SZYMANOWSKI: ORKESTWERKEN, STABAT MATER

SZYMANOWSKI: ORKESTWERKEN EN STABAT MATER

 

Karol Szymanowski is de belangrijkste Poolse componist uit de eerste helft van de twintigste eeuw. Hij is tot op zekere hoogte vergelijkbaar met Bartók door de manier waarop hij een eigen stijl vanuit de volksmuziek van zijn vaderland vormde. Maar zijn oeuvre bevat een andere belangrijke component. Veel van zijn visionaire partituren bevatten een persoonlijke duiding, een eerbetoon aan Dionysus en de extatische liefde. Met name blijkt dat uit de opera Koning Roger, de 3e symfonie Lied van de nacht en de beide vioolconcerten die alle een klankwereld vol verlangen en filigrane versieringen ontsluiten. Als ooit sprake was van zwaar geparfumeerde muziek dan wel bij Szymanowski.

 

Achtergronden

Het heeft meer dan een halve eeuw geduurd voordat de muziek van Szymanowski buiten Polen enigerlei erkenning ondervond. Omdat zijn muziek allerlei duidelijke invloeden verraadt, bestond een tendens om hem af te doen als epigoon. Die invloeden zelf – van Richard Strauss in zijn eerste periode, Debussy in de middenperiode waarin hij het productiefst was – suggereren een anachronistisch laatromanticus (hoewel hij al in 1937 overleed) was hij wel een exacte tijdgenoot van Stravinsky en Bartók. Zijn preoccupatie in die middenperiode met de oriënt die onder meer blijkt uit verstrengelde chromatische arabesken en weelderige orkestkleuren leidde ertoe dat sommigen hem als een lotuseter beschouwden en hem decadent vonden.

Een veelschrijver was Szymanowski bepaald niet: hij bracht het tot een productie van ongeveer zeventig werken die zoals gezegd verdeeld over drie perioden van zeer verschillende lengte ontstonden. De eerste, vaak omschreven als de laatromantische, beslaat de jaren van zijn eerste werk, een negental Préludes die rond de vorige eeuwwisseling toen hij 18 was ontstonden tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. In die periode ontstonden werken die Chopin nog als uitgangspunt hebben, maar duidelijker zijn gemarkeerd door de invloeden van Scriabin, Richard Strauss en Reger.

De tweede fase, die als de ‘impressionistische’ geldt, omvat exact de periode van de Eerste Wereldoorlog. Het was een vruchtbare tijd. Geïsoleerd op het landgoed van zijn familie en onder de bekoring van de Franse muziek die hij tevoren op zijn rondreizen had gehoord, maar meer nog door zijn bezoek aan Sicilië en Noord Afrika en door zijn studie van Griekse en Oosterse kunst, literatuur en filosofie schreef hij in die periode 14 belangrijke werken en begon hij aan de opera Koning Roger die echter pas in 1924 gereed kwam.

Szymanowski’s laatste ofwel ‘nationalistische’ fase heet te beginnen op het moment dat hij de muziektraditie uit het gebied van de Tatra bergen in 1922 ontdekte. Hij bezocht daar regelmatig Zakopane en bestudeerde de lokale Góral (‘Hoogland’) muziek; hij besteedde ook veel tijd aan de volksmuziek van het Kurpie district en aan het bestuderen van de 16e eeuwse Poolse polyfonie.

Veel tijd voor componeren had hij toen niet: er moest brood op de plank, dus werd geconcerteerd en hij werd directeur van het conservatorium in Warschau, een tijdrovende baan. Bovendien openbaarden zich de eerste symptomen van tuberculose. Na Koning Roger en de 20 Mazurka’s uit 1925 ontstonden nog slechts vijf grootschalige werken: het Stabat mater, de balletpantomime Harnasie, het tweede strijkkwartet, het tweede vioolconcert en de vierde symfonie of Concertante symfonie.

 

Symfonieën

Szymanowski’s vier symfonieën omspannen een substantieel deel van zijn loopbaan en illustreren fraai zijn drie scheppingsfasen. De eerste symfonie is een heel vroeg werk en loopt zelfs haast vooruit op die ‘eerste periode’. Het werk wordt vaak afgedaan als overdreven georkestreerd en te sterk afhankelijk van Richard Strauss. De componist trok het bovendien onvolledige werk na de eerste uitvoering terug. Maar temidden van het soms ondoorzichtig dikke klankweefsel en de contrapuntische overdaad schuilen kenmerken van de latere Szymanowski, vooral dankzij enige prachtige hoge vioolsoli.

De tweede symfonie werd niet zo lang daarna gecomponeerd. Tegenwoordig is eigenlijk alleen een herziening van het werk te horen die de componist aan het eind van zijn leven begon en die door Grzegorz Fitelberg werd voltooid. Het gaat opnieuw om een rijk en royaal contrapuntisch werk, maar de orkestratie is lichter en doorzichtiger, de structuur ordelijker. In wezen is dit ook de enige ‘normale’ symfonie van Szymanowski met een eerste deel in sonatevorm, een deel in variatievorm en een ingenieuze fugatische finale.

Hierna is de derde symfonie met de bijnaam Lied van de nacht allerminst ‘normaal’. Het is een meesterwerk uit zijn middenperiode voor groot orkest, met koor en een vocale solist (sopraan of tenor) en qua tekstkeuze en klankmatig gaat het hier om het meest Oosterse werk van de componist. De nogal extatische tekst van de Sufi dichter Jalal ad-Din ar-Rumi is tegelijk exotisch, mystiek en erotisch. Deze muziek is nooit beter omschreven dan door Soabji: “muziek van een stralende puurheid van geest, van een verheven extatische expressie, muziek doordesemd met het wezen van de essentie van de Iraanse kunst; de hele partituur gloeit met wonderbaarlijke kleuren, rijk maar nooit opzichtig of grof net als een Perzisch schilderij op zijde.”

De vierde symfonie is een van Szymanowski’s laatste grote werken en heeft opnieuw iets heel eigens. Het laat horen hoe hij zich (net als Bartók) het volksidioom had eigen gemaakt. Behalve een zekere robuustheid is hier ook sprake van een een grote melodische elegantie en een neoklassiek idioom. De pianosolo was aangepast aan ’s componisten toen reeds verminderde mogelijkheden. De piano speelt een vaak begeleidende rol en solo instrumenten uit het orkest treden meer op de voorgrond.

Stabat mater

Van Szymanowski’s nagelaten werken is ruim de helft vocaal van aard. Literaire bronnen waren altijd erg belangrijk voor hem om zijn verbeelding te wekken en zijn taal te scherpen. Omdat veel van die teksten in het Pools zijn (hij integreerde Jacopone da Todi’s Latijnse gedicht in het Stabat mater maar had liever dat het in een door hem verzorgde Pools werd gezongen). Geen wonder dat maar weinig Westerse solisten en koren zich aan deze werken wagen.

Het Stabat mater is het omvangrijkste en beste werk op religieuze tekst uit Szymanowski’s late periode. Zijn oorspronkelijke gedachte op het hoogtepunt van zijn enthousiasme voor Góral muziek was een soort ‘boeren requiem’, maar zijn studie van de 16e eeuwse polyfonie verleent het een even archaïsche als folkloristische toets. Szymanowski was geen religieus iemand en zijn onverschilligheid jegens de kerk maakte dit mogelijk juist daardoor tot een autonoom meesterwerk. In wezen worden hier ’s componisten midden- en late periode stijl verenigd, samen met de koorscènes uit Koning Roger en het in de volksmuziek gewortelde archaïsme uit Slopiewnie. Maar dat alles met een toplaag van lyrische gratie en harmonische en tonale dubbelzinnigheden.

Het werk duurt slechts ongeveer een half uur en moet op cd’s dus altijd met andere werken worden gekoppeld.

 

De opnamen

Er bestaat slechts één – gelukkig heel behoorlijke - opname van de eerste symfonie door Karol Stryja op een goedkope Naxos cd. De tweede symfonie dient als logische koppeling.

Wie de latere twee of drie symfonieën wenst heeft diverse mogelijkheden. De kwestie wordt alleen gecompliceerd door het samengaan met werk van andere componisten. Tot de beste behoort het tweeplaats album van Decca (no. 2 en 3 onder Antal Dorati en een fraaie uitvoering van het tweede vioolconcert door Chantal Juillet en Charles Dutoit, samen met vier belangrijke werken van Witold Lutoslawski die een groot bewonderaar van Szymanowski was.

Jammer genoeg is de oudere opname door Alfred Wallenstein met Artur Rubinstein aan wie van de vierde symfonie is opgedragen te jachtig in het eerste deel en over het geheel te schril.

Een verdere complicatie is dat de verzamelaars die koppelingen met louter werken van Szymanovsky wensen beperkt zijn in hun mogelijkheden, alweer omdat de meeste stukken vrij kort zijn wat haast onvermijdelijk overlappingen met zich meebrengt.

De beste aanbeveling voor de symfonieën is daarom Karol Stryja voor no. 1 en 2 en Simon Rattle voor no. 3 en 4 met de voortreffelijke Leif Ove Andsnes als solist. Rattle’s koppelingen van de weelderige derde symfonie met het devote en ritualistische Stabat mater en de Litanie voor de maagd Maria, terwijl de veel ranker, helderder vierde symfonie een fraai contrast biedt met Koning Roger. Rattle doet in de derde symfonie waarin het zo op sfeertekening aankomt alle coloristische effecten en de lome melodiek van de soloviool ideaal recht terwijl de glinsterende inbreng van piano, harp en slagwerk voor pittige accenten zorgt. Na zo’n gave uitvoering begrijpt men dat Lutoslawki verklaarde dat deze muziek voor hem de poort van een fantastische tuin opende. De enige smet op de vertolking is de lichtelijk gestresste tenorale inbreng van Jon Garrison die verder best sympathiek overkomt. Stryja koos voor een goede tenor in de 3e symfonie en zijn pianosolist in de 4e, Tadeusz Zmudzinsky, is eerder effectief dan bevlogen.

Het begin van het laatste deel van het Stabat mater met de uit zachte dissonanten van de klarinet voorkomende sopraansolo en majeur koorinzet is bij Rattle een subliem moment. De dirigent reguleert de eb en vloedwerking van deze compositie optimaal in een enthousiaste en als een belangrijke missie opgevatte vertolking. Elzbieta Szmytka is de ideale sopraansoliste die met haar pure stem in de hoge ligging dit idioom ook alle recht doet en het Engelse koor is goed voorbereid in het Pools te zingen. Minstens zo belangrijk is de zorg voor een evenwichtige en heldere opname die de opnametechnici aan de dag legden. Naast Szmytka zorgen mezzo Quivar met haar lichtelijk kelige geluid en bas Connell met zijn imposante laagte voor mooi tegenwicht. Hier is niet zozeer van een homogeen trio als wel van een fraai contrastrijk trio sprake.

Een alternatief voor wie de eerste symfonie wenst en Koning Roger teveel is, kan goed terecht bij Vassily Sinaisky’s koppeling van de symfonieën no. 2 en 4 op Chandos of bij de versie van de 2e door Leon Botstein op Telarc. Botsteins koppeling biedt de enige versie van Slopiewnie in orkestvorm.

Onder de andere rivalen voor de 3e bevinden zich Jerzy Semkov, die in dit werk een haast obsessieve intensiteit ten toon spreidt en die met een fraaie briljante epiloog afsluit, samen met mooie verklankingen van de beide vioolconcerten door Konstanty Kulka. Maar speciaal de aandacht waard is ook het album met drie cd’s door het Warschau filharmonisch orkest onder Witold Rowicki, gemaakt in de jaren zestig en keurig geremasterd. Dat album bevat de drie laatste symfonieën, beide vioolconcerten (door Wanda Wilkomirska), het prachtige ballet Harnasie en een mooie uitvoering van het Stabat mater. James Judd zorgt voor een degelijke verklanking van de 4e symfonie waarin Ewa Kupiec een spontane, uitbundige soliste is die over een geweldige techniek beschikt.

De Naxos opname van het Stabat mater laat een gevoelig gespeeld orkestaandeel horen, maar de intonatie van de vocale inbreng laat nogal te wensen over, zeker bij Jadwiga Gadulanka.

 

Conclusie

Om het overzichtelijk en eenvoudig te houden komt Stryja met de symfonieën 1 en 2 en Rattle met de nummers 3 en 4 plus het Stabat mater het meest in aanmerking. Het beste alternatief lijken de Lys opnamen van Rowicki.

 

Discografie

Symfonieën no. 1 en 2. Pools Staatsorkest o.l.v. Karol Stryja. Naxos 8.553683.

Symfonieën no. 2, 3 en 4. Stefania Woitowicz, Wladislaw Ochman c.q. Jan Ekier met het Warschau filharmonisch orkest o.l.v. Witold Rowicki. Dante Lys LYS 554/6.

Symfonie no. 2. Zofia Kilanowicz met het Londens filharmonisch orkest o.l.v. Leon Botstein. Telarc CD 80567

Symfonie no. 2. Pools nationaal omroeporkest o.l.v. Kasprzyk. EMI 565.082-2.

Symfonie no. 2. Stefania Woytowicz met het Pools omroeporkest en –koor o.l.v. Tadeusz Strugala. Koch 31265-2.

Symfonieën no. 2, 3 en 4. Ryszard Karcczykowski met het Detroit symfonie orkest en koor o.l.v. Antal Dorati. Decca 448.258-2

Symfonieën no. 2 en 4. Howard Shelley met het BBC filharmonisch orkest o.l.v. Vassily Sinaisky. Chandos CHAN 9478.

Symfonieën no. 3 en 4. Wieslaw Ochman en Tadeusz Zmudzinski met het Pools staatsorkest o.l.v. Karol Stryja. Naxos 8.553684.

Symfonie no. 3. Birmingham symfonie orkest o.l.v. Simon Rattle. EMI 555.121-2.

Symfonie no. 3. Wieslaw Ochman met het Pools omroepkoor Krakau en het Omroep symfonie orkest o.l.v. Jerzy Semkow. EMI 573.860-2, 565.082-2.

Symfonie no. 4. Artur Rubinstein met het Los Angeles filharmonisch orkest o.l.v. Alfred Wallenstein. RCA GD 60046.

Symfonie no. 4. Leif Ove Andsnes met het Birmingham symfonie orkest o.l.v. Simon Rattle. EMI 556.823-2.

Symfonie no. 4. Omroeporkest Krakau o.l.v. Jerzy Semkow. EMI 565.307-2.Symfonie no. 4. Bambergs symfonie orkest o.l.v. James Judd. Koch 3.6414-2.

Stabat mater. Stefania Woytowicz, Krystyna Szczepanska, Andrzej Hiolski met het Warschau filharmonisch orkest en –koor o.l.v. Witold Rowicki. Dante Lys LYS 554/6.

Stabat mater. Jadwiga Gadulanka, Krystyna Szostek-Radkowa, Andrzej Hiolski met het Pools staatsorkest en -koor o.l.v. K Stryja. Naxos 8.553687.

Stabat mater. Elzbieta Szmytka, Florence Quivar en Jon Garrison met het Birmingham symfonie orkest en -koor o.l.v. Simon Rattle. EMI 555.121-2.

Stabat mater. Christine Goerke, Marietta Simpson, Victor Ledbetter met het Atlanta symfonie orkest en –koor o.l.v. Robert Shaw. Telarc CD 80362.

Stabat mater. Jadwiga Gadulanka, Jadwiga Rappé, Andrzej Hiolski met het Omroeporkest en –koor Krakau o.l.v. Antoni Wit. EMI 568.761-2.

Stabat mater. Stefania Woytowicz, Krystyna Szostek-Radkowa, Andrzej Hiolski met het met Nationaal Pools omroeporkest en –koor o.l.v. Stanislav Wislocki. Koch 31265-2,