SCHUBERT: DIVERTISSEMENT À L'HONGROISE
Vergelijkende Discografieen

SCHUBERT: DIVERTISSEMENT À LA HONGOISE

 

Het Divertissement à la hongroise in g voor piano vierhandig op. 54, D. 818 ontstond tijdens Schuberts tweede bezoek in het Hongaarse Zseliz in het najaar 1824. Het handschrift is verloren geraakt, gebleven is alleen een Ungerische Melodie (sic) in b die als voorstudie kan worden beschouwd.  Deze is gedateerd 2. Sept. 1824. Zseliz en werd in het Divertissement omgezet naar g en verder uitgewerkt.

 

Achtergronden

 

“Schubert hoorde in de grote grafelijke landbouwwereld het gezang van meiden en knechten en tijdens de feestdagen hun dansmuziek. Uit de herbergen in de Weense voorsteden kende hij heel wat Boheems-Slavische melodieën en ritmen. Zo had hij voldoende inspiratie om zich eens aan folkloristische muziek te wagen en zo schreef hij in september 1824, opnieuw als een aardige opgave voor zijn vrouwelijke leerlingen het Divertissement à la hongroise dat met recht een plaats inneemt in de geliefde pianomuziek. Het werk is vol temperamentvolle ritmiek, rijk aan bekoorlijke melodiek en bijzonder briljant”. (Dr. Eduard Gronau: Franz Schubert, Musik zwischen Himmel und Abgrund, Strehlow, 1993).

Schubert was in de zomermaanden van 1824 voor de tweede keer naar Zseliz getogen om daar de dochters van prins Esterházy les te geven. Hij is dan zevenentwintig en had net een zware crisis achter de rug.

Voor dat doel schreef hij als lesmethode veel vierhandige pianomuziek. Ideaal voor ‘häusliche Musikpflege’. Daaronder valt dit Divertissement, het derde werk van deze soort dat hij daar componeerde en dat pas na zijn terugkeer in Wenen als opus 54 werd gepubliceerd.

Het werk is driedeig en duurt zo’n 27 minuten in een gemiddelde vertolking. Volgens de notities van baron Schönstein die ook te gast was bij de Esterházy’s, hoorde Schubert in het voorbijgaan 2 september het thema van een door een dienstbode gezongen Hongaars lied waarop hij de korte, charmante Mélodie hongroise D. 817 baseert (András Schiff, Decca 430.425-2). Later gebruikte hij deze uitgebreider en van b naar g getransponeerd in de finale van het Divertissement. Dat thema heeft iets onweerstaanbaars.

Het eerste deel is een andante in rondovorm waarin een melancholieke modale melodie tegenover een snellere dans is geplaatst. Het middendeel, andante con moto is een mars die vage Hongaarse associaties oproept met de ritmiek van zijn melodie. De finale is opnieuw een rondo met de aanduiding allegretto. Het bevat opnieuw het reeds genoemde soort kleurige, telkens herhaalde Hongaarse motief. 

Waarom Schubert dit werk de titel Divertissement gaf, in onduidelijk. Zoals bij zoveel werken van hem kunnen we er een dubbele bodem in herkennen: het bij hem bijna altijd op de achtergrond aanwezige gevoel van noodlot dat iedere uiting van zigeunerbravour uitsluit. Een aantal jaren later wordt het wek een favoriet stuk van Chopin.

Hoewel de drie delen alle in mineur staan, is geen sprake van somberheid. Daarvoor zijn er teveel episodes vol dansende en sprankelende melodieën, bekrachtigd door wervelende ritmen.

 

De opnamen

 

Sinds de eerste opname van vader en zoon Schnabel uit 1937 verscheen een behoorlijk groot stel opvolgers. Daarbij doen zich twee complicaties voor: niet alle waren beschikbaar voor beluistering en sommige maken deel uit van albums met meerdere cd’s. Bij die, waarbij het gaat om opnamen van de complete werken voor pianoduet van Schubert, zoals bij Eschenbach en Frantz heeft dat nog zin, ook de Schubertiade van Van Immerseel is aantrekkelijk, temeer omdat hij en Claire Chevalier op een fortepiano spelen. Dat doen natuurlijk ook Andreas Staier en Alexei Lubimov met minstens zo voortreffelijk resultaat.

Zij maken gebruik van een door Christopher Clarke nagebouwd model van een Graf vleugel uit 1826. Heel passend want het voordeel is meteen dat de textuur helderder klinkt, zeker aan de baskant en dat er een heel gamma aan kleuren ter beschikking komt.  Soms klinkt het instrument bijna als een harp. Het komt de toespelingen op een cimbalom ten goede tegen het einde van het werk. Misschien leukst van al is de toepassing van het zogenaamde Turkse pedaal dat in de finale iets van grote trom, klokken en bekkens suggereert.

Eschenbach en Frantz waren destijds degenen die de eerste gouden standaard voor versies van dit werk leverden en nog steeds is hun uitgave zeer de moeite waard.

Voor gedegen, behoorlijke, maar niet echt markante uitvoeringen zorgden veel duo’s: Badura Skoda en Demus, Ivaldi en Lee, Duo Crommelynck, Jandó en Prunyi, Tal en  Groethuysen en ettelijke anderen die in de discografische lijst zijn te vinden.

Ronduit teleurstellend is wat Marzena Ksprzak en Bernard Godeux te berde brengen: alle Hongaarse invloeden zijn weggevaagd en de finale klinkt slepend.

Een heel goede indruk daarentegen maakt het Ykeda duo dat zorgt voor de nodige extroverte zwier, maar niet aan wat introspectie voorbij gaat. Uit België komt de zeer verdienstelijke vertolking van Jan Vermeulen en Veerle Peeters die op Leipzigse piano uit de late jaren 1820 spelen.

Ook Alexandre Tharaud en Zhu-Xiao-Mei overtuigen in hoge mate met hun idiomatische voordracht en hun hechte samenspel. Natuurlijk is ook vrijwel iedere noot die Martha Argerich speelt – in dit geval met Alexander Mogilevsky samen – de moeite waard, maar het is de vraag of men daar de rest van het kamermuziekfestival in Lugano voor over heeft wanneer het specifiek om Schubert gaat.

Het blijft jammer dat Maria João Pires en Ricardo Castro in hun DG reeks voorbij gingen aan het Divertissement.

 

Conclusie

 

Tenslotte is vrij snel duidelijk dat het Staier en Lubimov zijn die op alle punten – dichterlijkheid, élan, pure speelvreugde - met de eer gaan strijken. Op de tweede plaats eindigen Eschenbach en Frantz, vrijwel ex aequo met Vermeulen en Peeters plus Tharaud en Mei.

 

Discografie

 

1937. Arthur en Karl Ulrich Schnabel. Arabesque CD Z 6574.

 

1951. Lili Kraus en Homero de Magelhães. Erato 082564-624223-8 (31 cd’s).

 

1965. Paul Badura Skoda en Jörg Demus. DG 453.675-2. 

 

1977. Christian Ivaldi en Noël Lee. Arion ARN 26815-2 (2 cd’s), ARN 468781 (4 cd’s).

 

1978. Christoph Eschenbach en Justus Frantz. Warner 365.326-2, Brilliant Classics 92858 (4 cd’s).

 

1980. Duo Crommelynck. Claves CD 50-8802.

 

1985. Brigitte Engerer en Boris Berezovsky. Decca (6 cd’s).

 

1991. Jenö Jandó en Ilona Prunyi. Naxos 8.550555.

 

1994. Yaara Tal en Andreas Groethuysen. Sony 88697-53576-2, AB7K 87884, 88843-07135-2 (7 cd’s).

 

1994. Isabel Beyer en Harvey Dagul. Four hands music FHMD 894.

 

1994. Bracha Eden en Alexander Tamir. CRD CRD 3480.

 

1995. Igor Kipnis en Karen Kushner. Parnassus PACD 96030.

 

1997. Andreas Staier en Alexei Lubimov. Teldec/Warner 0630-17113-2.

 

1997. Angelika Sonnenfeld en Joachim Eiden. Zulu ZU 5-9700-2.

 

1997. Hélène Caief en François Bou. Quantum QM 6965.

 

1997. Miyako Miyamoto en Ghislain Potvlieghe. Potvlieghe 97009.

 

1998. Anthony Goldstone en Caroline Clemmow. Olympia OCD 673.

 

1998. Ferdinand Finne en Einar Steen-Nøkleberg. Simax PSC 1139.

 

1999. Gloria Saarinen en Arnold Draper. Doremi DDR 71125/6 (2 cd’s).

 

2002. Alexandre Tharaud en Zhu-Xiao-Mei. Harmonia Mundi HMC 90.1773.

 

2005. Janine Dacosta en Leen de Broekert. Zefir ZEF 9607.

 

2005. Martha Argerich en Alexander Mogilevsky. DG 477.9884 (4 cd’s).

 

2008. David Bradshaw en Cosmo Buono. Albany TROY 069.

 

2008. Maki Namekawa en Dennis Russell Davies. AVI AVI 8553150 (3 cd’s).

 

2009. Ykeda duo (Tamayo Ikeda en Patrick Zygmanowski). Warner 2564-69074-4.

 

2009. Marzena Kasprzak-Godeaux en Bernard Godeaux. Dux DUX 0774.

 

2014. Jan Vermeulen en Veerle Peeters. Et’cetera KTC 1501.

 

2014. Jos van Immerseel en Claire Chevalier. Alpha 216 (4 cd’s).

 

Bewerking Liszt

 

2011. Weens Akademie orkest o.l.v. Martin Haselböck. Alpha 471.