STRAUSS DYNASTIE: WALSEN

DE STRAUSS DYNASTIE: WALSEN, POLKA’s, MARSEN EN ANDERE DANSMUZIEK

 

Johann Strauss sr. bracht de wals vanuit de Weense Biergarten in de rijke balzalen en zijn oudste zoon Johann Strauss II exporteerde hem over heel Europa. Maar behalve vader en zoon Strauss als “walskoningen” waren daar ook nog de jongere broers Eduard en Josef die de nodige bijdragen leverden. Dat alles begon in een tijd, waarin de wals immoreel werd geacht omdat de dansparen “onbetamelijke posities” innamen en de handen van de man maar al te makkelijk hun weg vonden naar de borsten van zijn partner. Overigens: het palet aan door de Strauss dynastie gepropageerde en van veel materiaal voorziene dansvormen beperkte zich niet tot de wals. Niet vergeten mogen ook de polka’s, mazurka’s, quadrilles, marsen en mengvormen worden.

 

De dynastie

Bestond uit:

Johann Strauss I (1804-1849)

Johann Strauss II (1825-1899)

Josef Strauss (1827-1870)

Eduard Strauss (1835-1916)

Oscar Strauss (1870-1954)

 

Achtergronden

“Een aansporing tot zondige passie”, “demoraliserend en wulps” en “een van de belangrijkste oorzaken van het lichamelijk en geestelijk verval dat onze tijd verlamt”. Waar gaat het om? Over pornografie op Internet? Over de penetratie van ecstasy bij feestjes van jongeren?

Nee, deze commentaren dateren uit het begin van de negentiende eeuw en zij slaan op de wals, een tegenwoordig tamelijk oudbakken dansstijl die herinnert aan de beelden van gedegen, gefortuneerde burgers die heel betamelijk in rok c.q. in het lang gestoken welbewust probeerden de goede manieren van een tijdperk waarin elegantie en gratie een grotere rol speelden in stand te houden.

Maar het was niet altijd zo, want aan het begin van de negentiende eeuw was de Weense wals (in tegenstelling tot de Parijse) een wildere en veel pikanter bezigheid, waarover moralistische tijdgenoten van walging getuigende opmerkingen maakten, bijvoorbeeld over de “ zeer onwelgevoeglijke houdingen” die werden aangenomen met de handen van de man “stevig” op de borsten van zijn partner om daar “lichte, geile druk op uit te oefenen”. Walsen kon ook in ander opzicht een gevaarlijke bezigheid zijn. Het was niet ongebruikelijk dat de deelnemers instortten van uitputting en het is bekend dat sommige al te ambitieuze dansers zo zelfs de dood vonden.

Het was in dit duizelingwekkend zwierige sociale milieu dat Johann Strauss de oudere werd geboren in 1804 in Wenen. Als zoon van een kroegbaas raakte hij al op jeugdige leeftijd in de muziek verzeild en werd hij meegesleurd door de vloedgolf van enthousiasme voor dansmuziek tout court die Wenen destijds overspoelde. Tenslotte werd hij de beroemdste lokale componist van die dansmuziek en bovendien een fascinerend orkestleider.

Kortom: Strauss werd de Walzer König en genoot als zodanig alom bekendheid, dat wil zeggen totdat zijn oudste zoon die in 1825 eveneens Johann Baptist was gedoopt, ook de wals arena betrad in de verzengende nasleep van zijn vaders vertrek uit de ouderlijke woning in 1842 omdat hij ging samenwonen met een plaatselijke hoedenmaakster als volgende episode in een van ruimdenkendheid getuigende flirtloopbaan.

Geleidelijk aan ontpopte zich een nieuwe walskoning en hij is het in feite die de meeste mensen bedoelen als ze het over Johann Strauss hebben. Hij maakte met zijn opnieuw geformeerde orkest zijn debuut in oktober 1844 toen de jonge impresario pas achttien was. eHeHHet effect was meteen sensationeel: het publiek en de kritiek waren enthousiast en een van Johann juniors eigen composities moest negentien maal worden herhaald.

Wat volgde, is een loopbaan van een ongelooflijke populariteit en vol koortsachtige activiteit. Er waren tournees door heel Europa en zelfs naar de Verenigde Staten waar Strauss niet alleen eigen muziek dirigeerde maar zelfs ook Wagner. Heel wat composities vloeiden uit zijn pen, waaronder bijna vijfhonderd individuele dansnummers. Hij trouwde drie keer en was nogal eens ziek tengevolge van sensuele overgave en overwerktheid; hij had tenminste één forse zenuwinstorting en hij werd op verschillende ogenblikken ook behandeld tegen geelzucht, nicotine vergiftiging, jicht, flauwte aanvallen, neuralgie en depressiviteit. In 1899 overleed hij.

In 1999 werd het eeuwfeest van zijn dood gevierd; hoe gelukkig zou hij ongetwijfeld zijn geweest in de wetenschap dat nog steeds het jaarlijkse Nieuwjaarsconcert van het Weens filharmonisch orkest grotendeels aan hem is gewijd en dat hij intussen andere opvolgers heeft gevonden, bijvoorbeeld in André Rieu met zijn orkest.

Waar kwam de wals vandaan? In de vorm waarin deze door vader Strauss werd opgepikt ging het nog om een danig ongekunstelde vorm; het driekwarts maat ritme werd op nogal boerse wijze door de musici in herbergen en biertuinen geproduceerd; hun voorgangers als rondreizende entertainers hadden dat alles naar Wenen meegebracht over de Donau waarop ze in schepen meevoeren.

Strauss sr. nam de wals zoals hij deze aantrof en verhoogde al wedijverend met zijn vriend en rivaal Josef Lanner het artistieke niveau, niet alleen door zelf pakkende en pittig georkestreerde walsen te componeren, maar vooral ook door de kwaliteit van zijn orkest.. Dat gaf uitvoeringen van dit muziekgenre die van een nog niet eerder vertoonde briljante en levendige kwaliteit waren.

Maar het was Johann II die de wals verhief tot een tot dan toe onvoorstelbaar niveau van muzikaal en emotioneel raffinement. Om te beginnen beschikte hij over de gave om prachtig memorabele melodieën te schrijven, maar hij breidde bovendien de structurele mogelijkheden van de wals aanzienlijk uit door vaak haast symfonisch aandoende inleidingen en coda’s te componeren. Ook had hij een scherp oog (en oor) voor het detail en overtrof hij zo alle tijdgenoten en concurrenten die zich ook op de productie van walsen hadden geworpen.

Daardoor maakte Strauss het milieu waarin hij leefde, de genotzuchtige ambiance van het keizerlijke Oostenrijk op het hoogtepunt van zijn macht onsterfelijk. Met zijn beste stukken vermaakte hij een genre muziek aan het nageslacht dat – zoals een commentator het omschreef – de blijde boodschap uitdraagt, dat “eenvoudig in leven te zijn al reden genoeg is om dat te vieren”, wat “misschien wel de mooiste omschrijving van geluk is die in welke kunstvorm dan ook bestaat”.

Als bekendste vertegenwoordiger van de Strauss dynastie is Johann II vermoedelijk de laatste componist geweest die de rond 1875 al dubieus geworden maatschappelijke glans van de burgerlijke muziek zonder enig blijk van onwaarachtigheid verheerlijkte. Zijn walsen, polka’s, quadrilles en operettes verbinden uitingen van populair volksvermaak als uiterlijk effect met de grote degelijkheid en de niet minder grote inventiviteit van echt grote muziek. In dit opzicht neemt Strauss in de muziekgeschiedenis van de 19e eeuw een unieke plaats in, die in zoverre door een aureool van natijd is omgeven, dat deze muziek een tegenpool vormt van het tamelijk pessimistische epicurisme dat het Oostenrijkse fin de siècle markeert.

Dat de muziek van de walskoning bij voorkeur door salonorkestjes, caféstrijkjes en muziekkapellen in toeristenoorden werd en wordt verramscht en dat zijn geniale operette Die Fledermaus met Im weissen Rössl wordt gelijkgesteld, hebben Karl Kraus en Hermann Broch al aan de kaak gesteld.

 

De opnamen

Hoezeer vooral de dansmuziek van de leden van de Straussdynastie nog een haast magische werking heeft, illustreren de jaarlijkse Weense Nieuwjaarsconcerten. De grootste dirigenten hebben zich nooit gegeneerd om zich aan dit repertoire te wijden. Hoewel de muziek was bedoeld voor de danszaal, overstijgt zij de beperkingen van dat formaat, werd zij geïnspireerd door wisselende ritmische patronen, een subtiel gebruik van dynamisch contrast en rubato en een heel uitgekiende orkestratie. De verbeeldingsvolle inleidingen van de grote walsen krijgen daarbij haast het karakter van een symfonisch gedicht in het klein.

Het zijn de verklankingen die het meest van de Weense sfeer treffen die het meeste indruk nalaten. Ze bezitten een natuurlijke ritmiek, steeds met nadruk op de eerste tel van de maat, maar nooit een te zware en een cumulatieve emotionele opbouw met ruim, maar niet overdreven rubati. Als dan ook nog de schoonheid van de melodieën en de orkestratie duidelijk wordt onthuld zonder dat de illusie van het danstempo in gevaar komt, is succes verzekerd. Tempovariaties behoren tot de Straussstijl, maar moeten altijd worden geanticipeerd en nooit te plotseling komen.

Geen wonder dat de dansmuziek van Johann Strauss II in een verwarrend grote verscheidenheid van combinaties en contexten tot ons komt. Ook vader Johann I en broers Eduard en Josef zijn daarbij vaak in het geding. Achterneef Oscar speelt een ondergeschikter rol. Wie idolaat en fanatiek genoeg is van dit muziekgenre, is goed af met de “complete uitgave van Johann Strauss jr.’s muziek” in liefst 53 delen op Marco Polo door het Omroeporkest Bratislava onder diverse dirigenten. De opnamen met Slowaakse orkesten ontstonden tussen 1988 en 1996. Interessant is het niet allemaal, maar het is nuttig dat het is gedocumenteerd. De kwaliteit van de uitvoeringen en opnamen is niet recht evenredig met die grote kwantiteit, maar steeds goed acceptabel. Als volgend project registreerde Marco Polo ook het complete werk van vader Strauss.

Probleem bij de meeste andere opnamen en de vele Nieuwjaarsconcerten is dat bepaalde populaire werken (en de Radetzky mars als steevast letterlijk klapstuk) zo herhaaldelijk voorkomen in die programma’s.

Het was Erich Kleiber die in Wenen en Berlijn fonografisch de danspartij opende met nu nog steeds goed aanhoorbare idiomatische vertolkingen. In zijn voetspoor volgden aanvankelijk George Szell, Bruno Walter, Hans Knappertsbusch, Josef Krips, Jascha Horenstein en Wilhelm Furtwängler, later ook Rudolf Kempe en Wolfgang Sawallisch zonder diepe sporen na te laten. Ferenc Fricsay (DG) gaf deze muziek ooit pittige Hongaarse kruiden mee, Karl Böhm zocht het meer in het magistrale. In de V.S. waren Bruno Walter, Arthur Fiedler en Eugene Ormandy ook toegewijde pleitbezorgers.

Pas met Clemens Krauss verscheen een nieuwe grootmeester op dit bijzondere toneel. Hij gaf uitvoeringen van een uiterste gratie en beminnelijkheid al koos hij bekend lage tempi. De ritmische accenten, de subito wisselingen van klankkleur en de afkeer van elk blijk van opgelegde virtuositeit maakte zijn vertolkingen zo sympathiek.

Bij de Weense Nieuwjaarsconcerten markeerde hij begin jaren vijftig vorige eeuw de overgang naar de elpee. Na de plotselinge dood van Krauss in 1954 werden de Wiener Philharmoniker geconfronteerd met een dilemma: wie te kiezen als opvolger? De uitstekende oplossing werd gevonden met de aanstelling van concertmeester Willi Boskovsky. De juiste man op de juiste plaats, een innemende, capabele concertmeester die voor en in het orkest optrad en die van 1955 tot 1979 de concerten leidde.

Boskovsky “dirigeerde” deze muziek niet echt met een stokje, maar vervulde eerder de traditionele rol van een Stehgeiger die af en toe zelf meespeelt en op kritieke momenten met gebaren van zijn strijkstok de orkestleden bij de les houdt. Precies zoals Johann Strauss dat destijds zelf deed. Een slecht ensemblespel moet onherroepelijk het gevolg zijn zou men denken. Maar het tegendeel is juist meestal het geval.. Een exact ensemblespel en een scherpe attaque zijn aan de orde van de dag.

Boskovsky’s grootste verdienste was echter dat hij in het Weens filharmonisch orkest het prachtig instinctieve gevoel van idiomatische nostalgie wist op te roepen dat impliciet is in zoveel muziek van Strauss en dit zonder dat het resultaat ontaardt in blijken van sentimentaliteit. Met name de “Double Decca” uitgave 443.473-2 bevat studio opnamen van louter walsen waarin Boskovsky op zijn best te horen is. Ook zijn laatste Nieuwjaarsconcert uit 1979 is zeer de moeite waard (en bevat een kostelijke uitvoering van de Radetzky Marsch van vader Strauss).

Hij was heel alert op het punt van tempi, spanning, frasering en ritmisch contrast zonder ook maar een moment het danskarakter uit het oor te verliezen. Decca verzamelde liefst 86 titels op een zestal cd’s. In de jaren zeventig en tachtig maakte Boskovsky ook nog een aantal opnamen met het speciaal gevormde Weense Johann Strauss orkest voor EMI.

Maar in het algemeen geldt dat de vertolkingen van dit orkest duidelijk minder verfijnd en gepolijst zijn – wat bepaald geen nadeel is in dit genre. Als compensatie is bovendien sprake van een grotere spontaniteit, een gevoel van rauwe directheid en een ontbreken van ieder blijk van misplaatste gekunsteldheid. Daardoor belandt de muziek weer dichter bij de Biergarten en de dansvloer en benadert deze vermoedelijk beter het gevoel van instinctieve opwinding en fysieke nabijheid die het kenmerk vormde van de muziek van de Strauss dynastie toen deze voor het eerst werd uitgevoerd. Andere redenen om de EMI opname hoog op de lijst te plaatsen zijn: het programma is afwisselend en bestaat niet louter uit walsen en ook de andere familieleden komen aan bod.

Robert Stolz, de Strauss navolger met rose, zoetelijke operettes, vierde in die tijd grote triomfen en legde op 12 Eurodisc elpees ook veel materiaal van de Straussdynastie vast, maar hij ging minder subtiel te werk en genoot nooit mijn persoonlijke sympathie. Eduard Strauss, de achterneef van de walsenkoning, droeg met het Weens symfonie orkest een niet onaardig steentje bij op een Preiser cd. 

Om in aanmerking te komen voor de shortlist moet tenminste aan één beginvoorwaarde worden voldaan: het leeuwendeel van de muziek moet daadwerkelijk van Johann jr. zijn en het programma moet bij voorkeur zijn twee populairste composities, de Kaiser Walzer en An der schönen blauen Donau bevatten (waarover Brahms zei dat deze “ongelukkig genoeg niet van hem was”). Dat houdt heel wat cd’s in de race, tenzij men natuurlijk allergisch is voor applaus want in dat geval vallen heel wat opnamen van het Weense Nieuwjaarsconcert meteen af, temeer daar deze herhaaldelijk ook gepaard gaan met (soms onritmisch) handgeklap en voetgestamp.

En dan is daar nog de vraag wie precies op zo’n cd speelt. Het valt moeilijk om te ontkomen aan de slotsom dat de in Wenen woonachtige musici nog altijd het beste zijn toegerust voor deze muziek. Maar er zijn gelukkig een paar uitzonderingen.

Van de verschillende Strauss cd’s met niet-Weense orkesten is de Teldec opname van Nikolaus Harnoncourt met het Concertgebouworkest – het zij zonder enig chauvinisme vastgesteld – de interessantste en beste. Menig ander niet-Weens alternatief is niet geheel onbegrijpelijk ongelukkig genoeg weinig idiomatisch. Dat Harnoncourt zo goed overtuigt, is natuurlijk ook weer niet zo verwonderlijk. Hij groeide in Wenen op, woont en werkt daar al jarenlang en belangrijker nog musiceerde altijd in dat milieu. Hij is dus zeer vertrouwd met het materiaal. Het Concertgebouworkest werkt al jarenlang graag en intensief met hem samen en blijkt hier opnieuw een van de meest gedistingeerde orkesten ter wereld te zijn met een verrassend aanpassingsvermogen.

Toch komt het eigenlijk nog als een verrassing dat het resultaat zo overtuigend is. Harnoncourt benadert Strauss op zijn typisch indringende en directe wijze, zonder een sprankje schmalz. In tegendeel: hij poetst de geklonterde brokken van het klankpalet en brengt een hartversterkende hoeveelheid details en ritmische veerkracht in de overbekende werken die zich anders maar al te makkelijk kunnen uitstrekken en verslappen.

Soms doet de uitkomst wat nodeloos streng aan. An der schönen blauen Donau bijvoorbeeld krijgt maar sporadisch de gelegenheid om te lachen en er zijn enige haast al te stoer aangebrachte accenten in de Pizzicato Polka en elders. Maar er is ook best sprake van dichterlijkheid, vooral in een verleidelijke G’schichten aus dem Wienerwald (compleet met een fonkelende citer) en een prachtige interpretatie van Wiener Bonbons die blijk geeft van een opwindend gevoel van volkomen onsentimenteel verlangen en nostalgie aan het begin.

Hoe krachtig ook in structureel opzicht en hoe nadrukkelijk ook, bezitten Harnoncourts interpretaties tevens een teerheid en een nobele grandeur die vrijwel uniek zijn. Dit is geen alleenzaligmakende manier om Strauss te vertolken, maar wel een belangrijke, zeker als tegenhanger van Boskovsky c.s.

Een van de andere weinigen die als Wener buiten Oostenrijk een orkest met een Weens accent leerde spreken, is Franz Welser-Möst, die in Londen voor gecultiveerde, elegante en vitale Straussvertolkingen zorgde. Ook hij exporteerde het geheim van spanning en ontspanning en hij wist ook de typische kleurenpracht te exporteren. Maar in laatste instantie klinkt het resultaat toch wat berekenend met een teveel aan precisie en een tekort aan spontaniteit.

Van alle “ster” dirigenten die na de 25-jarige “regeerperiode” van Boskovsky in 1979 in Wenen aan bod kwamen, is het Carlos Kleiber die de meest sensationele indruk maakte. Kleibers eerste Nieuwjaars optreden was in 1989 en hij overtrof zelfs Karajan door twee jaar later het Strauss repertoire met een ongeëvenaarde instrumentale precisie en een uniek gevoel van ritmische verve te laten spelen. Dat was sinds de gloriedagen van Clemens Krauss niet meer voorgekomen. Geen wonder dat hij onmiddellijk werd teruggevraagd voor 1992 en opnieuw frappeerde.

Jammer dus dat Sony raar omsprong met de toen gemaakte opnamen. Het resultaat uit 1989 is alleen in bekorte vorm op een cd verkrijgbaar of in gebundelde, maar eveneens gecoupeerde vorm samen met dat van 1992 op 3 cd’s. Niettemin is gelukkig te genieten van sensationeel mooie uitvoeringen. Probeer met name de Tritsch-Tratsch Polka en Donner und Blitz; in het algemeen slaagden de snelle nummers het best. Maar op de keper beschouwd is ook sprake van een element van nerveuze geprikkeldheid en overdreven bevoogding, alsof het fantastisch gespannen en briljante spel is verkregen tegen een te hoge prijs: spontaniteit, poëzie en een ongeremd gevoel van plezier zijn moeilijk te vinden. Technisch valt niets op Kleiber aan te merken, in emotioneel opzicht is hij misschien wat klinisch en koud. Maar wat een fantastische manier van muziek maken!

Wie moet kiezen uit de vele live registraties van het Weense Nieuwjaarsconcert (niet alleen van Boskovsky, en Carlos Kleiber, maar ook van Nikolaus Harnoncourt, Seiji Ozawa, Claudio Abbado, Riccardo Muti, Lorin Maazel, Zubin Mehta en Mariss Jansons – allen met de nodige eigenheid en distinctie) moet zeker niet voorbijgaan aan Karajan. En dat ondanks alle vooroordelen. Gedurende veertig jaar activiteit leverde hij een half dozijn Strauss collecties, eerst voor EMI (1946/9), daarna voor Decca (1960) en tenslotte voor DG (1969, 1980 en 1987). Zijn eerste opnamen na W.O. II met het Weens symfonie orkest zijn eigenlijk het meest spontaan.

Karajans latere verkenningen van dit repertoire met het Philharmonia orkest (EMI) en zijn Berlijns filharmonisch orkest (DG) hadden eigenlijk altijd een nogal streng, overdreven pluchen sjokkerig en overdreven karakter, vervuld van het soort stijl van muziek maken dat nogal zelfbewust en genotzuchtig aandoet. Hij verleende er een sensualistisch verzadigd karakter aan.

Maar toen de inmiddels oude Karajan de Weense feestelijkheden leidde in 1987 was alles blijkbaar anders en blijkt uit vrijwel iedere maat een bijzonder soort chemie tussen dirigent en orkest werkzaam te zijn. Karajan gaf destijds het commentaar dat hij voor dit concert composities had uitgekozen die in de loop der jaren een grote betekenis voor hem hadden verkregen en dat gevoel van waarachtig persoonlijk engagement en affectie voor de gespeelde muziek is voortdurend duidelijk merkbaar. Gek genoeg zijn er maar weinig andere opnamen van Karajan waarin hij zo natuurlijk en zichzelf wegcijferend kwaliteiten van menselijke warmte communiceert. Hoogtepunten zijn een kostelijke Frühlingsstimmen (met Kathleen Battle als soliste met een “lachende” coloratuur en veel charme) en een onverwacht prachtige en zeer ontroerende An der schönen blauen Donau. Jammer dat DG geen behoorlijke documentatie bijvoegde, maar voor aficionado’s van het instituut Nieuwjaarsconcert is dit dè uitgave om te bezitten.

En wat die andere dirigenten betreft die in Wenen aan de slag waren, is Lorin Maazel (die tien maal het Nieuwjaarsconcert leidde) een der besten, de interessantste. Hij elimineerde de sporen van Schlamperei die aan het eind van Boskovsky’s regeringsperiode waren ingeslopen en toonde een voor hem onvermoede joviale charme. Wel nam hij net als Boskovsky incidenteel ook zelf de viool ter hand, bijvoorbeeld in G’schichten. Het beste was hij op dreef in 1994, maar zijn latere op RCA uitgebrachte optredens hebben als voordeel dat hij steeds onbekender materiaal aan de orde stelt.

Ook Zubin Mehta, die zijn opleiding in Wenen genoot en dus weet waar het op aankomt, zorgde voor een paar boeiende opnamen; zijn optreden uit 1990 is alles afwegend het mooist; Riccardo Muti (EMI en Philips) is wat teveel een drilmeester, die het meer van precisie en verfijning dan van typisch Weanerische charme moet hebben. Tenslotte overtuigde ook Mariss Jansons volkomen als dirigent met de juiste Straussgenen.

Tot slot is daar als buitenbeen Jos van Immerseel, de enige tot nu toe die deze muziek ‘authentiek’ aanpakt met zijn kleine, ongead=ffecteerd en volbloedig musicerende ensemble, terecht uitgaande van de Kritische Bärenreiter Ausgabe.

 

Conclusie

Aan het slot van de excursie blijven met name Harnoncourt, C. Kleiber, Boskovsky, Maazel, Muti, Karajan (vooral zijn laatste opname), Ozawa en Jansons als echte aanraders over. Maar de erepalm valt zonder enige twijfel aan Carlos Kleiber toe. En voor een ‘authentieke’ realisatie vooral Jos van Immerseel proberen.

 

 Discografie

Complete werken van Johann I door het Omroeporkest Bratislava o.l.v. Michael Dietrich, het Kolice Staatsfilharmonisch orkest o.l.v. Johannes Wildner, Ernst Märzendorfer, Christian Pollack en Alfred Walter. Marco Polo (8 cd’s).

 

Complete werken van Johann II door het Omroeporkest Bratislava o.l.v. Michael Dietrich, het Kolice Staatsfilharmonisch orkest o.l.v. Johannes Wildner, Alfred Eschwé, Peter Guth, Christian Pollack en Alfred Walter. Marco Polo (53 cd’s).

 

Nieuwjaars en andere concerten

1923-1932. Weens- en Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Erich Kleiber. Archiphon ARC 102. 

1929-1990. Diverse dirigenten. DG 435.335-2 (2 cd’s).

1950-1953. Clemens Krauss. Preiser 90336 (2 cd’s).

1957. Hans Knappertsbusch. Decca 440.624-2.

1958-1976. Willi Boskovsky. Decca 455.254-2 (6 cd’s).

1969. Jascha Horenstein. Chesky CD 70.

1979. Willi Boskovsky. Decca 448.572-2,  468.489-2.

1984-1986. Maazel (ontbreekt)

1987. Herbert von Karajan, soliste Kathleen Battle. DG 419.616-2.

1988. Claudio Abbado. DG .....

1989-1992. Carlos Kleiber. Sony 45938, 45564, 48376, samen 53385 (3 cd’s).

1990. Zubin Mehta. Sony 45808, 66860.

1991. Claudio Abbado. DG 431.628-2.

1993. Riccardo Muti. Philips 438.493-2.

1994. Lorin Maazel. Sony 46694.

1995. Zubin Mehta. Sony 66860.

1996, 1999. Lorin Maazel. RCA 09026-63983-2.

1997. Zubin Mehta. EMI 556.336-2 (2 cd’s).

1998. Zubin Mehta. RCA 09026-63144-2 (2 cd’s).

1999. Lorin Maazel. RCA 74321-61687-2.

1998. Zubin Mehta. RCA

2000. Riccardo Muti. EMI 567.323-2.

2002. Seiji Ozawa. Philips 468.999-2.

2003. Nikolaus Harnoncourt. DG 474.250-2 (2 cd’s).

2004. Riccardo Muti. DG 474.900-2.

 

Overige belangrijke opnamen

Strauss Edition Willi Boskovsky. Decca 455.254-2 (6 cd’s).

Johann Strauss orkest Wenen o.l.v. Willi Boskovsky. EMI 586.019-2 (6 cd’s), 574.528-2 (5 cd’s) en 586.769-2.

Weens filharmonisch orkest o.l.v. Herbert von Karajan. EMI 476.879-2 (mono).

Beiers Staatsorkest o.l.v. Carlos Kleiber. DG 415.646-2.

Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Herbert von Karajan. DG 437.255-2.

Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Herbert von Karajan. DG 449.768-2.

Londens filharmonisch orkest o.l.v. Franz Welser-Möst. EMI 754.089-2.

Concertgebouworkest o.l.v. Nikolaus Harnoncourt. Teldec 9031-74786-2.

Anima eterna o.l.v. Jos van Immerseel. Zig Zag Territoires ZZT 020601.

 

Video

Nieuwjaarsconcerten

1963-1979, hoogtepunten. Willi Boskovsky. Decca 073-4002 (2 dvd’s).

1987. Herbert von Karajan. Sony SDV 45985.

1989-1992. Carlos Kleiber. DG 073-401-4.

2000. Riccardo Muti EMI 492.361-9 (dvd).

2002. Seiji Ozawa. TDK WPNK 02 (dvd).

2003. Nikolaus Harnoncourt. TDK WPNK 03 (dvd).

2004. Riccardo Muti. DG 073-079-9 (dvd).

2005. Lorin Maazel. DG 073-4020 (dvd).

2006. Mariss Jansons. DG 073-414-2 (dvd).