SHOSTAKOVICH: LADY MACBETH VAN MTSENSK

SHOSTAKOVICH: LEDI MAKBET MTSENSKOVO OEJEZDA

 

Kan agressiviteit ironisch bedoeld zijn? Een in dit opzicht in verwarring brengende muziek waarin extreme gevoelens en lage driften worden verkend, beheerst de muziek bij deze opera over het (nood)lot van de nymfomane Katarina Ismailova.

 

Achtergronden

In het kort gaat de inhoud van deze opera over de semi-lijfeigene Katerina, sociaal opgeklommen tot verveelde rijke koopmansvrouw met een saaie echtgenoot; ze snakt naar seks en is bezeten van erotische verlangens die tot verwezenlijking van haar doel de arbeider Sergei uitkiest. Wanneer haar despotische schoonvader Boris daar achter komt, mishandelt hij Sergei, waarna Katarina de oude man vergiftigt. Wanneer haar suffe echtgenoot Zinovy op zijn beurt haar overspel ontdekt, doodt ze samen met Sergei ook hem. Als ze tenslotte trouwt met Sergei komen haar ontrouw en moordpartijen aan het licht door de ontdekking van het lijk van haar eerste man. Het stel wordt naar Siberië verbannen waar Sergei die intussen genoeg heeft van Katarina een avontuur begint met de flirtende Sonjetka. Katarina die haast letterlijk over lijken gaat, smijt haar in de ijskoude rivier en springt haar achterna.

Russisch verismo ten top. Het gaat inderdaad om een heel heftig werk en de choquerende effecten ervan worden hooguit wat getemperd door ’s componisten schijnbare symfonie voor de antiheldin die veel expressieve muziek aan hem te danken heeft. Haar absolute obsessie met de liefde sluit blijkbaar alle morele kwesties uit en haar tragedie naarmate ze (net als Shakespeares Lady Macbeth) nadrukkelijker wordt achtervolgd door herinneringen aan haar slachtoffers, vormt prachtig materiaal voor een psychologische studie die de componist ten volle benut.

Bij de première in Leningrad op 22 januari 1934 werd de enige volwaardige opera van de componist nog begroet als een heel gedurfd en oorspronkelijk werk. Ook succesvolle opvoeringen in het buitenland volgden. Maar in december 1935 bezocht Stalin een opvoering. Het gevolg was een beroemd, eerder berucht aanvallend artikel ‘Chaos in plaats van muziek’ in de Pravda begin 1936 waarin gehakt werd gemaakt van het werk in termen van ‘een verwarde geluidstroom’, ‘drukke, schreeuwerige, neurotische muziek’ en ‘goedkoop bourgeois sentiment’. Bovendien werd de componist verweten dat hij blijkbaar sympathie had voor zo’n door en door verdorven ‘heldin’. Het maakte duidelijk dat ‘Sovjetkunst geen ander doel kan hebben dan het belang van het publiek en de staat’ en dat Sjostakovitsj’ werk niet aan die elementaire voorwaarde voldeed.

De bezwaren tegen het werk met zijn pittige, ooit als pornofonie veroordeelde seksscène leken misschien niet helemaal ongegrond; sympathiseren met Katarina’s hoofdfiguur uit het troosteloze verhaal van Nicolai Leskov uit 1865 waarin typisch Russische indolentie vermengd met de nodige vrouwonvriendelijkheid een belangrijke rol spelen, door de componist zelf en Alexander Preys tot een libretto gevormd, leek niet gepast. Enig begrip voor de bijtende sociale satire van het werk konden de humorloze autoriteiten kennelijk niet opbrengen. Ze eisten een revisie en met getemperde ‘dierlijke erotiek’ en met weglating van de brute seksscène en de satire over de politie kwam het werk in 1956 onder de nieuwe titel Katarina Ismaylova weer op het speelplan.

De kracht van het werk schuilt vooral in het orkestrale aandeel, een briljante, schelle creatie in primaire kleuren met wreedaardig stuwende ritmen en wilde dissonanten. De componist duidde het aan als ‘militair orkest met bijkomende instrumenten’. Een vergelijking met Wozzeck ligt enigszins voor de hand. Geen wonder dat de karaktertekening haast meer ten deel valt aan het orkest dan aan de zangers. Het dient ook gezegd dat Shostakovich maar moeizaam ideaal voor de menselijke stem componeerde. Mogelijk is dat ook de reden waarom hij nooit zijn plan volvoerde om een viertal opera’s over markante vrouwen te schrijven. Een cyclus die moest eindigen met een eerbetoon aan een hardwerkende employee van de waterkrachtcentrale aan de Dnjepr. Mogelijk ook bewees hij met dat plan alleen lippendienst aan de autoriteiten.

 

De opnamen

Ooit was er een door Ariola uitgebrachte Melodya lp opname uit de jaren zestig vorige eeuw van het ensemble van het Moskouse Stanislavsky-Nemirowitsj theater met Eleonara Andrejev in de titelrol en Gennadi Provatov als dirigent (Ariola 89.507, 4 lp’s), maar die is nooit verdoekt naar cd. Pro forma is nog een hier onbekende Bella Musica opname van een misschien best mooie, waardevolle opname uit een Duits provincietheater met goeddeels onbekende krachten vermeld. Of die uitgave nog verkrijgbaar is? Het lijkt riskant hem dan blindelings te bestellen.

De eerste complete, volwaardige opname komt uit Engeland met veel Russische inbreng en dateert uit 1978. De uitvoering was primair in handen van Sjostakovitsj goede vrienden, dirigent Rostropovitsj die alle koortsachtige intensiteit van het werk tot uiting brengt, maar ook alle aandacht schenkt een de treffende lyriek die onder het oppervlak van alle getoonde bruutheid en zijn echtgenote sopraar Vishnevskaya die ieder grein passie uit haar hoofdrol weet te peuren op basis van haar emotionele krachten. Hooguit is ze bij vlagen meer dan levensgroot wat ook te wijten is aan de haast al te prominente registratie van de stemmen. Gedda is al even overtuigend als een zwierig pochende, hebzuchtige en sensuele Sergei. Petkov is een pakkende, sadistische Boris, Krenn een slungelige Zinovy, Mroz een donker getinte priester en Valjakka een treffende Aksinya, hoe klein haar rol ook is.

Soms, zoals bij vlagen in zijn weergave van Sjostakovitsj’ symfonieën, maakte Rostropovitsj zich schuldig aan een algemene tendens van zorgeloosheid en laksheid, maar in deze opera is hij erg geïnspireerd. Alles valt als haast vanzelf op zijn plaats in een levendige, pittige uitvoering vol erotische lading. Zwakke plekken kent de bezetting feitelijk niet. Jammer hooguit dat de opname zo het accent op de zangstemmen legt en het orkest dat hier juist zo belangrijk is, wat op de achtergrond houdt.

Dat is waar de nieuwere DG opname uit 1992 in het voordeel is. Daar is de balans volkomen in orde. Maar Ewing is helaas hoe boeiend ook lang niet zo’n krachtige, tragische, agressieve Katarina als Vishnevskaya maar eerder een kwetsbare, vrouwelijker type en soms komt ze te weinig boven het orkest uit of blijft ze in duetten achter bij de kracht en expressiviteit van de voortreffelijke, honderd procent Russische Larin (Sergei), jeugdiger, ironischer dan Gedda en de angstaanjagende bullebak Haugland als Boris. Wat een hoogtepunt had moeten worden, haar tragische ‘aria’ uit de derde akte, is niet meer dan keurig gedaan, maar helaas op halve snelheid waardoor alle pathos wegebt. De aanpak is over het geheel minder heftig, maar wel ontroerend

Heel mooie, goed ingevulde rollen zijn er wel voor Tesarowicz (priester) en Kotcherga (wachtmeester van de politie). Zaremba toont het karakter van een ware Carmen als Sonjetka en Kurt Moll blinkt (meer dan Malta bij Rostropvitsj) uit als oude gevangene. Chung weet goed raad met het orkestrale idioom van Sjostakovitsj. De opname is warmer van klank en bezit een ruimtelijker klankbeeld dan bij EMI, maar het ontbreekt toch wat aan hysterische lading en felle kleuren bij DG.

Komen we aan de beeldopnamen. Laten we hopen dat binnenkort de Holland Festival productie op dvd wordt uitgebracht, want met de twee bestaande versies is het behelpen. De moeilijk of niet meer verkrijgbare Carlton Entertainment uitgave is gebaseerd op een verkorte verfilming van regisseur Peter Weigl die de EMI opname van Rostropovitch als soundtrack gebruikte. Hij maakte die film in zijn geboorteland Tsjecho-Slowakije en gebruikte acteurs die hun eerste best deden lipsynchroon met Rostropovitch’ zangers te acteren.

De beelden van de ongastvrije met zuinige peertjes verlichte boerderij van Izmailov en het koude badhuis zijn heel sfeervol en suggestief. Begrijpelijk dat het daar makkelijk tot overspel komt. De zware tocht naar Siberië daarentegen komt minder goed uit de verf. Het pornografische karakter van de seksscènes is lichtelijk getemperd. Erger is de discrepantie tussen de jonge Tsjechische actrice die Katarina uitbeeldt en de rijpe stem van Vishnevskaya. De beide Sergei’s zijn geloofwaardiger en ook de oude Izmailov, Aksinya en de oude gevangene zijn behoorlijk congruent. Tenslotte zijn er die drastische coupures om tot een film van standaardlengte te komen en de verschillen tussen de studioakoestiek van de soundtrack en die van de natuuropnamen in de film een beperking. Maar het experiment is interessant en de moeite waard; het biedt aanzienlijk meer dan soft porno.

Ronduit teleurstellend is wat regisseur Stein Winge in Barcelona bereikte met wat hij tot een verismo opvoering wilde maken. Of hij de vertolkers niet kon inspireren en tot actie kon brengen? De meeste tijd lummelen ze maar wat rond, onzeker over de actie en over het drama waarin ze optreden. Het ontbreekt aan vaart, spanning, benauwenis, verlangen en tragiek. Vreemd ook dat her en der nodeloze stukjes muziek zijn ingelast, het ergst tussen de derde en de vierde akte waar ineens een paar minuten uit de zeven jaar na de opera geschreven zesde symfonie zijn te horen.

Het is triest om vast te stellen, maar eigenlijk is vooral Nesterenko als de oude gevangene overtuigend. Heel goed is ook Kotcherga als Isamaila’s schoonvader en verder vallen Clark als sjofele boer en Mikhailov als priester nog positief op. In de titelrol toont Secunde wel een bewonderenswaardig uithoudingsvermogen, maar verder klinkt en oogt ze nauwelijks overtuigend. Ook Ventris als beloofde, maar mislukte redder Sergei klinkt noch acteert erg overtuigend.

De directie van Anissimov is stijfjes en routineus. Al met al wordt de opera zo flink tekort gedaan.

Tot slot zijn er nog wat uittreksels, waarvan dat van Conlon het beste, langste en belangrijkste is. De Amerikaanse dirigent leidde in 2001 opvoeringen aan de Keulse opera in de regie van Harry Kupfer. Hij biedt namelijk meer dan de tussenspelen die Jurowski opnam en brengt vocale stemmen in bij het ensemble om zo het verhaal te verduidelijken voor niet-operagangers. De uitvoering heeft sfeer en elementaire kracht: probeer track 7 met de expliciete seksscène maar.

Runnicles is bij zijn vertolking van de intermezzi een betere gids in de rauwe wereld van deze opera dan Garaguly en bovendien profiteert hij van een veel betere, want recentere opnamekwaliteit. Iets tragere tempi hadden de impact van de laatste drie intermezzi kunnen vergroten, maar het koortsachtige karakter van die delen heeft ook zo wel wat. Maar eigenlijk is Järvi met zijn pittige gulden middenweg opvatting het aanbevelenswaardigst.

De Passacaglia is door de componist voor orgel gearrangeerd en wordt heel fraai door Herrick.

 

Conclusie

Veel te kiezen valt er eigenlijk niet bij zo weinig opnamen. Dat maakt de situatie eenvoudig en overzichtelijk. Bij het huidige cd aanbod blijft de voorkeur duidelijk voor Rostropovitsj’ idiomatische uitvoering met Chung slechts als heel goede tweede. Droever is het gesteld met de beeldopnamen. Daar ontbreekt het nog aan een geheel bevredigende realisatie. De hoop is nu gevestigd op het mogelijk uitbrengen van de recente productie van de Nederlandse Opera met Eva-Maria Westbroek in de titelrol en verder met Anatoli Kotcherga opnieuw als Boris, Ludovit Ludha als Zinovi, Lana Poulson als Sonjetka en het Concertgebouworkest onder Mariss Jansons in de voortreffelijke regie van Martin Kusej.

 

Discografie

Maria Ewing, Aage Haugland, Sergei Larin, Philip Langridge, Kristine Ciesinski, Kurt Moll, Anatoly Kotcherga, Heinz Zednik e.a. met het Ensemble van de Bastille Opéra, Parijs o.l.v. Myng-Whun Chung. DG 437.511-2 (2 cd’s). 1992

 

Behnke, Rösch, Ernst-Mosaraitis, Alexander, Cepreaga, Eidioth, Ibbotson, Jager, Krause, Nowak, Vinke, Svilpa, Adam, Bryjak, Gauntt e.a. met het Badische staatsoperakoor en de Badische staatskapel o.l.v. Heinzel. Bella Musica 15.9001 (3 cd’s).

Galina Vishnevskaya, Nicolai Gedda, Dimiter Petkov, Werner Krenn, Robert Tear, Taru Valjakka, Martyn Hill, Leonard Mroz, Aage Haugland, Birgit Finnilä e.a. met het Ambrosian Opera koor en het Londens filharmonisch orkest o.l.v. Mstislav Rostropovitsj. EMI 749.955-2, 567.779-2, 567.776-2 (2 cd’s). 1978 

Video

Nadine Secunde, Christopher Ventris, Anatoli Kotcherga, Francisco Vas, Graham Clark, Mirelle Capelle, John Hurst, Maxim Mikhailov, Jevgeny Nesterenko met het Palau de la música Catalan kamerkoor en het Ensemble van de Opera Barcelona o.l.v. Alexander Anisimov. EMI 599.730-9 (dvd). 2002

Galina Vishnevskaya, Nicolai Gedda, Dimiter Petkov, Werner Krenn, Robert Tear, Taru Valjakka, Martyn Hill, Leonard Mroz, Aage Haugland, Birgit Finnilä e.a. met het Ambrosian Opera koor en het Londens filharmonisch orkest o.l.v. Mstislav Rostropovitsj. Carlton ID 5655 CLDDVD (1 dvd. 100’). 1999 

Orkestsuite en tussenspelen(bewerking James Conlon).

Gürzenich filharmonisch orkest Keulen o.l.v. James Conlon. Capriccio 10.892. 2001Dresdens filharmonisch orkest o.l.v. Carl Garaguly. Berlin Classics BC 3170-2.

5 Intermezzi

Keuls omroeporkest o.l.v. Michail Jurowski. Capriccio 10.780. 1996

Schots nationaal orkest o.l.v. Neeme Järvi. Chandos CHAN 8587. 1987

San Francisco opera-orkest o.l.v. Donald Runnicles. Arabesque Z 6764.2001

 Passacaglia

Christopher Herrick. Hyperion CDA 66605. 1991