Uitvoerende Kunstenaars

SZERYNG, HENRYK

HENRYK SZERYNG: DE POOLSE MEXICAAN

Er moet een handjevol muziekliefhebbers zijn, dat rond 1953 net als ik voor het eerst met de naam van Henryk Szeryng werd geconfronteerd door prachtig lyrische, stijlvolle vertolkingen van Bachs Vioolconcerten en Sonates plus Partita's voor soloviool op Franse Odéon lp's. De solo-opnamen wonnen terecht meteen een Franse Grand Prix du disque. Nadere gegevens over de solist waren schaars. Bekend was, dat hij in Polen was geboren en het Mexicaanse staatsburgerschap bezat.

Pas veel later, nadat Szeryng veelvuldig in Europa en de V.S. optrad en ook opnamen ging maken voor RCA, Mercury, Philips en DG, werd geleidelijk meer over hem bekend. Aan zijn vriendschap met Artur Rubinstein had hij zijn optredens in Carnegie Hall en zijn RCA opnamen van Vioolsonates van Beethoven en Brahms te danken. Rubinstein had de violist quasi 'ontdekt'. In de V.S. gaf hij zelfs met het Boston symfonie orkest de wereldpremière van een vioolconcert van de in 1924 geboren Benjamin Lees, waarvan later niemand meer heeft gehoord.

Veel musici houden zich als hobby bezig met heel andere zaken. Die hebben dan meestal met andere kunstvormen - beeldende kunst, literatuur - te maken. Szeryng moet een  uitzondering zijn. Hij voorzag een aantal jaren in zijn levensonderhoud op grond van zijn linguïstische kwaliteiten. Gedurende de oorlogsjaren was hij verbindingsofficier van de Poolse generaal Sikorsky. Later speelde hij in de diplomatenwereld van zijn tweede vaderland Mexico een belangrijke rol.

In 1976 vond het volgende gesprek tussen de schuifdeuren met hem plaats. Attent gemaakt op die oude Bachopnamen zei Szeryng:

"Mijn leven is merkwaardig, maar op bepaalde manier ook heel bevredigend verlopen. Ik ben nu 41 en neem weer volop aan het concertleven deel nadat ik me destijds tien jaar voorname¬lijk aan het lesgeven heb gewijd. Van 1943 tot 1953 was ik het hoofd van de afdeling strijkers aan de Nationale Universiteit van Mexico in Mexico City. In die periode gaf ik misschien tien concerten per jaar. Aan het eind van die tijd was ik goed voorbe¬reid om voor de tweede keer aan een concertpraktijk te beginnen na zo lange afwezig¬heid omdat ik zelf zoveel had geleerd van dat onderwijs."

Maar het verhaal is langer en begint eerder. Szeryng werd in 1921 in Zelezowa Wola (de geboorteplaats van Chopin) bij Warschau geboren en kreeg eerst vanaf zijn vijfde jaar in Warschau van zijn moeder pianoles. "Muzikale vorming was nadrukkelijk onderdeel van de algemene opvoeding. Mijn moeder speelde heel goed piano. Geen virtuozenmuziek van Liszt of Rachmaninov, maar meer Beethoven, Schubert en Chopin." 

Maar van zijn vijfde tot zijn achttiende stond taalonderwijs centraal in zijn opvoeding en speelde de muziek nog geen hoofdrol. Hij schakelde van de piano over op de viool en kon op zijn achtste Bronislav Hubermann al het Mendelssohnconcert voorspelen.

“Ik was een turbulent kind en de muziek maakte me rustiger. Toen ik zeven en een  half was kwam de viool en in die tijd raakte ik verslaafd aan Bach. Ik speelde toen de Inventionen op piano. In de loop van mijn leven heb ik zo ongeveer al zijn muziek uitgebreid bestudeerd. Het is zoveel eenvoudiger en eerlijker om een werk voor je eigen instrument te benaderen wanneer je eerder de mogelijkheid had om de rest van zijn oeuvre te evalueren. In het begin beschouwde ik hem als een soort godheid, die menselijke en emotionele uitbarstingen vermeed. Toen ik las wat tijdgenoten over hem vertelden, besefte ik dat hij een hartelijk iemand was en dat je zijn muziek niet afstandelijk moest spelen. Hij was een zeer gelovig man die ook de tijd had om met zijn vrouwen te verkeren. Ik had hem wat graag willen ontmoeten, al was het maar om te horen wat hij van mijn vertolkingen vond. Op die lange Bachweg was de door U genoemde eerste opname van me begin jaren vijftig in de Parijse St. Eustache een belangrijke mijlpaal.”

 Twee jaar later pakte de jonge Szeryng op aanraden van Hubermann en met diens aanbeveling zijn koffers om in Berlijn bij Carl Flesch verder te gaan studeren.

"Als gefortuneerd industrieel had mijn vader een pied-à-terre in Berlijn en Parijs. Toen ik tien was verhuisden we naar Berlijn. Tot mijn dertiende studeerde ik daar aan de Musikhochschule bij Flesch en alles wat ik in violistisch opzicht weet en ken, leerde ik van hem. Let wel: ik zeg in violistisch opzicht, niet in muzikaal of interpretatief opzicht.” 

Hoe was Flesch als pedagoog?

"Veel mensen hebben ongetwijfeld zijn Mémoires gelezen, maar het lijkt me verstandi¬ger om zijn 'Kunst van het vioolspelen' te bestuderen. Daar getuigt hij van meer wijsheid en inzicht; de Mémoires zijn zo bitter van toon. Hij schreef in de inleiding van het pedagogische boek, dat het zijn bedoeling was om de student te bevrijden van slechte gewoontes en om hem aan te moedigen om zijn sterke kwaliteiten verder te ontwikkelen. En niet om hem aan te zetten tot het nabootsen van de leraar. De tragiek was alleen, dat Flesch een paar zwakke leerlingen zonder veel eigen persoonlijkheid had. Ze kopieerden hem in alles: vingerzettingen, streken, frasering. Anderen niet. Het vervelende was, dat uitgerekend die zwakke broeders zijn favorieten waren. Zijn advies tegen nadoen was zo ongeveer als de raad van een dokter, die je zegt dat je moet ophouden met roken en intussen zelf een sigaret opsteekt. Maar op het gebied van de techniek was hij een uitstekend leraar."

Na die periode bij Flesch boog het verloop van de carrière van wat een veelbelovend solist leek te worden in andere richting. Zijn ouders hadden ervoor gezorgd, dat hij een gedegen algemene ontwikkeling kreeg en niet werd opgefokt tot wonderkind. Hij was ook bedreven in geschiedenis en literatuur en is nu nog dankbaar, dat hij vloeiend zeven talen spreekt. Om zijn kennis verder te verbreden toog de jonge Szeryng in 1934 naar Parijs.

“Daar leerde ik in muzikaal opzicht veel van Georges Enesco en Jacques Thibaud. Dat waren eenvoudig goede vrienden. Ik heb bij geen van beiden echt gestudeerd, al heb ik wel het Vioolconcert van Beethoven opgenomen met Thibaud als dirigent."

Eigenlijk ging hij bij Gabriel Bouillon en Nadia Boulanger (voor compositie) in de leer en won hij een eerste prijs aan het Conservatoire national. Zijn belangstelling voor compositie was meer dan terloops en hij schijnt in die richting daadwerkelijk actief te zijn geweest, al zwijgt hij daar liever discreet over. Al op zijn dertiende was hij in Warschau, Boekarest, Wenen en Parijs als violist opgetreden.

In 1939 kwam het volgende keerpunt: na de val van Polen nam Szeryng dienst in het vrije Poolse leger in Engeland na contact te hebben opgenomen met de Poolse regering in ballingschap in Londen onder leiding van premier in ballingschap Sikorski; hij was in Schotland gestationeerd. Vanwege zijn grote talenkennis reisde hij met de generaal onder andere naar Canada, de V.S., Panama, Trinidad, de Perzische golf en Noord Afrika. Overal nam hij zijn viool mee en speelde voor de geallieerde troepen. Dat gebeurde in barakken, ziekenhuizen, hangars, op vliegdekschepen: overal waar hij maar dacht nuttig en gewaardeerd te zijn.

Verder verrichtte hij taken voor het Rode Kruis en andere sociale instellingen. In die Londense tijd leerde hij ook onze oud minister president Gerbrandy kennen.

"Ik had toen voor een verdere diplomatieke carrière kunnen kiezen, maar ik ontdekte hoeveel muziek voor de mensen kon betekenen buiten de concertzaal. In die tijd werd ik me bewust van de enorme communicatieve kracht van de muziek. Ik speelde voor soldaten en officieren, voor Europeanen, Amerikanen, Australiërs en Afrikanen en ze reageerden alle op dezelfde manier. Gedurende deze optredens in oorlogstijd kwam ik twee keer in Mexico. De eerste keer, tijdens een vijfdaags bezoek, ontmoette ik de president, generaal Camacho. Er waren vijfduizend Poolse vluchtelingen, meest ouderen en kinderen die per schip waren gekomen en die dringend een nieuw thuis en een nieuwe start nodig hadden. Dankzij de generaal lukte dat. Een op de laatste dag daar gegeven recital van veertig minuten leidde tot een vast engagement aan het eind van de oorlog. Toen die voorbij was, hoefde ik niet meer voor de regering te werken dus toen me werd gevraagd om in Mexico het vioolonderwijs te reorganiseren, heb ik geen moment geaarzeld. Ik heb twaalf jaar les gegeven aan de muziekfaculteit van de Nationale Mexicaanse universiteit. Verder heb ik zo’n zesentwintig ‘ster’ studenten over de hele wereld. Aan hen tracht ik een traditie door te geven."

Mexico kan altijd nog exclusief Szeryng claimen; hij reist op een Mexicaanse diploma¬tenpas en hij onderhoudt elke zomer nog contact met de universiteit. Maar natuurlijk ging hij ook terug naar Polen.

“In 1961 speelde ik als Mexicaans kunstenaar op het herfstfestival in Warschau. Na drieëndertig jaar was dat een emotionele gebeurtenis. Op het vliegveld kreeg ik een waardig welkom van de officials, die me in het Spaans, Engels en Frans begroetten. Ik antwoordde in het Pools en onmiddellijk was het ijs gebroken. Ik werd door iedereen omarmd. In 1962 en 1967 keerde ik daar terug. Misschien klinkt het wat naïef maar ik geloof dat ongeacht het regime het menselijk hart steeds het menselijk hart blijft. Goodwill en muziek zullen het altijd winnen.”

Tot welke nationaliteit voelt u zich nu het meest behoren? De Mexicaanse?

"Waarom ik me nog steeds zo jegens Mexico verplicht voel? Omdat dat land en zijn regering destijds een heel genereuze houding heeft ingenomen. Aan dat verblijf in Mexico heb ik goede vrienden overgehouden.  Waarschijnlijk zou ik nog steeds in Mexico lesgeven als ik niet in 1954 Rubinstein na een recital had ontmoet. Na afloop ging ik naar hem toe; we spraken Pools. De volgende dag speelde ik voor hem en hij adviseerde me concertviolist te worden. Het kostte me twee jaar om een opvolger aan de universiteit te vinden. Maar daarna kon ik met een gerust hart debuteren bij het Mexicaans symfonie orkest. Ik heb me ook voor Mexicaanse componisten ingezet. Voor Carlos Chavez bijvoorbeeld. Ook voor Czonka, Halffter en Montsalvatge."

Dat is vanuit Bach gezien de heel andere kant van het muziekspectrum, de hedendaagse muziek. U heeft o.a. de concerten van Berg en Khatchatoerian op het repertoire en U speelde dat onbekende werk van Benjamin Lees.

“Het standaard repertoire is prachtig, maar je moet het niet oeverloos vaak spelen. Dan wordt het routine. Ik speel ook wel werk van Ponce, Martinon, Chavez en de Sequensen van Haubenstock-Ramati. En dan zijn daar de nog onbekendere Carillo met zijn micro intervallen en de Australiër Felix Werder met zijn Strophe 68 voor soloviool. Maar in het algemeen houd ik me liever aan de wat behoudender componisten als Goldmark, Nielsen en Hahn."

Werk genoeg dus op allerlei gebied. Hoe verdeelt u de beschikbare tijd?

“Ik speel zo’n acht maanden per jaar, de rest van de tijd gaat in lesgeven en analyse zitten.”

Hoe ging het eigenlijk verder met die relatie met Arthur Rubinstein?

"Die was een grote morele steun. Vergeet ook niet, dat we allebei uitgeweken Polen waren. Nadat hij me voor het eerst had gehoord, zorgde hij met zijn grote invloed voor engagementen in Londen, Parijs en Berlijn. In 1956 verscheen hij na een optreden in Parijs in de artiestenkamer met in zijn gevolg een gedrongen man met een grote zwarte hoed: Sol Hurok, die mijn Amerikaanse optredens voortaan zou gaan regelen."

Kunt u nog wat naders zeggen over uw interpretatie van Bachs solowerken?

"Ik heb veel steun gehad aan het feit, dat ik ze eerst op het orgel speelde. Dat is voor polyfone werken ideaal. Met behulp van registers en pedaal kun je het beste een ingewikkelde fuga analyseren, het stemmenverloop volgen. Daarom begin ik de fuga's zacht om ze geleidelijk stem voor stem op te bouwen. Op het orgel gaat dat niet anders."

Orgel? Nadat de piano al zo gauw was opgegeven? 

"Voor mij was de piano alleen een middel om dieper in de muziek door te dringen. Dat geldt nog steeds. Het instuderen of opnieuw studeren van werken doe ik bij voorkeur aan de piano. Dan pas kun je het verloop van de stemmen goed volgen, de hele structuur nader leren kennen. Maar echte affiniteit heb ik verder nooit met het instrument gehad. Mijn oudere broer speelde viool. De mogelijkheid om aan vier snaren fraaie klanken te ontlokken lokte me meer dan die nuchtere zwarte en witte toetsen."

Hoe staat u tegenover de zogenaamde authentieke uitvoeringspraktijken bij de barokmuziek?

"De vraag is: moet je die muziek zo waarheidsgetrouw mogelijk benaderen, of moet je proberen om de genialiteit van Bach bijvoorbeeld met wat nieuwere middelen te interpreteren. Met alle respect voor de mening van anderen, die dikwijls op de meest intelligente manier op zoek zijn naar de grootst mogelijke authenticiteit, vind ik persoon¬lijk het laatste. Neem alleen al de strijkstok uit die tijd. Die had Bach ook alleen maar overgeërfd. Hij had zelf bepaald wel wensen op dat punt, dat blijkt wel uit zijn brieven. Een buigzamere stok, waarmee gemakkelij¬ker meer snaren tegelijk konden worden aangestreken. De moderne viool- en stokbouw staat dat toe. De Deen Telmanyi ontwikkelde destijds ook zoiets. Bovendien ontstaat zo de mogelijkheid om de voor¬naamste noten als melodiedragend te benadrukken en dat zonder de bij gangbare instrumenten bijna onvermijdelijke bijgeluiden en accenten. Ik blijf erbij, dat we Bach met de huidige instrumenten ook uitstekend kunnen dienen!"

Hoe staat u tegenover het maken van opnamen?

“Dat is een heel speciale en lastige functie voor een kunstenaar. Ik ben me er volledig van bewust dat ik iets doe wat als het ware de tijd vooruit is. Dat wil zeggen is speel voor een heel groot, onbekend publiek. De microfoon is je strengste criticus dan. Als je maar even slecht intoneert wordt dat na de derde keer luisteren ondraaglijk. Toch moet je het totale concept in de gaten houden en niet zelfbewust worden. Anders ben je verloren en moet je het aan de technici overlaten om dubieuze noten te vervangen. Men kan dat een schadelijke ontwikkeling in de richting van volmaaktheid noemen maar ik ben bang dat het onvermijdelijk is in de door hevige competitie beheerste mediawereld. Het is ook een reden temeer om nieuwe werken te spelen. Jammer genoeg denken de platenmaatschappijen daar anders over.”

Overigens: Sony heeft die eerste oude opname van Bachs solowerken keurig op cd heruitgegeven; de latere DG versie uit '67 is gelukkig ook naar cd verdoekt. Szeryng heeft in menig opzicht een idealisti¬sche instelling. Hij doceert graag in Genève en Mexico City, helpt waar mogelijk jong talent, fungeert als adviseur van de UNESCO en schonk ter gelegenheid van de 25e verjaardag van de vestiging van de Staat Israël zijn Stradivarius aan de stad Jeruzalem en in 1974 zijn Guarneri 'Sanctae Theresiae', een zusje van de viool waarop hij thans speelt, een de president van Mexico "opdat er begaafde jongeren op kunnen spelen."

Zelf ziet u er niet tegen op om twee grote vioolconcerten op één avond te spelen. Hoe lukt u dat?

"Ik beschouw mezelf in dat opzicht als een machine, die veel energie afgeeft maar tegelijk langs andere weg energie opslaat. De aandrijfkracht van deze dynamomachine is de muziek zelf."

(1976)