een regelrechte farce. Waar gaat het om? Het stuk speelt in Gallië tijdens de Romeinse bezetting. Pollione, een Romein, heeft zijn Gallische hogepriester Norma en hun beide kinderen verlaten voor een andere priesteres, Adalgisa. Wanneer ze Pollione’s ontrouw ontdekt, wil Norma haar kinderen doden, maar tenslotte schrikt ze voor die onherroepelijke daad terug. Adalgisa smeekt Pollione om naar Norma terug te keren maar slaagt daarin niet. Norma ontketend dan een oorlog tussen de Galliërs en de Romeinen, een conflict dat leidt tot Pollione’s gevangenschap en doodstraf. Norma, die nog steeds erg van hem houdt, biedt haar leven aan in ruil voor het zijne en beklimt de brandstapel waar Pollione zich bij haar voegt.

 

Uit dit ruwe materiaal schiep Bellini een lyrisch drama dat in de laatste akte een tragische grandeur krijgt. Hij was een meester in het schrijven van lange, zeer expressieve melodieën en toont dat op zijn best in Casta diva, de ultieme aria voor een bel canto sopraan. Maar ook de vrij sobere duetten tussen sopraan en tenor In mia man en Qual cor tradisti zijn niet te versmaden. Het gaat hier om het fraaiste voorbeeld van dramatisch bel canto uit de operageschiedenis.

 

De titelrol wordt altijd bezet door dramatische sopranen en er zijn maar weinigen in de hele operageschiedenis die dat op zo overtuigende wijze hebben gedaan als Callas. Zij voldoet aan alle aanzienlijke vocale en acteer voorwaarden. De twee opnamen die ze van deze opera maakte, steken torenhoog boven de andere uit. Het is moeilijk kiezen en dit is weer zo’n geval waarin men eigenlijk beide achter de hand zou moeten hebben: de oudste uit 1954 (EMI 556.271-2) en de latere uit 1960 (EMI 566.428-2). Wie die keus met een verkeerd aflopend Salomo’s oordeel wil vermijden, komt haast onherroepelijk bij Sutherland (Decca 425.488-2) terecht. Ook zij maakte nog een opname met de Welsh Opera, (Decca 414,476-2) maar die is duidelijk wat minder