LEONCAVALLO: PAGLIACCI I

LEONCAVALLO: I PAGLIACCI en MASCAGNI: CAVALLERIA RUSTICANA 

 Pagliacci (Paljas) en Cavalleria rusticana (Landelijke ridderlijkheid) vormen sinds jaar en dag bedgenoten. De opera’s duren elk ongeveer 75 minuten en vertonen wat overeenkomsten. Beide werken gaan over de passies, jaloezieën en haatgevoelens van twee hechte gemeenschappen, in het ene geval van de inwoners van een Siciliaanse dorp, in het andere van een reizend toneelgezelschap in een Calabrisch stadje. Cavalleria rusticana gaat over een driehoeksverhouding tussen moeder, zoon en diens afgewezen minnares. Het werk wordt als het ware gedragen door een rijk gekleurd muzikaal tapijt en speelt gedurende Pasen. In I Pagliacci arriveert een rondreizend acteurs gezelschap om een voorstelling van een commedia dell’arte spel te geven. De illustratie van ware liefde, leven en haat wordt uitgebeeld via de wisselwerking tussen Tonio, Silvio, Nedda en haar man Canio. Samen veroorzaakten beide werken een revolutie van de verismo opera. 

Achtergronden

De Siamese tweeling van het operatheater begon een onafhankelijk leven. Pietro Mascagni’s Cavalleria rusticana werd in 1890 voor het eerst in een half leeg theater in Rome uitgevoerd. Het publiek reageerde wildenthousiast en het zou aardig zijn om te kunnen volhouden dat de componist daarop nooit terugblikte, maar hij deed dat in werkelijkheid nog vaak omdat hij nooit meer in staat was om het succes van dit meesterwerk in één akte te evenaren, laat staan te overtreffen. Zelf merkte hij enigszins treurig op dat hij al was gekroond voordat hij koning was.De jonge Ruggero Leoncavallo was allesbehalve ambitieus toen hij ervan droomde om een grandioze renaissance trilogie te schrijven. Op roem belust en dorstend naar geld besloot hij Cavalleria rusticana te overtroeven met zijn Pagliacci, waarvoor hij in een opmerkelijk kort tijdbestek van vijf maanden zowel het libretto als de muziek schreef. Toscanini gag in 1892 de eerste uitvoering en ook dit werk was meteen een groot succes. Beide werken waren niet automatisch partners, want in New York bijvoorbeeld ging Cavalleria rusticana vaak samen met langere werken van Donizetti en Gluck. Maar in 1893 werden zij gekoppeld en sindsdien zijn ze vrijwel onafscheidelijk. Ze passen in meer dan een opzicht goed bij elkaar, ook op cd. Elk werk kan net mooi afzonderlijk op een cd worden ondergebracht en beide vertonen ze overeenkomsten, al was het maar omdat ze spelen temidden van de nederigen, de zachtmoedigen en de niet zo ootmoedigen. Beide werken hebben ook een uitgesproken realistisch karakter gemeen in operatermen beschouwd en maken uitgebreid gebruik van volkse thematiek en referenties. Met hun flamboyante retoriek kunnen ze bij de luisteraar rillingen veroorzaken en wat beide werken tenslotte ook bindt is het soort cinematografische techniek van snelle overgangen tussen de ene en de andere situatie.De intriges behelzen driehoeksverhoudingen die onvermijdelijk leiden tot een voortijdige dood van de ene of andere geliefde (of would-be gelieven). In Cavalleria rusticana heeft Santuzza een affaire met Turridu, die nu zijn aandacht richt op sensuele Lola, de echtgenote van de vrachtrijder Alfio. In een jaloerse razernij vertelt Santuzza aan Alfio over de ontrouw van zijn echtgenote met tragische consequenties voor Turridu die door Alfio voor een duel wordt uitgedaagd (vandaar de titel) en daarin sneeft. Dit alles gebeurt rond de kerkdienst op Pasen wat een duidelijk religieuze kleurwerking verleent aan de partituur en waardoor Mascagni de gelegenheid kreeg om een orgel te gebruiken. In Pagliacci is het scenario ingewikkelder omdat de actie zich grotendeels afspeelt als spel binnen het spel, zo het echte leven weerspiegelend. In een proloog waarschuwt Canio de dorpsbewoners om het normale leven niet te verwarren met het toneelleven, hoewel dat nu juist precies is wat vervolgens staat te gebeuren. Nedda is getrouwd met de oudere en in wezen intens jaloerse Canio die de leider is van de troep rondtrekkende toneelspelers (zijn toneelnaam: Pagliaccio); wanneer hij ontdekt dat Nedda een relatie heeft met de jonge, aantrekkelijke Silvio, vermoordt hij haar tijdens een voorstelling en valt hij vervolgens Silvio aan die zich onder het publiek bevindt. Nedda wordt verraden door de boosaardige, ook jaloerse gebochelde Tonio die eerder met een zweepslag in zijn gezicht werd afgewezen door Nedda. De tweede akte speelt op het toneel, maar de emoties zijn echt. Tegen het eind daarvan heeft Canio dus zowel de te ambitieuze minnaar als de echte minnaar gedood, waarna hij het publiek vol tranen verklaart “dat het toneelstuk voorbij is”. Dat is een van de echt grootse momenten uit de operageschiedenis. Pagliacci is ook rond een kerkdienst gesitueerd, hoewel het hier om vespers gaat. Het werk bevat ook een bekend intermezzo. In de praktijk mogen bovendien sinds de dagen van Caruso tenoren huilen op het toneel. In de operageschiedenis gaat wat dat betreft niets boven de aria Vesti la giubba waarin alle vertwijfeling van een bedrogen komediant tot uiting komtDe muziek van Cavalleria rusticana is eenvoudigweg schitterend. Dit werk kan rustig gelden als het beste van de twee. Mascagni ontdekte bij zichzelf een muzikale ader die ook door Verdi werd bewonderd en die eigenlijk altijd voldoening schenkt. Hij schreef ook heel mooi voor de menselijke stem; de laatste tenoraria Vivo il vino (het Brindisi), A voi tutti salute! Was altijd een dankbaar shownummer voor vroegere beroemdheden als Caruso, Lauri-Volpi, Zenatello, Piccaver, Gigli en Björling.In feite bewaren beide opera’s het beste tot het laatst. Het verismo (realistische) aspect van beide werken wordt ook bepaald door het gebruik van “inheemse” muzikale stijl (zoals de doedelzakken in Pagliacci), expliciete erotische elementen en de ongeveer glas in lood kwaliteit van de schrijfwijze en de constructie waardoor elk gebaar meer dan levensgroot wordt afgebeeld. Hier is geen ruimte voor subtiliteit. Het begin van Cavalleria rusticana is typisch met zijn dwepende melodiek en zijn plotselinge contrasten tussen luid en zacht. Alsof het sensationele karakter van het geheel nog moet worden onderstreept, onderbreekt Mascagni het orkestvoorspel door een serenade van de tenor. 

De opnamen

Logisch dat in de loop ter tijd massa’s opnamen van beide werken zijn verschenen. Wie op grond daarvan aanneemt dat het dus niet moeilijk kan zijn een paar ideale versies te vinden, onderschat de problemen. De voor deze werken gewenste zangstijl bereikte in de eerste helft van de twintigste eeuw zijn hoogtepunt en is sindsdien alleen maar achteruitgegaan. Als nog ooit de hemel op aarde terugkeert – wat hoogst onwaarschijnlijk is – zouden we Caruso opnieuw kunnen beluisteren. Dan zouden ook Toscanini of De Sabata de directie op zich kunnen nemen.Luciano Pavarotti lijkt een slechte remplaçant als Canio in Pagliacci (Decca, Philips) als was het maar omdat zijn stem een onaangename harde kern heeft; waaraan hier behoefte bestaat, is aan een tenor die intens verdriet op een mildere, meer lyrische manier weet te uiten terwijl hij toch uitkomt boven een bijna Wagneriaanse orkestbegeleiding. Placido Domingo (RCA, Philips) ontbreekt het gewoon aan voldoende hoogte. Wie dat wil verifiëren moet eens naar Caruso luisteren in de beide belangrijke ariosi uit deze opera, vooral naar de laatste No! Pagliaccio non son in een opname uit 1910 (Nimbus), die nu nog iemand aan het huilen kan maken. Het is alleen al boeiend om ook eens naar het verschil in mentaliteit tussen bijvoorbeeld Jussi Björling en Mario del Monaco in deze rol te luisteren.Maar ook de sopranen vormen een probleem. De spinto stijl die het lyrische tot het dramatische oprekt (zoals in Madama Butterfly) komt er in het recente verleden nogal bekaaid af. Wie een van de drie in de Metropolitan opera gemaakte opnamen van Cavalleria rusticana uit het pre-tape tijdperk beluistert, zal zich goed bewust worden van hetgeen we tegenwoordig missen. Daar waren drie krachtige sopranen aan het werk met rijke, plooibare vocale instrumenten die luide hoge noten konden aanhouden zonder dat het geluid tot wiebelende moes desintegreerde. Het gaat om Elisabeth Rethberg (1937, Walhall WHL 8), Stella Roman (een echte favoriet, 1941 Walhall WHL 20) en Zinka Milanov (1943, Walhall WHL 34).Natuurlijk is het voor een juist historisch perspectief ook belangrijk om in Cavalleria rusticana Mascagni zelf aan het werk te horen in 1940 (Nimbus, Pearl), hoewel hij niet de spanning genereert die anderen opwekken en eerder slapjes leiding geeft. Maar de deelnemende zangers zijn hoogst interessant. De grote erfgenaam van Caruso was van de partij: Beniamini Gigli. Hij zong aan de zijde van de alleen nog in kenners kringen bekende zangeres Lina Bruna Rasa. Haar verpersoonlijking van de vertwijfelde Santuzza laat horen dat ze vanwege haar manische depressiviteit in een gesloten inrichting was geweest. Ook de Nimbus heruitgave van Pagliacci uit 1934 is de moeite waard. Opnieuw vooral vanwege de inbreng van Gigli in de titelrol; Iva Pacetti toont wat minder karakter als Nedda, maar zingt helder en krachtig. De radio opnamen van opvoeringen in de Met illustreren ook het onvermogen van menig tegenwoordig dirigent. Die weet namelijk vaak niet echt wat hij met de beide partituren aan moet. Op de een of andere manier is men verleerd om een melodie op een idiomatische, retorische manier te laten opbloeien. In plaats daarvan worden we onthaald op een ongedurige, gemakzuchtige mengelmoes van slecht geleide frasering. Giuseppe Sinopoli’s opname uit 1989 is een afschrikwekkend voorbeeld van hoe Cavalleria rusticana absoluut niet moet worden uitgevoerd.In sommige opzichten betekende ook Karajans vertolking met het Scala ensemble een ongelukkig voorbeeld voor de volgende generaties omdat hij probeerde een Duits systeem van articuleren door te zetten dat de muziek ongemakkelijk past en dat een opgeblazen indruk maakt.Om even bij Karajan te blijven. Waar zijn Cavalleria rusticana behoorlijk qua opvatting en orkestrale vormgeving haast te groot van opzet is, bezit zijn bezetting in de personen van Carlo Bergonzi’s stijlvolle, vurige Turiddu en Fiorenza Cossotto’s pakkende, erg gemotiveerde, heel gepassioneerde Santuzza wel topklasse vertolkers, die in menig opzicht ongeëvenaard zijn. Binnen die opvatting is te genieten van superieur orkestspel in vrij langzame tempi en een intens gezongen voordracht. De Caniorol is wat aan de zware kant voor Bergonzi maar verder getuigt Karajans Pagliacci  van flink wat dramatische kracht. Een bezwaar blijft dat zijn orkestpalet wat opgeblazen is en zijn frasering vaag. Guelfi, Panerai en Taddei bieden in hun verschillende rollen een heel idiomatische toon en dictie. Vergeleken met bijvoorbeeld Serafin en Von Matacic is het orkestgeluid erg gehomogeniseerd. Niet zelden ontstaat een hiaat in de muziek als Karajan even stilstaat bij een detail of wanneer hij het toneel overspoelt met meer vioolklank dan nodig is. Maar daar staan grote verdiensten van deze productie uit de Scala uit 1965 tegenover.Carlo Bergonzi is een stijlvolle, gevoelige Canio die beschikt over de juiste heroïsche eigenschappen. Hij beschikt niet over de diepte en de zoetgevooisdheid van Franco Corelli’s stem, maar de kracht die hij aan het eind van de beide prachtige nummers aan het eind van elke akte uitstraalt, is imposant. Wat jammer, dat Karajan verkoos om de dramatische vaart in de slotmaten van No! Pagliaccio non son op te offeren aan klankamplitude.Giuseppe Taddei is een donker getinte kernachtige Tonio, heel indrukwekkend al ontbreekt het hem wat aan de gelijkmatige toon van een Tito Gobbi. Hij acteert goed met zijn stem wat welkom is, maar hij zingt er niet altijd fraai mee wat jammer is. Hoe dan ook, hij heeft een afmattend treffen met Carlyle een stukje verder in de eerste akte als Nedda de ongelukkige acteur afwijst. Joan Carlyle was een late toevoeging aan Karajans bezetting, maar ze weert zich dapper. Ze toont wat minder zelfvertrouwen dan bijvoorbeeld Amara bij Tullio Serafin, maar er is geen gebrek aan passie in haar liefdesmuziek, noch ontbreekt het aan het slot aan shock effect. Over het geheel is ze misschien in vergelijking met echt Italiaanse sopranen wat koel, maar best treffend. Ugo Benelli en Rolando Panerai zijn nauwelijks overtroffen als Beppe en Silvio. Wat Pagliacci betreft vormt de vertolking van Bellezza uit de Metropolitan opera in 1934 een onvervangbaar en onvergetelijk document. De opera floreerde daar toen geweldig, wat zowel voor de Italiaanse als de Duitse tak geldt. Het doet er daarbij minder toe dat Lawrence Tibbett soms uit de bocht vliegt of dat Giovanni Martinelli even schreeuwt omdat het geheel is doortrokken van vitale dramatische energie en mooi aangezette muzikaliteit dat men eenvoudig de tekortkomingen vergeet. Dominant in deze uitvoering is de formidabele stem van Tibbett, een van de krachtigste en meest expressieve zangers uit zijn tijd. Wat betreft de zorg voor detail haalt hij niet bij Tito Gobbi, maar als hij de grote melodische frasen naar hun climax voert, wordt men volkomen in zijn wereld meegesleurd.Eenzelfde soort krachtige karakterisering wordt door Giovanni Martinelli getoond. Hij is hartverscheurend in zijn laatste bijdrage. Maar weinig zangers produceerden een zo hypnotisch effect op het toneel, ook al lijkt het wel duidelijk dat Jussi Björling aangenamer klanken van zich zou hebben gegeven. Aan de sopraan Queena Mario als Nedda herinnert zich vrijwel niemand meer. Dat is jammer, want zij was een zangeres die grote charme en teerheid bezat. Haar stem trilt fraai in het hoogste register en als ze Tonio’s avances afwijst wordt haar heerlijke toon ineens heel effectief tot azijn. Vincenzo Bellezza is de dwingende, gepassioneerde dirigent hier. Hij geeft vol zelfvertrouwen leiding, schijnt precies te weten wat hij wil en hoe hij dat moet bereiken. Hij was ook een ervaren dirigent van filmmuziek en de articulatie – met name in de sappige strijkers portamenti – verraden die routine die we kennen uit de soundtracks van toenmalige filmmuziek.Het slechte nieuws is, dat er een paar hiaten zijn in de overgangen tussen de gedubde oude acetaatplaten. Dit is dus niets voor degenen die zijn opgegroeid in de digitale era. Maar zover als dat mogelijk was met dergelijke oude platen bevatten ze veel informatie en de oppervlakteruis bevindt zich over het geheel “achter” de muziek.Het beleid waarmee sommige platenmaatschappijen hun oudere opnamen uitbrengen, weer intrekken en heruitgeven heeft raadselachtige trekken. Zoeken en wachten bieden soms uitkomst. Zoals bij deze EMI opname van Pagliacci door Lovro von Matacic (en als die echt niet verkrijgbaar is, kan men zich met Serafin troosten). Waarom is deze versie van Von Matacic zo goed? Het antwoord is vanwege een fenomenale stem die door sommige waarnemers van de zangkunst wordt beschouwd als de laatste der grote tenoren: Franco Corelli. Zeker, hij springt wat ruw om met de tekst, is wat dat betreft niet al te nauwkeurig, toont ook wat minder verbeelding dan de grootste tenoren uit het verleden – en dat zal sommige luisteraars danig storen – maar hij beschikt over een prachtig instrument, toont een natuurlijk gevoel voor lange frasen en zijn prestatie verdient superlatieven. Hij huilt aan het slot ook prachtig en in Vesti la giubba strijkt hij de frasen uit alsof het om een luxe fluwelen kledingstuk gaat. Op het culminatiepunt van zijn grote melodie moet men zin kernachtige toon koesteren.Wanneer zijn snikken wegsterven realiseert men zich dat Lovro von Matacic een dirigent is met een nobele geest die het orkestrale landschap volkomen beheerst en die aan het vaak voor deze werken ingezette orkest uit Milaan prachtige geluiden ontlokt. Zijn timing is al even feilloos en hij verleent echt belang aan het intermezzo zonder af te dwalen naar de opgeblazen klankwereld van Karajan (ook in Milaan).Tito Gobbi is hier marginaal minder aantrekkelijk dan bij Serafin; zijn toon is een tikje grover hier en hij gaat wat onnauwkeurig om met het eind van frasen. Niettemin bezit hij een formidabele presence. Sommige commentatoren hebben hun onvrede over de Nedda van Lucine Amara geventileerd; in elk geval werden ze niet door haar ontroerd. Ze is zeker minder theatraal dan Maria Callas, maar haar verfijning is best aantrekkelijk en het feit dat haar stem minder apart is, maakt het eenvoudiger om met de rol vereenzelvigd te worden. De bewuste opname werd in 1960 door Walter Legge geproduceerd.Luciano Pavarotti komen we op Decca onder Gavazzeni als Turridu en onder Patanè als Canio tegen. Zijn toon is vaak heel mooi, maar als Turridu is hij veel te luid en onsubtiel  Beide dirigenten houden de teugels een stuk strakker dan Karajan en zijn qua opvatting en uitwerking spannender dan Karajan. Hoewel sommige kleinere rollen in deze versie minder ideaal zijn bezet, is Julia Varady een  doorleefde Santuzza, die haar muziek met een verfijnde frasering en een fraaie toon vormgeeft; frappant hoe ze met een vrij zware stem toch heel goed jeugdigheid simuleert, met mame ook het gevoel van pijn in Voi lo sapete. Piero Cappuccilli’s Alfio is te nobel om geloofwaardig te zijn. Mirella Freni is een echt Italiaanse en hartstochtelijke Nedda.Een bijzondere Pagliacci is de EMI opname met Renato Cellini als dirigent omdat hieraan wordt meegewerkt door een lieftallige Victoria de los Angeles, die echter wat te licht is voor deze rol. Maar ze heeft Jussi Björling als stijlvolle Canio aan haar zij en is hoe dan ook nadere aandacht waard. In Cavalleria rusticana komen we De los Angeles ook tegen, ditmaal als Santuzza onder Gabriele Santini, die nadrukkelijk (bewust rekening houdend met haar persoonlijkheid?) een lyrische opvatting van het werk huldigt; de bitterheid van het drama komt zo wat tekort. Maar Corelli is opnieuw in topvorm hier.Cellini dirigeerde ook met succes  en ieder zweem van vulgariteit uitbannend een Cavalleria rusticana waarin Zinka Milanov de Santuzza is. Haar bewonderaars zullen deze versie zeker niet willen missen., vooral vanwege haar prachtige Voi lo sapete. In het duet is ook Merrills donkere, stoere timbre een belangrijk pluspunt. En opnieuw is Jussi Björling hier een uiterst muzikale en subtiele Turridu.In de van meet af aan goede, moderne hoek van de goedkope uitgaven scoort Alexander Rahbari weer eens goed met een heetgebakerde, goed opgenomen Cavalleria rusticana. Stefka Evstatieva is een gelukkig on-Slavische, dus gelukkig vrij vibrato-arm zingende, maar juist heel warmbloedige Santuzza; Giacomo Aragall als Turridu vertoont slijtageplekken. Wat dat betreft toont Eduard Tumagain als Alfio meer overtuigingskracht. Het Tsjechische ensemble laat ook in Pagliacci mooie dingen horen. Miriam Gauci is een temperamentvolle Nedda, Eduard Tumagian een puike Tonio. Als Canio huldigt Nicola Martinucci met zijn aangenaam klinkende tenor de juiste opvatting. Alleen leeft hij zich wat goedkoop uit in Vesti la giubba.Het vinden van een goede Cavalleria rusticana voor de tweede plaats op de ranglijst was niet zo eenvoudig. De voorkeur ging in dit geval tenslotte uit naar de Decca opname van Alberto Erede. In zijn weergave zijn zoveel deugden verenigd dat men haast niet verder hoeft te zoeken. Het is eigenlijk merkwaardig dat deze dirigent geen betere reputatie had want alles wat hij hier laat horen getuigt van inzicht en dramatische scherpzinnigheid. Hij weet voortreffelijk te laten fraseren en kan een melodielijn vanaf de eerste noot in de juiste richting sturen.De grote Zweedse tenor Jussi Björling was een natuurlijke, bijzonder intelligent zingende Turridu. Zijn fluwelige, glorieuze toon, zijn zoetgevooisde kopstem, zijn heldere borstregister en zijn vermogen om zich perfect te voegen in ensembles worden hier in deze aan het eind van zijn loopbaan gemaakte opname ampel getoond. Zijn slotaria, wanneer zijn wereld ineenstort, behoort tot de ontroerendste in zijn soort.Verder is daar Renata Tebaldi’s Santuzza. Majestueus in het hoge register. Ze zingt met een schier onuitputtelijke subtiliteit en een grote expressieve verscheidenheid. Haar Voi lo sapete, o mamma is heel wat scherper gefocusseerd dan bij haar aartsrivale Maria Callas en verlaat maar sporadisch het gezelschap van de kern van de noot. Ze is hier heel ontroerend.Waar alles zo volmaakt lijkt, wordt enige vergevingsgezindheid voor het koor verwacht dat de beroemde Paashymne nogal onzeker inzet. Maar wat het koor hier doet, klinkt wel authentiek en suggereert toch vertrouwdheid met de muziek al blijft twijfel bestaan of dit opzet is; misschien was het koor in wezen onder de maats. Het past ook mooi bij de onmiskenbare Italiaanse klank van het orkest met zijn zoetvloeiende strijkers en pieperige hobo’s. Ondanks wat bandruis is de (quasi historische) opname nog steeds van behoorlijk kaliber.Heel representatief is ook de RCA opname van James Levine die met Placido Domingo beschikt over een heel heroïsche en uitdagende Turridu. Renata Scotto is een heel karakteristieke Santuzza.Riccardo Muti heet een geweldig pietje precies te zijn waar het gaat om authentieke uitgaven van de opera’s die hij dirigeert; hij schoont alles haast fanatiek op. In het tweetal verismo werken blijkt daar alleen bij Leoncavallo wat van. Gek genoeg klinkt het werk daardoor anders dan gewoon. Tonio moet het ineens zonder heel wat hoge noten stellen en Canio zingt niet La commedia è finita, maar spreekt deze slottekst uit. Op de hem eigen heftige, fel dramatische wijze bant hij in beide vertolkingen elk gevoel dat het hier ook om een sentimentele werken gaat op hardhandige wijze uit. Hij is fel, houdt van elementaire kleuren, maar blijkt tenslotte ook nogal vulgair te zijn. Montserrat Caballé wordt enigszins onder druk gezet als Santuzza, maar ze redt zich fraai in Voi lo sapete en eindigt naar met een pakkende hartenkreet Io son dannata, net zoals ze treffend A te la mala Pasqua snauwt. José Carreras als Turridu schijnt zich hier helaas minder op zijn gemak te voelen en in de rest van de bezetting vallen vooral nog de welluidende Alfio van Manuguerra en de Mamma Lucia van veterane Astrid Varnay met een passend onvaste stem op. Kari Nurmela is teleurstellend in de proloog van Pagliacci en Renata Scotto klinkt ruw in het hoog als Nedda; José Carreras is hier overtuigender dan in de andere opera, maar nog steeds niet geweldig. Al met al niet een versie die aanspraak maakt op een hoge eindklassering. Als het om het streven naar zorgvuldigheid gaat, verdient de RCA opname van Pagliacci door Santi meer te waarderen. Die laste een paar extra passages in, met name in het duet van Nedda en Silvio. Ook verder is dit een respectabele lezing met heel goede zang van de hoofdrollen; Sherrill Milnes blinkt meteen in de proloog al uit.Wie op TV en radio destijds heeft genoten van de Kerstmatinée waarin Riccardo Chailly Pagliacci dirigeerde met de zangers in close-up. Op TV waren het vooral de zangers met hun expressief met de ontwikkeling van de tragedie wisselende gelaatsexpressie die de aandacht trokken. Nu het pure audioresultaat beschikbaar is, blijkt juist het sublieme aandeel van het Concertgebouworkest de aandacht op te eisen. En ineens beseft men dat zo’n 25 jaar beschikbare digitale opnametechniek nog nauwelijks echt representatieve opnamen van Paljas hebben opgeleverd: de ouwetjes domineren, zeker in interpretatief opzicht. Maar gelukkig zijn ook de hoofdrolvertolkers en het ongeroutineerd fris zingende koor van groot kaliber. Een treffende Canio van José Cura, vurig, niet huilerig, stijlvol fraserend, een toegewijde, gepassioneerde Nedda van Barbara Frittoli en een zuiver uitgebeelde Tonio van de jonge Carlos Alvarez.  Tullio Serafins Pagliacci werd in 1954 onder Walter Legge’s expertise als producer in Milaan vastgelegd. Het gaat dus nog om een mono opname, maar zoals bij zovele van zijn opnamen mist men het extra geluidskanaal nauwelijks. Wat we voor dat eventuele gemis in overdaad voor terugkrijgen, is een authentiek gevoel voor theater. Serafin kent het werk van haver tot gort uit de operapraktijk en neemt voor deze studioproductie geen gas terug.De proloog – die exotische weerkaatsing uit de barok – wordt niet alleen prachtig gezongen, maar ook aangrijpend door Tito Gobbi als Tonio, de pathetische clown die zich tot het publiek richt. Men is geneigd hem onmiddellijk te geloven wanneer hij zingt over arme toneelspelers als “mensen van vlees en bloed”. Dit is prachtige bel canto zang, ideaal begeleid ook. Di Stefano toont minder verfijning als Canio dan Franco Corelli bij Von Matacic. Hij heeft de kwalijke gewoonte om de toon te laag aan te zetten en naar boven te glijden, het ergst in No! Pagliaccio non son. Niettemin kan hij zijn stem laten huilen zonder er een karikatuur van te maken en hij toont de juiste mate aan zachtheid en kracht in Vesti la giubba. Serafin is weer eens boven alle kritiek verheven waar het de orkestrale vormgeving van de partituur betreft. Rolando Panerai is een echt sensuele Silvio.Callas met haar levendige, mooi gedifferentieerde uitbeeldingen van Nedda en Santuzza zal voor menigeen de raison d’être zijn om deze uitgave aan te schaffen. Toch is enige gerechte twijfel aan haar inbreng onontkoombaar. Ze treft beslist de kern, het emotionele hart van Santuzza en Nedda – aan de emotionele kwaliteit van haar zang bestaat niet de geringste twijfel. Als altijd ontdekt ze her en der onvermoede extra betekenis en is ze heel intens. Maar de hoge noten wapperen danig en verder is daar die bekende gedekte kwaliteit van bepaalde syllabes. De balans is echter in haar voordeel en in Qual fiamma avea nel guardo is ze heel overtuigend. De Cavalleria rusticana koppeling is even aanbevelenswaardig. Wie het dus om de combinatie van dit tweetal werken en de eenheid der uitvoerenden gaat, staat niets in de weg.   

 

Conclusie

De situatie is tamelijk complex aan het eind van de rit. Wie – vrij logisch – beide werken gecombineerd wil hebben, is ondanks zekere reserves het beste af met Karajan (DG) en Serafin (EMI). Verder Von Matacic (EMI), Santini (EMI) en eventueel – als het beslist goedkoop moet – Rahbari (Naxos). Voor Mascagni alleen komen vooral nog Erede (Decca), Levine (RCA), en voor Leoncavallo afzonderlijk  Chailly (Decca), Santi (RCA) en  Bellezza (Wallhall). 

 

Discografie

 

Cavalleria rusticana

Fedora Barbieri, Franco Romano, Giuseppe Giacomini met koor en orkest van de omroep Toscane o.l.v. Bruno Bartoletti. Fono FO 93F11.

Jessye Norman, Giuseppe Giacomini, Dimitri Hvorostovsky met het Ensemble van de Parijse opera o.l.v. Semyon Bychkov. Philips 432.105-2. 1990

Zinka Milanov, Jussi Björling, Robert Merrill met het Robert Shaw koor en het RCA symfonie orkest o.l.v. Renato Cellini. RCA GD 86510. 1953

Zinka Milanov, Giuseppe Gismondo, Benjamin Rayson met het Ensemble van de New Orleans opera o.l.v. Renato Cellini. VAIA 1053. 1963

Renata Tebaldi, Jussi Björling, Ettore Bastianini met het Ensemble van de Maggio musicale Fiorentino o.l.v. Alberto Erede. Decca 425.985-2

Martina Arroyo, Franco Bonisolli, Bernd Weikl met koor en orkest van de Beierse omroep o.l.v. Lamberto Gardelli. RCA 74321-25282-2. 1981

Julia Varady, Luciano Pavarotti, Piero Cappuccilli met het Londens operakoor en het Nationaal filharmonisch orkest o.l.v. Gianadrea Gavazzeni. Decca 414.590-2,  444.391-2. 1976

Fiorenza Cossotto, Carlo Bergonzi, Giangiacomo Guelfi met het Ensemble van La Scala Milaan o.l.v. Herbert von Karajan. DG 419.257-2. 1965

Elena Obraztsova,  Zerhauova, Peter Dvorsky met het Slowaaks filharmonisch orkest en het omroeporkest Bratislava o.l.v. Ondrej Lenard. Internationales Schall Archiv Opus 9356-2093.

Renata Scotto, Placido Domingo, Pablo Elvira met het Ambrosian operakoor en het Nationaal filharmonisch orkest o.l.v. James Levine. RCA 74321-39500-2. 1978

Lina Bruno Rasa, Beniamino Gigli, Gino Bechi met het Ensemble van La Scala Milaan o.l.v. Pietro Mascagni. Nimbus NI 7843/4, Pearl GEMMCDS 9288, Phonographe PH 506667. 1940

Lina Bruna Rasa, Antonio Melandri, Afro Poli met het Ensemble van de Italiaanse opera in Nederland o.l.v. Pietro Mascagni. Bongiovanni GB 1050-2. 1938

Giannina Arangi Lombardi, Maria Castagna, Ida Mannarini met het Ensemble van La Scala Milaan o.l.v. Lorenzo Molajoli. Preiser 90042.

Dessi, Gavazzi, uciano Pavarotti, Coni, Pons met het Westminster koor en het Philadelphia orkest o.l.v. Riccardo Muti. Philips 434.131-2.

Marina Krilovici, Cornel Stavru, David Ohanesian met het Ensemble van de Staatsopera Boekarest o.l.v. Mircea Popa. Carlton 30367-0051-2. 1966

Elena Obraztsova, Placido Domingo, Renato Bruson met het Ensemble van La Scala Milaan o.l.v. Georges Prêtre. Philips 416.137-2, 454.265-2. 1983

Stevka Evstatieva, Giacomo Aragall, Eduard Tumagian met het Slowaaks filharmonisch koor en het omroeporkest Bratislava o.l.v. Alexander Rahbari. Naxos 8660022. 1992

Delia Sanzio, Giovanni Breviario, Piero Biasini met het Ensemble van La Scala Milaan o.l.v. Carlo Sabajno. VAIA 1082. 1929/30

Victoria de los Angeles, Franco Corelli, Mario Sereni met het Ensemble van de Opera Rome o.l.v. Gabriele Santini. EMI 763.967-2. 1962

Giulietta Simionato, Mario del Monaco, Cornell MacNeill met het Ensemble van de Accademia di St. Cecilia Rome o.l.v. Tullio Serafin. Belart 450.016-2, Decca 421.807-2. 1960

Maria Callas, Giuseppe di Stefano, Rolando Panerai met het Ensemble van La Scala Milaan o.l.v. Tullio Serafin. EMI 556.287-2. 1953

Agnes Baltsa, Placido Domingo, Juan Pons met het Ensemble van Covent Garden Londen o.l.v. Giuseppe Sinopoli. DG 429.568-2. 1989

Elena Souliotis, Mario del Monaco, Tito Gobbi met het Ensemble van de Opera Rome o.l.v. Silvio Varviso. Decca 452.179-2.

In het Engels

Dennis O’Neil, Nelly Miricioiù, Phillip Joll, Diana Montague, Elizabeth Bainbridge met het Geoffrey Mitchell koor en het Londens filharmonisch orkest o.l.v. David Parry. Chandos CHAN 3005 (2 cd’s). 

 

Pagliacci

Joan Carlyle, John Vickers, Cornell MacNeill met koor en orkest o.l.v. Bruno Bartoletti. VAIA VAI 1014.

Queena Mario, Giovanni Martinelli, Lawrence Tibbett met het Ensemble van de Metropolitan opera New York o.l.v. Vincenzo Bellezza. Walhall WHL 23. 1934

Rosetta Noli, Mario del Monaco, Afro Poli met het Ensemble van de San Carlo opera Napels o.l.v. Vincenzo Bellezza. Lyric LCD 181. 1957

Victoria de los Angeles, Jussi Björling, Leonard Warren met het Robert Shaw koor en het RCA symfonie orkest o.l.v. Renato Cellini. EMI 566.778-2. 1953

José Cura, Barbara Frittoli, Carlos Alvarez met het Nationaal kinderkoor, het Groot Omroepkoor en het Concertgebouworkest o.l.v. Riccardo Chailly. Decca 467.086-2.

Pilar Lorengar, James McCracken, Robert Merrill met het Ensemble van de Accademia di Santa Cecilia Rome o.l.v. Lamberto Gardelli. Belart 461.141-2, Decca 452.179-2. 1967

Lucia Popp, Vladimir Atlantov, Bernd Weikl met het Ensemble van de Beierse omroep o.l.v. Lamberto Gardelli. RCA 74321-25282-2. 1983

Iva Pacetti, Beniamino Gigli, Mario Basiola met het Ensemble van La Scala Milaan o.l.v. Franco Ghione. Nimbus NI 7843/4, Pearl GEMMCDS 9288, Bongiovanni GB 1120-2, Opera CD 54534. 1934

Joan Carlyle, Carlo Bergonzi, Giuseppe Taddei met het Ensemble van La Scala Milaan o.l.v. Herbert von Karajan. DG 419.257-2, 449.727-2. 1965

Lucia Amara, Franco Corelli, Tito Gobbi met het Ensemble van La Scala Milaan o.l.v. Lovro von Matacic. EMI 763.967-2. 1960

Rosetta Pampanini, Francesco Merli, Carlo Galeffi met het Ensemble van La Scala Milaan o.l.v. Lorenzo Molajoli. Grammofono 2000 AB 78814, PHOG PH 506667. 1930

Gabriella Tucci, Mario del Monaco, Cornel MacNeil met het Ensemble van de Accademia di Santa Cecilia Rome o.l.v. Francesco Molinari-Pradelli. Decca 421.807-2.

Renata Scotto, José Carreras, Kari Nurmela met het Ambrosian operakoor en het Philharmonia orkest o.l.v. Riccardo Muti. EMI 763.650-2. 1979

Daniella Dessi, Luciano Pavarotti, Juan Pons met het Westminster koor en het Philadelphia orkest o.l.v. Riccardo Muti. Philips 434.131-2. 1992

Mirella Freni, Luciano Pavarotti, Ingvar Wixell met het Londens operakoor en het Nationaal filharmonisch orkest o.l.v. Giuseppe Patanè. Decca 414.590-2, 444.392-2. 1977

Arta Florescu, Cornel Stavru, Nicolae Herlea met het Ensemble van de Staatsopera Boekarest o.l.v. Mircea Popa. Carlton 30367-0045-2. 1966

Placido Domingo, Teresa Stratas, Juan Pons met het Ensemble van La Scala Milaan o.l.v. Georges Prêtre. Philips 411.484-2, 454.265-2. 1983

Nicola Martinucci, Miriam Gauci, Eduard Tumagian met het Slowaaks filharmonisch koor en het omroeporkest Bratislava o.l.v. Alexander Rahbari. Naxos 866021. 1992

Alessandro Valente, Adelaide Saraceni, Apollo Granforte met het Ensemble van La Scala Milaan o.l.v. Carlo Sabajno. VAIA VAIA 1062, 1082. 1929/30.

Placido Domingo, Montserrat Caballé, Sherill Milnes met het Aldis koor en het Londens symfonie orkest o.l.v. Nello Santi. RCA GD 60865, 74321-50168-2. 1971

Giuseppe di Stefano, Maria Callas, Tito Gobbi met het Ensemble van La Scala Milaan o.l.v. Tullio Serafin. EMI  747.981-2, 556.287-2. 1954

Raoul Jobin, Licia Albanese, Leonard Warren met het Ensemble van de Metropolitan opera New York o.l.v. Cesare Sodero. Naxos 8110037. 1930

In het Duits

Hilde Scheppan, Helge Rosvaenge, Karl Wessely, Karl Schmitt-Walter en Georg Hann met koor en orkest van de Berlijnse omroep o.l.v. Arthur Rother. Preiser 90030.

 

Melitta Muszely, Manfred Schmidt, Rudolf Schock, Marcel Cordes, Josef Metternich met het koor van de Duitse opera Berlijn en de Berlijnse Staatskapel o.l.v. Horst Stein. Berlin Classics 9102-2.

 

In het Engels

Dennis O’Neil, Rosa Mannion, Alan Opie, William Dazeley, Peter Bronder met het Geoffrey Mitchell koor en het Londens filharmonisch orkest o.l.v. David Perry. Chandos CHAN 3005 (2 cd’s).

 

Video

Cavalleria rusticana

Shirley Verrett,  Orani, Vespasiani met het Nieuw Russisch filharmonisch orkest o.l.v. Podic. Internationales Schall Archiv VA 169.065 (vhs).

Elena Obraztsova, Placido Domingo, Renato Bruson met het Ensemble van La Scala Milaan o.l.v. Georges Prêtre. Philips 070-1-3-3 (vhs).

Pagliacci

Margarita Lilova,  John Vickers, Gino Qulico met het Ensemble van de Canadese omroep Montréal o.l.v. Edoardo Müller. Internationales Schall Archiv VA 169.203 (vhs).

Placido Domingo, Teresa Stratas, Juan Pons met het Ensemble van La Scala Milaan o.l.v. Georges Prêtre. Philips 070-104-3 (vhs). 1983