BERLIOZ: DAMNATION DE FAUST, LA

BERLIOZ: LA DAMNATION DE FAUST

De middeleeuwse figuur van de oude geleerde die zich inlaat met een duivelspact heeft  vooral dankzij de beroemde tekst van Goethe heel wat – vooral romantische -componisten geïnspireerd: Spohr en Gounod wijdden een opera aan hem. Schumann kwam met het koorwerk Szenen aus Goethes Faust; Liszt en Anton Rubinstein schreven een Faust symfonie, maar van Rubinsteins werk uit 1864 is slechts een ‘portret’ over. Ook Wagner kon niet om Faust heen en gedacht hem met een ouverture en 7 Faustliederen, echter geen opera. Johann Strauss II vatte het gegeven luchtiger op en produceerde een Faust Quadrille.

 Maar ook in de 20e eeuw sprak het gegeven nog verschillende componisten aan: Ferruccio Busoni in 1914 met zijn cerebrale opera Doktor Faust, Lili Boulanger (Faust et Hélène) en Alfred Schnittke (Seid nüchtern und wachet)  bedachten hem in respectievelijk 1913 en 1983 met een cantate, de Tsjech Petr Eben vereeuwigde Faust in 1980 in een orgelwerk, de Engelsman Ronald Stevenson in 1949 met een pianoconcert, ondertitel Faust triptych en de Belg Henri Pousseur besteedde een aleatorisch werk aan hem: Vôtre Faust.

Berlioz las in 1828 een vertaling van deel I van Goethe’s Faust en werd daardoor meteen geïnspireerd. Hij schreef vlot zijn 8 Scènes uit Faust als zijn opus 1 die hij ter goedkeuring aan de Duitse dichter stuurde. Dat had hij beter niet kunnen doen: Goethe toonde het werk aan een bevriende componist die Berlioz’ overdadige muziek verschrikkelijk vond met als resultaat dat Berlioz het werk terugnam. Gelukkig is er onlangs een opname van die oervorm verschenen. Een der verrassingen daarin in de Serenade van Mefisto, hier nog door een tenor (John Mark Ainsley) gezongen met gitaarbegeleiding. Deze opname maakt deel uit van Charles Dutoits Berliozcyclus op Decca (475.097-2). Andere medewerkenden zijn Susan Graham, Susanne Mentzer en François le Roux met koor en orkest uit Montréal.

Vele jaren later, in de periode 1854/6, verwerkte hij dat materiaal in zijn vierdelige ‘Légende dramatique’ La damnation de Faust op. 24 op deel eigen tekst, deels ook op materiaal aangedragen door Gondonnière en De Nerval. Het gaat om een nogal hybride werk, half oratorium, half opera, waarin de componist gegevens die niets meer met Goethe te maken hebben zoals de ‘Hongaarse mars’ verwerkte ter wille van meer effect en om zijn beheersing van het orkestkoloriet te kunnen tonen. Maar in ander opzicht hield Berlioz zich beter aan het bronmateriaal dan de andere genoemde componisten. Gounod bijvoorbeeld concentreerde zich vrijwel uitsluitend op de taferelen rond Faust en Gretchen, terwijl Berlioz ook bovennatuurlijke en filosofische aspecten in zijn werk betrekt. De première vond in 1846 in de Parijse Opéra comique plaats.

Een paar jaar later wilde Berlioz het stuk omwerken tot een echte opera, maar omdat het vrijwel onmogelijk is om scènes als de ‘Hellevaart’ en het ‘Pandemonium’ geloofwaardig op het toneel te brengen (het Londense Drury Lane theater ging daardoor op de fles), bleef het werk zoals het was. Wie het werk toch in de operasfeer wil ondergaan en over een dvd-v speler beschikt, moet beslist eens de ArtHaus video-opname (100.003) bekijken en beluisteren. Het gaat om een spectaculaire productie van het Salzburg festival 1999. Een opwindende, spectaculaire vertoning was dat in de Felsenreitschule. Deze ging terug tot een productie van de Spaanse theatergroep La fura dels Baus en het resultaat gold als ‘extreem theater’, wat wordt bevestigd als men ziet wat der allemaal op het grote toneel gebeurt. Dat toneelbeeld wordt gedomineerd door een grote, doorzichtige cilinder die voor allerlei doeleinden dient: het gevecht om de ziel van Faust tussen Faust en Mefisto met name. De complexe koorgedeelten worden letterlijk van alle kanten belicht. De aard van Fausts gespleten persoonlijkheid, de strijd met zijn alter ego wordt à la Jung onderzocht op zijn licht- en schaduwzijden, het ideaal van Mefisto, de onbereikbare Marguérite. Het is alles heel gedurfd en gelukkig ook fraai geslaagd. Dat is natuurlijk vooral te danken aan de uitvoerenden met Vesselina Kasarova en Willard White in glansrollen, goed gesecondeerd door Paul Groves en Andreas Macco. Sylvain Cambreling zorgt voor een pakkend orkestaandeel. 

Het is ook voor degenen die louter op cd weergave zijn aangewezen weer frappant hoe veelzijdig dit caleidoscopische werk in puur muzikaal opzicht is binnen het vrij korte tijdsbestek van twee uur. Tussen de verpletterende ‘Hongaarse mars’ aan het begin en de slotclimax van de ‘Hellevaart’ komen een kroegscène, een bovennatuurlijk ballet als Faust droomt van Marguérite (Gretchen in het origineel), een liefdesscène, een gekkenaria en een pantheïstisch natuurtafereel voor. Er is nauwelijks een ander muzikaal toneelwerk met een dergelijk geavanceerde inslag uit de tijd daarvòòr; Berlioz ging heftige contrasten nooit uit de weg en feitelijk zijn er ook maar weinig componisten na hem die dat alles zo succesvol tot een goed eind brachten.

Van de minstens twaalf opnamen van Damnation zijn er een paar die met kop en schouders boven de rest uitsteken. In menig opzicht zijn die van Myung-Whun Chung met Anne Sofie von Otter, Keith Lewis, Bryn Terfel en Victor von Halem (DG 453.500-2) en van Enkelejda Shjosa, Giuseppe Sabbatini, David Wilson-Johnson en Michele Pertusi met het Londens symfonie orkest en –koor onder Colin Davis (LSO Live LSO 0008) het mooist met een lichte voorkeur voor Davis die het werk in 1973 ook al met uiteraard een andere bezetting voor Philips opnam (416.395-2). Een ereplaats nemen ook Susan Graham, Thomas Moser, José van Dam, Frédéric Caton met koor en orkest van de Opéra Lyon onder Kent Nagano (Erato 0630-10692-2) in.

Gardiner (Philips 426.199-2), Ozawa (DG 423.907-2) en Dutoit (Decca 444.812-2) blijven in vergelijking hiermee wat achter.