LISZT: FAUST SYMFONIE
Vergelijkende Discografieen

LISZT: FAUST SYMFONIE

 

Net als Goethe in het tweede deel van Faust sluit Liszt, die net als Goethe een tijdlang in Weimar woonde, zijn Faust symfonie af met een ‘Chorus mysticus’. Een door empathische teerheid gedragen tenorsolo om het ‘ewig weibliche’ zingend te verklaren.

 

Achtergronden

Berlioz ontmoette de negentienjarige Liszt op 4 december 1830, de avond waarop zijn Symphonie fantastique in première was gegaan. Hij vertelde hem onmiddellijk over Goethe’s Faust in de Franse vertaling van Gérard de Nerval. In 1846 droeg Berlioz zijn dramatische cantate La damnation de Faust aan Berlioz op. Liszt deelde Berlioz’ enthousiasme voor het verhaal en droeg later zijn Faust symfonie aan hem op.

Aangenomen wordt dat de geheimzinnige doctor Faust aan het begin van de Renaissance in Duitsland leefde. Hij moet rond 1480 in Knittlingen zijn geboren, maakte net als Liszt een tussenstation in Weimar en stierf rond 1540 in Staufen.

Hij is omschreven als avonturier en geleerde, een dodenbezweerder en helhond van Satan, bedreven in zwarte kunst.

Aan het eind van de zestiende eeuw raakte zijn geschiedenis bekend in de populaire kunst van die tijd, in onder meer het marionettenspel. Een dergelijk poppenspel vormde de bron van het eerste literaire meesterwerk uit 1588 over Faust: de tragedie van Christopher Marlowe, de voorloper van Shakespeare. Sindsdien is de mythe van Faust niet alleen in vele landen en vele talen, maar ook in veel kunstvormen verwerkt: in de literatuur, de beeldende kunst en natuurlijk in de muziek (zie het artikel in de rubriek ‘Fonografie Muziek’).

Goethe’s tweedelige meesterwerk gaf en geeft daarbij nog steeds de toon aan maar na hem kwamen onder meer ook Nikolaus Lenau (die Liszt eveneens inspireerde) en Thomas Mann met belangrijke bijdragen.

In 1853 voltooide Liszt zijn enige Pianosonate waarin sommige biografen menen een niet nader omschreven Faust programma te kunnen terugvinden. Een paar maanden later, tussen augustus en oktober 1854 ontstond een eerste versie van de Faust symfonie bestaande uit drie karakterstudies van Faust, Gretchen en Mefisto in de vorm van symfonische gedichten. De orkestratie moest het nog stellen zonder zwaar koper en het slotkoor met tenorsolo ontbrak ook nog. In 1857 leek het werk compleet klaar; omdat Liszt geen opusnummers hanteerde, kreeg het later als identificatie de nrs. S 108 en 513.

Het ging 5 september 1857 in première ter gelegenheid van de plaatsing van een monument voor Goethe en Schiller in Weimar. De componist was echter nog niet helemaal tevreden en reviseerde het werk nogmaals voor een volgende uitvoering door Hans von Bülow in 1861, het jaar waarin ook de partituur werd gepubliceerd. Niettemin werden in 1880 nog tien maten aan het tweede deel toegevoegd.

Waar – zoals bij Gounod, Boito en Busoni – de operavorm voor de vertoning van deze stof nogal voor de hand lag, koos Liszt voor een losjes gestructureerde symfonische vorm. Hij noemde het werk Eine Faust-Symphonie in drei Charakterbildern. In die symfonische gedichten zijn de nodige thematische dwarsverbanden aangebracht.

Faust zelf, de gekwelde dromer met een haast onverzadigbare lust om te leven en te ontdekken krijgt in het eerste en langste deel – typisch in C - de meeste aandacht. Liszt geeft hier een goed voorbeeld van zijn beheersing van de transformatietechniek: dit deel van ongeveer een half uur lengte (het hele werk duurt ruim 70 minuten) is gebouwd op slechts vijf korte frasen.

Het iets kortere tweede deel staat in de milde toonaard As en geeft in haast kamermuzikale termen een teer portret van een verlangende Gretchen met in het midden een gepassioneerd orkestraal liefdesduet en een vredig slot. Hier wordt al een glimp gegeven van Liszts anti-Wagneriaanse houding uit zijn laatste levensfase.

Het aan Mefisto gewijde derde deel dat ‘de grote strijd’ uitbeeldt door middel van een groteske parodie op thema’s uit het eerste deel is het opmerkelijkst en gedurfdst. De Kwaadwillige, de Geest van de loochening heeft geen eigen thema’s, maar put deze uit die van Faust uit het eerste deel. De enige uitzondering vormt een citaat uit een vroeg werk van Liszt, Malédiction, dat daar de aanduiding ‘Trots’ heeft.

De Faust motieven worden nu op bijtend ironische en echt diabolische manier in metamorfosen ver-, ja misvormd. Zelfs een ‘infernale fuga’ ontbreekt niet. Maar satan is machteloos als hij wordt geconfronteerd met Gretchens liefde en haar thema blijft zuiver intact.

Daarna zet het koor in alle rust in met het Chorus mysticus waarmee Goethe’s Faust II eindigt om de kracht van de verlossing met de tenorsolo het ‘Ewig weibliche’ te vieren. Jaren later eindigde Mahler zijn Achtste symfonie met dezelfde tekst.

 

De opnamen

In het Lisztjaar 2011 blijkt de deplorabele toestand waarin de muziekindustrie verkeert duidelijk uit het niet meer normaal verkrijgbaar zijn van enige belangrijke opnamen. Jascha Horenstein zal waarschijnlijk niemand missen. Ook Janos Ferencsik is in vergetelheid geraakt. Met de komst van de na drastische sanering en inkrimping bij Decca zijn Solti en Chailly uit de catalogus verdwenen, Masur raakte  door de komst van Rattle op een zijspoor net als Muti, maar zelfs die opname van Rattle verdween onbegrijpelijk uit de EMI catalogus. Door de opheffing van Philips was Fischer hetzelfde lot beschoren en is het overgebleven veld danig kleiner geworden.

In 1956 vestigde Thomas Beecham met zijn eerste eigentijdse – maar nog wel mono - opname uit de Royal Festival Hall in Londen van het werk meteen een gouden standaard waarin volgende opnamen moesten worden gemeten. Zijn tempokeus is ideaal, het eerste thema uit het eerste deel klinkt mooi flamboyant en het Gretchen deel munt uit door fijnzinnigheid. Ook de duivel krijgt het volle pond aan gemenigheid. De beter uitgevoerde en stukken fraaier klinkende EMI opname verdient van het tweetal de voorkeur.

Bij Leonard Bernstein staat in het eerste deel vooral het mystieke en filosofische karakter van Faust voorop. Gretchen krijgt een intiem en levendig portret. In de finale wordt alle ruimte gegeven aan Liszts mengeling van sinistere diablerie en drama. De drie karakters en de wisselende stemmingen zijn fraai uitgetekend in tempi die iets langzamer zijn dan normaal. Hier ontmoet de ene showfiguur de andere in een gepassioneerde interpretatie met onder meer een markante gloed in het Gretchen deel. Jammer hooguit dat Kenneth Riegel wat schril klinkt in zijn solo.

Van Kurt Masur beschikken we over een gedegen vertolking die op zichzelf wel aardig voldoet, maar geen blijk geeft van extra inspiratie en motivatie. Intens doorleefde hoogtepunten treffen we niet aan.

Gelukkig voor zijn vroegere Rotterdamse fans is de best respectabele aanvankelijke uitgave van James Conlon in de Warner catalogus opgedoken. De realisatie getuigt van veel stijlbesef en toewijding en eigenlijk opvallend zonder het voorgaande tekort te doen: het is vooral het slot met tenor en koor dat diepe indruk maakt.

In een dubbelalbum keerde de briljante lezing van Georg Solti terug in de catalogus. Niet verwonderlijk speelt hij zijn hoogste troeven uit in de demonische Mefisto finale. Gretchen daarentegen komt wat aan innigheid tekort. Jammer dat de opname zo schel klinkt.

De meer martiale aspecten van Faust als man van actie krijgen bij Riccardo Muti alle aandacht. Het portret van Gretchen komt wat tekort aan minzaamheid, maar Mefisto krijgt met veel virtuoos orkestraal krachtvertoon een echt duivels aanzien.

Het zijn vooral de flair en aan de opera ontleende panache die de opvatting van Riccardo Chailly zo interessant maken.  Mefisto toont zijn scherpe tanden en klauwen.

Intens is de beste omschrijving voor de gedreven verklanking van Georg Solti, waarin Siegfried Jerusalem op haast Wagneriaans theatrale wijze zijn inbreng aflevert.

Gepolijst orkestspel mag men misschien niet verwachten van  András Ligeti. Veel zwier wordt aan Faust meegegeven en diens duistere verlangens krijgen ook mooi vorm. Gretchen maakt een aantrekkelijke indruk en Mefisto is boosaardig zonder een ondertoon van ironie. Het zijn de blazers die in het orkest de zwakke schakel vormen. Jammer genoeg is ook het vibrato van András Molnár wat te heftig.

Het moet tijdens een gastoptreden zijn geweest dat de ‘live’ opname van Simon Rattle ontstond. Weliswaar staat hij als een der betere uitgaven in mijn platenrek, verkrijgbaar is hij niet meer. Helaas geldt datzelfde voor de prachtvertolking van Iván Fischer die als bijzonderheid heeft dat het laatste deel een keer mèt en een keer zònder mannenkoor/tenor is vastgelegd. Laten we hopen dat Channel Classics die opname nog een keer heruitgeeft want de uitvoering behoorde tot de mooiste.

Bijzonder is de uitgave van Gianandrea Noiseda in zoverre dat hij het Mefistodeel ontdeed van de tenor- en koorbijdrage. Het werk wordt daardoor mogelijk wat compacter, effectiever en minder bombastisch. In het eerste deel treden een paar verschillen in de orkestratie op en het laatste, dus toch al gecoupeerde deel, is nog vijf maten extra bekort.

De vertolking zelf is helder, gedreven en van een scherpe karaktertekening. Precisie heerst, contrasten komen mooi uit. De Faust variaties hebben verschillend karakter, Gretchen straalt en Mefisto is in al zijn gemeenheid geschilderd.

Conclusie

De veiligste aanbeveling naar de stand van nu is Bernstein, ook (of juist) diens dvd uitgaaf. Wie Fischer nog te pakken krijgt, is ook goed af en wie het vocale slot kan missen, vindt bij Noseda al wat hij/zij wenst.

 

Discografie

 

1956 Ferdinand Koch met het Südwestfunk omroeporkest en –koor o.l.v. Jascha Horenstein. Vox CDX 25504 (2 cd’s).

 

1956 Alexander Young met het Royal philharmonic orkest en het Beecham Society koor o.l.v. Thomas Beecham. SOMM-BEECHAM 25.

 

1958 Alexander Young met het Royal philharmonic orkest en het Beecham Society koor o.l.v. Thomas Beecham. EMI 476.927-2 (2 cd’s).

 

1976 Kenneth Riegel met het Boston symfonie orkest en het Tanglewood festival koor o.l.v. Leonard Bernstein. DG 447.449-2.

 

1978 György Korondy met het Hongaars staatsorkest en het koor van het Hongaarse volksleger o.l.v. Janos Ferencsik. Hungaroton HCD 12022.

 

1981 Klaus König met het Gewandhausorkest en het Leipzigs omroepkoor o.l.v. Kurt Masur. EMI 574.521-2, 585.573-2 (5 cd’s).

 

1983 John Aler met het Rotterdams filharmonisch orkest en het Sloveens koor, Bratislava o.l.v. James Conlon. Erato ECD 88068, Warner 2564-61460-2.

 

1983 Gösta Winbergh met het Philadelphia orkest en het Westminster koor o.l.v. Riccardo Muti. EMI 749.062-2.

 

1985 Siegfried Jerusalem met het Chicago symfonie orkest en –koor o.l.v. Georg Solti. Decca 417.399-2, 466.751-2 (2 cd’s).

 

1991 Hans Peter Blochwitz met het Concertgebouworkest en het Groot Omroepkoor o.l.v. Riccardo Chailly. Decca 436.359-2.

 

1994 András Molnár met het Orkest van de Franz Liszt academie en het Hongaars Staatskoor o.l.v. András Ligeti. Naxos 8.553304.

 

1994 Peter Seiffert met het Berlijns filharmonisch orkest en het Senff koor o.l.v. Simon Rattle. EMI 555.220-2.

 

1996 Hans Peter Blochwitz met het Boedapest festival orkest en Hongaars omroepkoor o.l.v. Iván Fischer. Philips 454.460-2. (versie met en zonder slotkoor)

 

2005 BBC filharmonisch orkest o.l.v. Gianandrea Noseda. Chandos CHAN 10375. (versie zonder tenor en koor).

 

Bewerking voor twee piano’s

Pianoduo Bresciani en Pohl. Nuova Era NU 7284

 

Pianoduo Hitzlberger en Schütz. CPO 999.056-2.

 

Pianoduo Weichert en Bredohl. Musicom CD 031108.

 

Met onbekende opnamedatum

 

…. Parijs’ Conservatorium orkest o.l.v. Ernest Ansermet. Decca 442.999-2.

 

…. Placido Domingo met het Berlijns filharmonisch orkest en het koor van de Deutsche Oper, Berlijn o.l.v. Daniel Barenboim. Erato 3984-22948-2.

 

…. Christian Elsner met Orkest van de Deense omroep en koor o.l.v. Thomas Dausgaard. Chandos CHAN 9814.

 

…. Russisch Staatsorkest o.l.v. Alexander Gauk. Brilliant Classics 8866 (10 cd’s).

 

…. Jianyi Zhang met het Berlijns Radio symfonie orkest en het Berlijns omroepkoor o.l.v. Eliahu Inbal. Denon CO 75634.

 

Video

1976 Kenneth Riegel met het Boston symfonie orkest en het Tanglewood festival koor o.l.v. Leonard Bernstein. Euro Arts 207207-8 (dvd).