Uitvoerende Kunstenaars

GRUBEROVA, EDITA

EDITA GRUBEROVA: ZERBINETTA NR. 1

Een toevalstreffer. Bij de Harzburger Musiktage in 1979 viel een concert op, dat op basis van zijn artistieke doelstelling veel rekening hield met de belangen van de menselijke stem. De titel van dat concert wees aantrekkelijk vaag op die bijzondere positie. Want met het predikaat "mooie stem" omschrijft men gewoonlijk al die korte deelmomentjes, die in het voorgeborchte van de analyse worden opgemerkt, geanalyseerd en gewaardeerd, maar die moeilijk nader in detail te formuleren zijn.

Zang is in het bewustzijn van de mens niet zozeer een kunstvorm als wel een facet van de mededeling met behulp van spraakklanken, die zich niet - zoals bijvoorbeeld vioolspel - aan het streven van ongeoefende leken onttrekt. Iedereen heeft wel eens een liedje gezongen, maar op een trompet kan alleen een getraind instrumentalist direct de juiste toon produceren. Daaruit is te verklaren, waarom de meerderheid van alle met muziek geconfronteerde mensen zangprestaties makkelijker kan beoordelen of meent te kunnen beoordelen dan instrumentale muziek. Het waarnemingsvermogen op dit gebied lijkt voort te spruiten uit een allereigenste, aangeboren affiniteit met het vocale. Dit ‘luisteren’ neemt juist omdat het met de verfijnde discipline van het zingen - lied of opera - niet vertrouwd is met verregaand algemene beoordelingscriteria genoegen. Het beslist met elan en zuiver gevoelsmatig of een stem ‘mooi’ is of niet.

Een zangeres van het slag Edita Gruberova - want zij was het, die als "mooie stem" was aangeduid - herinnert eraan, dat dergelijke beoordelingsfrasen op kunstgebied bedenkelijk zijn. Ze herinneren er ook aan, dat het dan als regel alleen gaat om de bezitters van fraai materiaal en niet om zingende persoonlijkheden, die werken op basis van gedegen technische vorming en met het vermogen om het hun ter beschikking staande materiaal doelgericht en langdurig in te zetten.

Haar zangtechniek is fenomenaal. Zelf vindt ze dat vanzelfsprekend en geen deugd. Die techniek mag je niet waarnemen, is slechts doel en geen middel. Het gaat haar om de psychologie van het drama, de emotie, de conflicten van de rol: “Hoe zing ik iets, wanneer haal ik waar adem, hoe tref ik die toon? Als dat alles vanzelfsprekend is, zeg ik: het zingt. Ik noem dat een begenadigde toestand, maar het duurt heel lang voordat je die hebt bereikt. Angst voor de hoogste tonen heeft ze niet, “omdat ik het proces dat daartoe leidt volkomen onder controle heb”.

Moeite heeft ze soms ook met het huidige regietheater. “Ik herinner me een Rigoletto in Florence waar ik als Gilda op een schommel moest zitten tussen levensgroot afgebeelde figuren van Hitler, Stalin en Chaplin en waar soldaten rond marcheerden. Dat gaat mijn verstand te boven. Wanneer de regie tegen de muziek en het verhaal ingaat, kan ik er niets mee beginnen.” Dan liever een concertant optreden. “Het is heel wat anders als het orkest ook op het podium zit, De zang is dan ingebed in de muziek, het orkest is dan echt een partner en je reageert anders door nog beter naar elkaar te luisteren”.

Gezongen wordt met kracht en jeugd wordt in het zangersjargon wel beweerd. De honoraria zijn goed, de klanken niet altijd. Maar bij Edita Gruberova kloppen de klanken en kloppen de rollen. Ze hoedt zich ook meer dan vijftig optredens per jaar te geven; ze weerstaat lucratieve aanbiedingen die de grenzen van haar vak overschrijden. Dat vak: het virtuoze siergezang, het balcanto kanarie repertoire van Italiaanse componisten als Donizetti, Bellini en Rossini. Overigens zonder regelmatige uitstapjes in het verdere coloratuurvak te schuwen. Zonder haar zouden niet alleen Donizetti’s koningsdrama’s Anna Bolena, Roberto Devereux en Maria Stuarda, Bellini’s Beatrice di Tenda, La sonnambula, I Capuletti e i Montecchi en Il pirata vermoedelijk nooit zijn vereeuwigd. Daarnaast lichtte ze heel wat afzonderlijke aria’s en duetten uit dit repertoire. Anderzijds vermijdt ze rollen waarvoor ze beducht is. Janaceks Jenufa bijvoorbeeld. “Ik houd van de muziek, van de rol en de taal. Natuurlijk kan ik dat zingen, maar ik ben bang dat er daarna geen Anna Bolena meer is.” 

Dat bleek pas echt toen ze destijds tijdens het Salzburg Festival kort na elkaar en zonder lange voorbereiding onder Karl Böhm zowel de lastige rol van Zerbinetta in Ariadne auf Naxos als de koningin der nacht uit Mozarts Zauberflöte moest zingen. Hoe het daartoe kwam? Op een keer – Gruberova was al zes jaar verbonden aan de Weense opera – zong ze in de lege zaal die ongeveer elf minuten durende aria van Strauss, ‘Grossmächtige Prinzessin’, die behoort tot het moeilijkste dat van een stem kan worden gevergd. Ze deed dat met als uitgangspunten stilistische bedachtzaamheid, een streven naar stralende, mooi afgeronde en goed geïntoneerde hoge tonen, met fraseologisch inlevingsvermogen en geheel in de geest van een teamwork, dat er niet primair op is gericht individueel punten te scoren. In de zaal zat toevallig een oudere heer, die zich ontpopte als de toen reeds 82-jarige Karl Böhm. “Mijn kind”, zei hij even later, “als Richard Strauss je had kunnen horen, had hij beslist gezegd: deze rol heb ik voor jou geschreven.” Haar internationale doorbraak begon daarmee echt goed in 1976; sindsdien ontstonden zo’n tachtig deels live opnamen van haar. Dirigenten als Carlos Kleiber, Nikolaus Harnoncourt en Georg Solti engageerden haar onmiddellijk. Zoals eerder Böhm, was Solti met name getroffen door haar ‘Traurigkeit ward mir zum Lose’, de aria van Konstanze uit Mozarts “Entführung”. Maar zoals een aantal keren in Wenen en München bleek: feitelijk moet men Gruberova in natura horen. Haar stem is blijkbaar moeilijk door microfoons te vangen. Meer dan verwacht is ze zelf ook wat ongelukkig met haar meeste opnamen. Ze heeft zich ook nooit exclusief aan een label gebonden en beperkt het aantal registraties. Sinds 1992 werkt ze haast uitsluitend met het kleine Zwitserse label Nightingale.

Edita Gruberova komt uit de CSSR, werd 23 december 1946 in Raca bij Bratislava geboren. Haar ouders hadden wijngoederen in de bergen, maar haar vader zat tijdens de oorlog enige tijd als communist en verzetsstrijder in de gevangenis en later, na de onteigening van zijn bezit en als anticommunist opnieuw vijf jaar. Toen hij vrij kwam, was hij een gebroken man. De zangeres in spe groeide op in een kolchoz, waar ze moest meehelpen, maar intussen wel leed aan kinderreuma. Aanvankelijk zou ze verpleegster worden, maar de dorpspastoor bepraatte haar en zorgde voor een plaatsje op het conservatorium van Bratislava. Daar studeerde ze vanaf 1962 zes jaar zang en slaagde cum laude. Met de rol van Rosina uit Rossini's Barbier van Sevilla debuteerde ze in 1968 aan het plaatselijke Nationaal Theater, dat echter verder nauwelijks emplooi voor haar had. Ze deed een auditie in Wenen en kreeg een aanstelling aan de Staatsopera. In 1971 verliet ze Tsjechoslowakije definitief in verband met haar aanstelling in Wenen, waar ze in 1970 meteen met succes als koningin van de nacht werd ingezet. In maart 1971 vluchtte de hoogzwangere Gruberova met haar moeder naar het Westen. Een week later werd de baby geboren. Van een inkomen van ongeveer ƒ2.000 in de maand moest ze haar familie – moeder, haar nog muziek studerende echtgenoot, de baby en zichzelf – onderhouden. Behalve die Koningin van de nacht kreeg ze aanvankelijk in Wenen alleen page- en dienstbodenrollen. 

Sindsdien stond ze daar meer dan zevenhonderd keer op het toneel.

In Salzburg zong ze in 1979 twee extreme rollen, waarvoor aan bijna alle theaters problemen bij de goede bezetting bestaan. Vandaar de voor de hand liggende vraag, hoe een coloratuursopraan twee rollen van zo'n technische moeilijkheidsgraad, die bovendien zoveel muzikale spitsvondigheid vereisen aan kan. Edita Gruberova motiveerde deze grenswaarden van de vocale belastbaarheid op tegelijk materialistische en metafysische manier. Ze verklaarde haar fenomenale prestaties in de hoogste etage van de zangkunst met haar techniek, maar in het geval van de Toverfluit-première onder James Levine ook met ‘Gods hulp’.

De zangeres legde er de nadruk op, dat ze niet de eerzucht heeft om luk raak alles te zingen wat in principe geschikt voor haar is, zoals dat bij sommige collega's het geval is. "Ik zou dat ook niet kunnen", voegde ze daaraan toe. "De reden? Mijn specifieke stemomvang en -kleur predestineren me voor een vak, dat in de operaliteratuur slechts beperkt in aanmerking komt. Dat heeft natuurlijk ook te maken met de werken, die steeds weer op het speelplan verschijnen. Binnen die muzikaal-literaire bandbreedte speelt de partij van Zerbinetta uit Ariadne auf Naxos wel de hoofdrol. Voor mij is het zonder meer dè ideale rol. Alsof Strauss hem voor mij heeft geschreven. Ik neem ook aan, dat hij over mijn invulling van die rol tevreden zou zijn." Dit als blijken van realiteitszin en een gezond zelfbewustzijn.

Gruberova heeft de reputatie van een der beste bel canto zangeressen te zijn in het lyrische coloratuur sopraan vak; een der besten uit het post Sutherland tijdperk. Gewend als men was om haar vooral in Duitse hoge coloratuur rollen - Koningin der nacht en vooral Zerbinetta, de paraderol die ze ruim 170 maal vertolkte - te horen, was het een verrassing dat ze zich begin jaren negentig ook aan Verdi’s Violetta in La traviata waagde. Liefst met Neil Shicoff als Alfredo naast haar. Haar argumentatie: Verdi verlangt hier de kleur van een coloratuur stem, niet het misthoorn type van een Lady Macbeth of Abigaille, maar een fil di voce en ook de instrumentatie is licht. Haar motto is ook: mijn stem bepaalt mijn repertoire en niet concertagenten of dirigenten. “Ik ben wel voor Leonora in Forza del destino en de keizerin in Frau ohne Schatten gevraagd, maar ik ben daar nooit op ingegaan!”

De momenteel als beste Zerbinetta geprezen zangeres, die deze coloratuur slalom intussen ruim zestig keer met succes heeft uitgevoerd, moest jaren terug met diezelfde rol nog steeds om erkenning vechten. Na haar emigratie uit Tsjechoslowakije naar Oostenrijk toonde men bij de Staatsopera geen belangstelling. De doorbraak kwam, toen Gruberova toch nog in het Ariadne-ensemble werd opgenomen en bij de laatste reeks hernieuwde voorstellingen onder Karl Böhm haar visitekaartje zo overtuigend afgaf. Sindsdien wordt ze over de hele wereld voor deze rol uitgenodigd, tot in Spanje toe. Ze maakte er twee geluidsopnamen van en een beeldplaat.

Daarnaast werkt Gruberova vooral aan haar liederenrepertoire. Kernpunt is ook hier Richard Strauss. Dit als zinvol tegenwicht van de opera-optredens. Daar schittert ze vooral als Lucia di Lammermoor en Maria Stuart, als Olympia in Hoffmanns vertellingen en in de voor haar passende Mozartrollen, vooral die uit zijn vroegere werken.

Edita Gruberova is als verschijning en gesprekspartner een vrouw met een terughoudend optreden: duidelijk in haar uitingen, een gedegen artistiek credo en een redelijk zelfbewustzijn, dat niet koketterend verkleind wordt. Ze weet nu wie ze is en wat ze kan. Ze beheerst de stembanden en haar adem, ze weet wanneer en hoe ze een crescendo moet aanzetten en hoe het vibrato als interpretatief middel moet worden gedoseerd. Dat betekent zang met toekomst. Ook al is bekend, dat het extreme hoog en coloratuur snelheid niet eeuwig oproepbaar zijn. Maar voorlopig zullen nog heel wat opera's van Bellini, Donizetti, Mozart en Richard Strauss door haar worden opgefleurd. Dat ze ook Aminta in de Schweigsame Frau wil zingen, is nog niet op muziekconserven doorgedrongen.  

Edita Gruberova heeft twee dochters en woont sinds haar tweede huwelijk met de pianist/dirigent Friedrich Haider in Küsnacht bij Zürich.