Uitvoerende Kunstenaars

BALTSA, AGNES

AGNES BALTSA: NIET ALLEEN TRAVESTIEROLLEN

Operazangers van nu lopen veel meer gevaar of etikettering binnen een bepaald stemtype dan zangers uit vroeger tijden. Dat is onder andere een gevolg van de nivellering van de seizoenprogramma’s en meer in het algemeen van het hele operabedrijf. Met vier of vijf goed ingestudeerde rollen zou een eersterangs zangeres momenteel goed in haar kost kunnen voorzien.

Agnes Baltsa, de Griekse mezzo deinst voor elke inperking op dit gebied terug. Niets is haar onaangenamer dan in een  muzikale sjabloon te worden ingedeeld. De successen die ze als Sextus in Mozarts Titus, als Cherubino in Nozze di Figaro, als Farnace in Mitridate, als componist in Strauss’ Ariadne auf Naxos, als Oktavian in de Rosenkavalier en als Romeo in Bellini’s I Capuleti ed i Montecchi had, bestempelden haar reeds als specialiste voor travestierollen. Hoewel de zangeres van nature gepredisponeerd lijkt voor jonge mannen rollen - ze is lang en slank, heeft een vurige blik en toont een levendige gelaatsuitdrukking - wil ze van deze specialisatie even weinig weten als van welke andere strakke indeling  als “Mozart specialiste” of Strauss specialiste” dan ook.

Ze taxeert zichzelf heel realistisch als een zangeres die sinds het begin van haar loopbaan niet alleen een steeds breder terrein wil verkennen, maar ook wil veroveren. Wie haar stem kent, weet dat in dit licht metallieke, volumineuze orgaan heel wat mogelijkheden schuilen. Allereerst een Eboli in Verdi’s Don Carlos, een Herodias in Strauss’ Salome en een Amneris, mogelijk ook een Brangäne en Kundry. Het Weense uitstapje naar Berlioz’ Les Troyens, waarin ze de Carthaagse koningin Dido zong in een overigens een goeddeels mislukte productie, bleef een geval apart; zij was ongeveer de enige die daar roem oogstte.

In een paar jaar is Agnes Baltsa tot de voorste rij mezzo’s doorgedrongen en de kroniek van haar werkzaamheden en opnamen is te lezen als een succesverhaal. Geboren werd ze op het eiland Levkas, in Athene studeerde ze naast zang ook muziekwetenschap. Bij haar eindexamen kreeg ze als onderscheiding een naar Maria Callas genoemde studiebeurs welke het haar mogelijk maakte om in München verder te studeren. Dat heeft er aanzienlijk toe bijgedragen dat ze een accentloos Duits leerde spreken en zingen.

In 1968 kreeg ze haar eerste engagement aan de opera in Frankfurt bij Christoph von Dohnanyi. Al op haar vijfentwintigste verscheen ze in 1970 als gastsoliste in de Weense Staatsopera om daar te debuteren in de met traditie voorbelaste rol van Oktavian. Die test doorstond ze met vlag en wimpel. Ze kreeg er onmiddellijk een verdrag voor drie jaar.

Vanaf toen ging het snel: in 1973 als componist in Ariadne in Berlijn, in 1975 als Angelina in Rossini’s Cenerentola, in 1976 als Dorabella in Mozarts Cosí fan tutte onder Böhm in de Scala en opnieuw als Cherubino in Covent Garden. Als Dorabella ook debuteerde ze in de V.S. in 1975 aan de opera in Washington. In 1976 was ze terug in New York tijdens concerten met Karajan en in 1979 zong ze Oktavian in de Met. Toen al stond de hele wereld voor haar open. Geen wonder dat haar agenda propvol is. Hoewel de verworven bevoorrechte positie haar vanzelfsprekend veel voldoening geeft, wil de zangeres niet teveel engagementen aanvaarden.

Terwijl ze met haar hartstochtelijke verrichtingen op het toneel en haar sanguinische temperament veel indruk maakt, is Agnes Baltsa van nature een rustig, intellectueel type. Toeval tracht ze te vermijden, goede planning is belangrijk, liever geen improvisatie. Alles wat ze op het operatoneel en het concertpodium doet is het resultaat van langdurige en grondige studie. Haar muziekwetenschappelijke achtergrond speelt daar zeker een rol in. Als ze een nieuwe rol instudeert, verricht ze parallel ook steeds bronnenonderzoek. Zo heeft ze zich bijvoorbeeld heel intensief op Carmen voorbereid. Sinds 1979 heeft ze deze rol op haar repertoire en ze volstond niet met het lezen van Prosper Mérimé’s verhaal. Literatuur over de geschiedenis van de opera en de uitvoeringspraktijk vormen daarbij ook een wezenlijk bestanddeel.

Wensen zijn er natuurlijk ook nog. Liefst zou Baltsa buiten Italië willen optreden in vroeg 19e eeuwse Italiaanse bravourerollen, maar de mogelijkheden daartoe zijn nogal beperkt. En eigentijdse muziek? Daaraan waagt ze zich niet omdat ze er geen uitdagingen in vindt die passen bij haar wezen en haar artistieke opvattingen. Wonen doet Baltsa in Zwitserland. Sinds 1974 maakt de zangeres platen. In de discografie zijn de details te vinden.