Uitvoerende Kunstenaars

KEMPEN, PAUL VAN

PAUL VAN KEMPEN: VERGUISD EN BEWONDERD. TIJD VOOR REHABILITATIE?

Zeer gemengde gevoelens bepaalden mijn ambivalente houding jegens Paul van Kempen in de periode 1948 tot 1956. Het waren zelfs bijna louter emoties, die toen nog niet door een historisch nuttige afstand en de werkelijke feiten werden geschraagd. Natuurlijk walgde je zo kort na de oorlog met Matthijs Vermeulen van de 'aartscollaborateur' die in Hilversum de scepter zwaaide en die begin 1951 een grote rel veroorzaakte in het Concertgebouw. Maar had Van Kempen niet mede de basis gelegd voor een grote muziekliefde en repertoirekennis van een aan de radio gekluisterde jongeling, die vrijwel geen concert van het Radio Filharmonisch Orkest oversloeg in de periode 1949 tot 1955? Hilversum en Amsterdam met de daar bedreven cultuurpolitiek waren letterlijk en figuurlijk ver weg.

Had bovendien Van Kempen anno 1954 niet gezorgd voor de tot dan toe mooiste uitvoeringen van Beethovens Derde en Zevende symfonie met het Berlijns Filharmonisch Orkest (Philips) en van diens vijf Pianoconcerten als begeleider van Wilhelm Kempff (DG)? Als broekje, helemaal aan het begin van m’n muziekjournalistieke loopbaan bij Luister..!, Elseviers Weekblad en de RDP dagbladen, had ik hem thuis in Laren een septemberavond in 1955 bezocht en was onder de indruk van de gastvrije ontvangst en van de charmante causeur en zijn aardige echtgenote. 

We spraken over de door mij zeer bewonderde Beethovenopnamen. De Eroica had een Grand prix du disque gekregen in Frankrijk, de Zevende was een winnaar in één van mijn eerste Vergelijkende Discografieën. De dirigent die weliswaar zelf slechts sporadisch naar zijn eigen opnamen luisterde, was van mening dat de media radio en grammofoon een hoogst belangrijke rol spelen om muziek naar de mensen toe te brengen en die zo te voorzien van moois dat anders onbereikbaar zou blijven voor velen. Zelf noemde hij als een van zijn beste opnamen de Hillervariaties van Reger en was vrij bescheiden over de Beethovensuccessen. Kort voor dat gesprek was hij anderhalve week intensief bezig geweest in Rome waar met het Ensemble van de Accademia di Santa Cecilia een opname van Verdi’s Requiem was gemaakt. Het werken met Italianen in dit repertoire was een duidelijk voordeel omdat ze deze muziek in hun genen hebben. En de solisten dan, was mijn vraag: de Nederlandse Gré Brouwenstijn, de Hongaarse Maria von Ilosvay, de Roemeense Petre Munteanu en de Oostenrijker Oskar Czerwenka dan? Heel diplomatiek liet hij het oordeel aan de kritiek over. Wat zijn vele Tchaikovsky opnamen betreft, zei hij dankbaar voort te borduren op de traditie van Willem Mengelberg.

Kort daarop, 8 december 1955 is hij overleden na een zware operatie.

Achteraf, op basis van meer feitenkennis, doet de tegen Van Kempen gevoerde hetze nogal overdreven aan. Wat dat betreft verdient het aanbeveling om er Pauline Micheels' Muziek in de schaduw van het Derde Rijk (Walburg pers, 1993) en deel twee - pagina 39 en verder - van Historie en kroniek van het Concertgebouw en het Concertgebouworkest (Walburg pers, 1989) eens op na te slaan.

De jaren 1951/2 waren toch al een roerige tijd voor het orkest. Een periode die in januari 1951 begon met ‘de rel rond Van Kempen’ en in december ‘52 eindigde met de scheiding tussen Gebouw en Orkest. Het begon allemaal met een noodsituatie door ziekte van Eduard van Beinum. Op korte termijn moesten vervangers worden gevonden. Klemperer kon niet langer, Kubelik niet eerder, Monteux nauwelijks. Het ernstigste hiaat ontstond voor de herdenking van de vijftigste sterfdag van Verdi waarvoor diens Requiem 27 en 28 januari ’51 was geprogrammeerd. In die noodsituatie deed bestuurder Rudolf Mengelberg een beroep op de heel capabel geachte dirigent van het Radio filharmonisch orkest  die immers ook al eind jaren veertig bij het Residentie orkest uitvoeringen van dat werk had geleid. Hij had gewaarschuwd kunnen zijn, want ook toen waren er al demonstraties, gefluit en stinkbommen geweest. Mengelberg twijfelde in elk geval en polste wel eerst het bestuur van de ‘Orchest’-vereniging, dat aarzelde. Mogelijk speelde Mengelberg zelfs met de gedachte om Van Kempen een vaste positie aan te bieden

De nuchtere biografische feiten over Paul van Kempen zijn de volgende. Hij werd 16 mei 1895 geboren in Zoeterwoude, studeerde viool aan het Amsterdams Conservatorium en werd eerste violist in het Concertgebouworkest. Daar ging hij al in 1916, op 23-jarige leeftijd weg om in het buitenland carrière te maken. Hij werd concertmeester in Poznan (of Posen, zoals het onder Duits beheer heette). Na een kort verblijf in Bad Nauheim fungeerde hij van 1920 tot 1932 onder Wilhelm Sieben als concertmeester van het symfonieorkest in Dortmund, waar hij niet alleen regelmatig als vioolsolist optrad, maar ook les gaf aan het conservatorium. In die tijd liet hij zich in 1932 naturaliseren tot Duitser om een werkvergunning als dirigent in Oberhausen te krijgen en stichtte hij een paar kamermuziekgezelschappen, die regelmatig optraden voor de Westduitse omroep.

In 1932 werd hij dirigent van het orkest in Oberhausen; in 1933 en 1934 was hij muzikaal directeur van de Deutsche Musikbühne, die uitgebreide tournees door Duitsland en Scandinavië maakte. Hij volgde Karajan op in Aken als Generalmusikdirektor. Dat alles als een goede aanloop voor zijn benoeming tot eerste dirigent van het Dresdens filharmonisch orkest, een benoeming die duurde van 1934 tot 1942. In de periode van 1941 tot 1943 trad hij een  paar keer op met het Concertgebouworkest (onder meer met Haydns Symfonie nr. 104, Schuberts Negende en Sibelius’ Vijfde). In datzelfde jaar 1943 werd hij als dirigent geschorst omdat hij weigerde lid van de NSDAP en andere Nazi partij organen te worden. Ook na de oorlog is uit zuiveringsonderzoeken nooit gebleken dat Van Kempen tot enigerlei Nazi- organisatie zou hebben behoord. In elk geval kreeg de dirigent in 1948 weer een werkvergunning, hoewel hij nog als Duitser was opgetreden bij concerten voor de Wehrmacht en in 1933 bij een concert waar Hitler aanwezig was. 

In 1944 was Van Kempen een paar maal gastdirigent bij het Residentie orkest, onder andere bij een Richard Strauss herdenking en een optreden van Corry Bijster met meer Strauss (en Badings’ Symfonische proloog en Beethovens Eroica).

Sinds 1949 was hij niet alleen eerste dirigent van het Radio filharmonisch orkest maar had ook al concerten in Rotterdam en Den Haag geleid. Amsterdam met een beduidende linkse signatuur en pers was echter een hardere noot om te kraken. Waar andere Nederlandse dirigenten die in Duitsland hadden gewerkt – Jan Koetsier, Jaap Kool – zich hier niet meer vertoonden, waagde Van Kempen zich in 1945 weer in het ten gevolge van W.O. II zwaar belaste Nederlandse muziekleven. Begin januari 1951 kopte De Waarheid al: “Concertgebouw voor collaborateurs”, werd aan actiecomité gevormd en werden protesten georganiseerd. Er kwam ook een tegencomité en het orkest zelf kreeg het er steeds moeilijker mee. De repetities verliepen probleemloos en het waren vooral de reacties van de zaal bij de uitvoering waarvoor men beducht was. De orkestleden wilden hooguit een wat kinderachtig aandoende minidemonstratie houden: niet delen in het applaus, niet opstaan voor de dirigent.

Zaterdag 27 januari was de ‘volksuitvoering’ van het Requiem met Gré Brouwenstijn, Elsa Cavelti, Walther Ludwig en Cesare Siepi als solisten en het Toonkunstkoor Amsterdam (dat zich loyaal achter de dirigent opstelde). De podiumplaatsen bleven vrij, er was politie in de zaal maar ordeverstoringen in de vorm van luid geschreeuwde leuzen, stinkbommen en andere projectielen, niet al te zachtzinnige zaaluitzendingen bedierven de uitvoering geheel. 

Maar de zondagmiddag daarop werd nog dramatischer. Het ensemble nam plaats, maar op het moment dat Van Kempen wilde beginnen klonk gefluit uit de zaal, de politie wilde ingrijpen, op het podium stonden 62 van de 80 orkestleden op en verlieten het podium en na wat geharrewar werd het concert afgelast. Wat dit voor de vrijwel gerenaturali seerde dirigent moet hebben betekend, is moeilijk te bevatten. Ook in Den Haag waar de dirigent nog contracten had, braken rellen uit. Ik durfde hem er eigenlijk ruim vier jaar na dato niet naar te vragen.

Achteraf is het ook wel erg inconsequent: wel in alle rust en beslotenheid Philips opnamen maken met de dirigent – hij was het die in mei 1951 in Amsterdam de eerste lp opname ooit van het Concertgebouworkest maakte met de Pathétique van Tchaikovsky, in december dat jaar de Vijfde, aangevuld met kortere werken. 

Intussen wist Van Kempen echter in de beslotenheid van de omroepstudio’s in de periode 1949-1955 van het Radio Filharmonisch Orkest een voortreffelijk ensemble te maken en gaf veel kennis en ervaring aan jongeren door tijdens de dirigentencursussen van de NRU in Hilversum en de zomeracademie in Siena (1953/5) en werd hij in 1952 Generalmusikdirektor in Bremen. Het is natuurlijk pure speculatie, maar in andere tijden en onder gelukkiger omstandigheden had hij best naast of zelfs in plaats van Van Beinum bij het Concertgebouworkest kunnen eindigen.

Anno 2007 kan men zich in gemoede afvragen: is het niet hoog tijd om deze uitmuntende dirigent te rehabiliteren? Bovendien had hij ook de pech dat zijn opnamen ontstonden in de nadagen van de 78-toeren plaat (al dan niet met verlengde speelduur) en de eerste 45t. plaatjes en lp’s. Een achteraf weinig bekoorlijke periode die helaas niet erg tot restauratie op cd noodt.

Q-Disc gaf zulke waardevolle cd albums uit die gewijd zijn aan andere grote dirigenten die in Nederland werkten: Mengelberg, Van Beinum, Van Otterloo, Chailly. Misschien is het nu tijd voor een Van Kempen collectie. Een begin is er, maar komt wel uit het buitenland, namelijk van Tahra dat drie albums met telkens twee cd’s uitgaf onder de titel The art of Paul van Kempen.

Het eerste blok bevat pittig gearticuleerde uitvoeringen van Beethovens symfonie br. 8 en Liszts Les Préludes uit de jaren 1940 plus werk van Mendelssohn en Rossini en er is een prachtig gerealiseerd pianoconcert nr. 2 van Brahms met Adrian Aeschbacher als slordige solist.

Het tweede blok bevat opnamen met het Concertgebouworkest uit 1943 met een kernachtige negende symfonie van Schubert, een vlotte, evenwichtige vijfde van Sibelius en een lenige symfonie nr. 104 van Haydn. De derde aflevering bevat een straffe Bruckners nummer vier met het Radio filharmonisch orkest uit 1950 en wat Wagner met het Milansese Scala orkest van minder belangrijk gehalte en tot slot de romp van Dvoraks negende (slechts de eerste twee delen), ook uit Hilversum.

Aflevering 1 biedt een summiere biografie, deel 2 een discografie. Het wachten is op eventueel meer symfonische gedichten van Liszt (Tasso en Mazeppa) en die veelgeprezen Hiller variaties van Reger op DG.

Biografie

Kees de Leeuw: Dirigeren is geen beroep maar een roeping. Leven en werk van Paul van Kempen. Gopher, 269 blz. 2007

(1992/2007)

Discografie

(tenzij anders vermeld cd’s)

The art of Paul van Kempen. Tahra TAH 512/7 (6 cd’s).

Beethoven: Symfonie nr. 3. Berlijns filharmonisch orkest. Philips A 00177 L (lp)

Beethoven: Symfonie nr. 7. Berlijns filharmonisch orkest. Philips A 00180 L (lp)

Beethoven: Symfonie nr. 8. Berlijns filharmonisch orkest. Philips A 00179 L (lp)

Beethoven: De 5 pianoconcerten. Wilhelm Kempff met het Berlijns filharmonisch orkest. DG 435.744-2, 474.023-2 (3 cd’s).

Beethoven: Vioolconcert. Wolfgang Schneiderhan met het Berlijns filharmonisch orkest. DG 477.5263.

Beethoven: Ouverture Die Weihe des Hauses. Berlijns filharmonisch orkest. DG LVM 72470 (78t.)

Berlioz: Ouverture Benvenuto Cellini. Berlijns filharmonisch orkest. DG NL 32037 (78t.)

Brahms: Pianoconcert nr. 2. Adrian Aeschbacher met het Berlijns filharmonisch orkest. DG LPM 18024 (lp)

Brahms: Vioolconcert. Wolfgang Schneiderhan met het Berlijns filharmonisch orkest. DG LPM 18132 (lp), 477.5263.

Brahms: Akademische Festouverture. Berlijns filharmonisch orkest. DG LV 36028 (78t.)

Brahms: Hongaarse dansen nr. 1, 3, 5, 6, 17-21. Berlijns filharmonisch orkest. DG  LV 36054/55 (78t.)

Brahms: Hongaarse dansen nr. 1, 6, 17-20. Berlijns filharmonisch orkest. DG EPL 30028 (45t.)

Brahms: Hongaarse dansen nr. 3-5. Berlijns filharmonisch orkest. DG NL 32010 (78t.)

Bruckner: Symfonie nr. 4. Radio filharmonisch orkest. Telefunken LGX 66026/7 (lp)

Falla: ‘Rituele vuurdans’ uit El amor brujo; Albeniz: ‘Cadiz-Castilla’ uit Suite española nr. 1. Cor de Groot met het Radio filharmonisch orkest. Philips N 402006 E (78t.)

Haydn: Symfonie nr. 104. Concertgebouworkest. Polydor 68207/10 (78t.)

Leoncavallo en Mascagni: Intermezzi uit I Pagliacci en Cavalleria rusticana. Radio filharmonisch orkest. Philips N 12011 G (45t.)

Leoncavallo en Mascagni: Fragmenten uit I Pagliacci en Cavalleria rusticana. Groot omroepkoor en Radio filharmonisch orkest. Philips N 402010 E (45t.)

Offenbach en Verdi: Fragmenten uit Les contes d’Hofmann en Il trovatore. Groot omroepkoor en Radio filharmonisch orkest. Philips N 11176 G (45t.)

Reger: Hillervariaties. Berlijns filharmonish orkest. DG LPM 18074

Rossini: Ouverture Guglielmo Tell. Berlijns filharmonisch orkest. DG LVM 72115 (78t.)

Schubert: Symfonie nr. 9. Concertgebouworkest. Polydor 68230/6 (78t.)

Sibelius: Symfonie nr. 5. Concertgebouworkest. Polydor 68082/5 (78t.)

Sibelius: Symfonie nr. 7. Radio filharmonisch orkest. Telefunken TM 68005 (lp)

J. Strauss: Radetzky mars; Schubert: Marche militaire D. 733. Concertgebouworkest. Philips N 12048 H (45t.)

Tchaikovsky: Symfonie nr. 5. Concertgebouworkest. Philips A 00141 L (lp)

Tchaikovsky: Symfonie nr. 5; Capriccio italien. Concertgebouworkest. Philips 420.858-2.

Tchaikovsky: Symfonie nr. 6. Concertgebouworkest. Philips A 00120 L (lp)

Tchaikovsky: Ouverture 1812; Capriccio italien. Concertgebouworkest. Philips A 00603 R (lp)

Tchaikovsky: Romeo en Julia. Concertgebouworkest. Philips A 00128 R (lp)

Tchaikovsky: Slavische mars. Concertgebouworkest. Philips A 11156 G (78t.)

Verdi: Requiem. Gré Brouwenstijn, Maria von Ilosvay, Petre Munteanu, Oskar Czerwenka met koor en orkest van de Accademia di Santa Cecilia Rome. Philips A 00284/5 L (lp)

Verdi: ‘Gloris all’Egita’ uit Aida; 2 koren uit Nabucco. Groot omroepkoor en Radio filharmonisch orkest. Philips N 402014 E en N 11175 G (78t.)

Wagner: Voorspel derde akte en ‘Treulich geführt’ uit Lohengrin. Groot omroepkoor en Radio filharmonisch orkest. Philips N 11175 G (78t.)

 

Weber: Ouverture Oberon; ‘Ozean du Ungeheuer. Gré Brouwenstein met het Radio filharmonisch orkest. Philips N 12057 G (78t.).