DOLGEDRAAIDE MUZIEKINDUSTRIE
redactioneeltjes

DOLGEDRAAIDE MUZIEKINDUSTRIE

 

Je hoeft misschien niet in de pessimistische opinies van een Norman Lebrecht (Who killed classical music? en Life and death of classical music) te geloven om je te verbazen over de rare, vaak speculatieve bokkensprongen van de muziekindustrie. Als verzachtende omstandigheid kunnen een krimpende, reeds lang oververzadigde markt en de algemene crises gelden. Maar dan nog.

Een toevallig voorbeeld vormt de lancering van Tchaikovsky’s Zesde symfonie met het Rotterdams filharmonisch orkest onder Yannick Nézet-Séguin door DG. Een label als Deutsche Grammophon Gesellschaft dat al de nodige, deels heel opmerkelijke opnamen van dat werk in de catalogus heeft:

 

1954 Fricsay

1956 Mravinsky (Wenen)

1960 Mravinsky (Londen)

1961 Markevich

1964 Karajan 1

1974 Abbado

1976 Karajan 2

1980 Giulini

1984 Karajan 3

1986 Bernstein

1989 Sinopoli

1995 Pletnev

 

Prijzenswaardig en dus mooi is dat ook belangrijke jongere dirigenten hun kans krijgen, maar is de uitgave van Nézet-Séguin internationaal van echte betekenis behalve voor zijn fans in Canada en Rotterdam en omstreken?

Natuurlijk, zijn Pathétique is op zich de moeite waard en niemand moet er vanaf worden gehouden om deze opname aan te schaffen, maar wat betekent dat voor de cd verzamelaar die bijvoorbeeld een der Mravinsky’s, Gergiev, Jansons of Pletnev al in zijn collectie heeft? Weinig, hij zal er schouder ophalend aan voorbijgaan.

Om nog een paar feiten aan te stippen: 

  • - De opheffing van labels als Erato, Teldec en Philips betekende dat voor de muziekwereld interessante musici als Ton Koopman, Nikolaus Harnoncourt, Viktoria Mullova (om er slechts een paar te noemen) ‘dakloos’ werden. Ze waren niet alleen muzikaal, maar ook commercieel interessant genoeg om elders te worden geëngageerd, maar dan wel met een minder grote productie. 
  • - Of ze begonnen voor zichzelf, zoals Koopman, Herreweghe, orkesten (Concertgebouworkest, Nederlands philharmonisch, Rotterdams filharmonisch, sommige Londense en enige Amerikaanse orkesten).
  • - Bij het inventariseren van de opnamen voor een Vergelijkende Discografie valt de laatste tijd op dat het om meer en meer heruitgaven dan om nieuw materiaal gaat.
  • - Dan zijn er de talrijke jonge instrumentalisten en zangers die de aandacht vragen en zeker ook vaak verdienen. Hier geldt dat velen zich geroepen voelen, maar weinigen een lang cd leven beschoren is. Ze worden vaak als strovuur, als wegwerpartikel beschouwd, getuige bijvoorbeeld het lot van pianiste Ott en in Nederland violiste Rosanne Philippens en de pianistes Iris Hond en Daria van den Bercken. Zij blijven van louter lokaal belang. Omdat ze vanuit Wenen opereert en Capriccio wat in haar ziet, trof celliste Henriëtte Krijgh het vooreerst beter. 
  • - Iemand als Hilary Hahn of Hélène Grimaud zwerft van label tot label en vervalt geleidelijk tot zwijgen.
  • - Ook  timmeren solisten vaak aan de weg met in eigen beheer uitgegeven cd’s die het ‘promo’ karakter meestal behoorlijk te boven gaan, getuige in Nederland onder meer de pianistes Marietta Petkova, Eke Simons, Annelie de Man en Julia Achkinazy, violistes Tiziana Pintus en Francesca Dego, celliste Mayke Rademakers, sopranen Carina Vinke en Klaartje van Veldhoven, harpiste Victoria Jordanova, het Arte Duo (Aubrey Snell saxofoon, Lineke Lever piano), het Telesto trio en ongetwijfeld meer, ook strijkkwartetten als het Van Dingstee, Matangi.

Zover een weinig rooskleurig beeld.